Per 1 november wijziging Eerstejaars Ziektewet-beoordelingen
Eigenrisicodragers ZW
Een werkgever kan er twee keer per jaar voor kiezen om eigenrisicodrager voor de ZW (hierna: eigenrisicodrager) te worden. Dat betekent dat hij zelf de ZW-uitkeringen moet betalen van de werknemers die ziek uit dienst zijn gegaan gedurende de periode van 104 weken loonbetaling, bijvoorbeeld na afloop van een contract voor bepaalde tijd. Een eigenrisicodrager moet ook zelf door een gecontracteerde Arbodienst/bedrijfsarts laten vaststellen of er recht bestaat op een ZW-uitkering. Is dat het geval dan moet de eigenrisicodrager de uitbetaling van de uitkering verzorgen en is hij verantwoordelijk voor de re-integratie.
Eerstejaars ZW-beoordeling
Op grond van de Ziektewet is het UWV verplicht om na een jaar te beoordelingen of een werknemer nog steeds in aanmerking komt voor een ZW-uitkering. Er wordt beoordeeld of de werknemer 65% of meer van zijn loonwaarde kan verdienen. Is dit het geval dan vervalt het recht op een ZW-uitkering. In de praktijk voerde het UWV deze eerstejaars ZW-beoordeling niet meer uit vanwege een capaciteitsgebrek bij het UWV.
Gewijzigde werkwijze
Vanaf 1 november 2026 komt het UWV echter met een nieuwe aanpak. Eigenrisicodragers kunnen vanaf die datum zelf werknemers bij het UWV melden als de kans groot is dat de ZW-uitkering voor hen kan stoppen. Om die kans te beoordelen moet de eigenrisicodrager een screening uitvoeren. Daarbij moet gekeken worden naar werknemers die minimaal 44 weken en maximaal 54 weken ziek zijn. De bedrijfsarts van de eigenrisicodrager eventueel ondersteund door derden zoals bijvoorbeeld een arbeidsdeskundige, bekijkt dan of er een reële kans is dat de ZW-uitkering kan stoppen.
Waarom?
Omdat het UWV op dit moment meer ZW-beoordelingen moet uitvoeren dan zij aankan, gelet op de beschikbare capaciteit, is gekozen voor een beoordeling van die gevallen waarbij een reële kans aanwezig is dat zij hun ZW-uitkering verliezen. Er vindt dus een prioritering plaats voor wat betreft de eerstejaars ZW-beoordelingen.
Let op! In mei 2026 is al een pilot gestart wat betreft deze werkwijze met een beperkt aantal administratiekantoren (Acture, HCS, Robidus). De werkwijze is per 1 november dus beschikbaar voor alle eigenrisicodragers.
Standaard betalingsregeling
In de coronaperiode konden ondernemers vanaf 2020 tot 1 april 2022 uitstel van betaling krijgen voor hun belastingschulden. Vanaf 1 oktober 2022 moeten zij die via de standaard betalingsregeling voor coronaschulden in 60 maandelijkse termijnen aflossen. Deze standaard betalingsregeling loopt voor veel coronabelastingschulden op 1 oktober 2027 af.
Let op! Voorwaarde voor de standaard betalingsregeling is dat de ondernemer vanaf 1 oktober 2022 voldoet aan alle nieuwe aangifte- en betalingsverplichtingen. De ondernemer moet ook vanaf 1 oktober 2022 de 60 maandelijkse termijnen op tijd betalen. Gebeurt dat niet, dan kan de standaard betalingsregeling worden ingetrokken.
Achterstand op standaard betalingsregeling
De ondernemer die een achterstand oploopt op de betalingsregeling en die niet wil dat deze wordt ingetrokken kan de Belastingdienst vragen de betalingsregeling (tijdelijk) aan te passen. Zo bestaat de mogelijkheid voor een kwartaalbetaling in plaats van een maandbetaling. Een andere mogelijkheid is om 1 keer een periode van maximaal 6 aaneengesloten maanden te stoppen met betalen. Tot slot bestaat er de mogelijkheid dat de standaard betalingsregeling wordt verlengd van 60 maanden (5 jaar) naar 7 jaar.
Let op! Voor al deze mogelijkheden gelden voorwaarden én ze brengen (financiële) gevolgen (waaronder meer invorderingsrente) met zich mee. Kijk voor de voorwaarden en de gevolgen op de website van de Belastingdienst.
Stand coronabelastingschulden
Uit antwoord op Kamervragen is duidelijk geworden dat van de ruim 266.000 ondernemers die in 2022 begonnen aan de standaard betalingsregeling, ongeveer 89.000 hun schuld al volledig hebben afgelost. Ongeveer 79.000 ondernemers hadden medio augustus 2026 nog een coronabelastingschuld van totaal € 2,3 miljard. Bij ongeveer 100.000 ondernemers is de standaard betalingsregeling ingetrokken of is sprake van sanering of faillissement.
Let op! De Belastingdienst stuurt elk kwartaal een schuldenoverzicht en een overzicht van de verwerkte betalingen naar de ondernemer.
Geen generieke verlaging invorderingsrente
In antwoord op Kamervragen heeft staatssecretaris Eerenberg laten weten dat er geen generieke verlaging van de invorderingsrente komt voor op dit moment nog openstaande coronabelastingschulden. Bij de standaard betalingsregeling is namelijk bewust niet afgezien van de invorderingsrente om een prikkel te houden tot tijdige betaling en aflossing. Bovendien vindt de staatssecretaris een verlaging van de invorderingsrente moeilijk uitlegbaar aan ondernemers die hun coronabelastingschuld wel tijdig of zelfs al helemaal hebben afgelost of die hun reguliere belastingschulden tijdig betalen.
Tip! De staatssecretaris wijst nog op geldfit.nl voor een laagdrempelig en onafhankelijk startpunt voor ondernemers die op zoek zijn naar hulp of advies bij hun belastingschulden.
Voor wie?
Om voor de SPRILA in aanmerking te komen moet je onderneming in Nederland gevestigd zijn, economische activiteiten uitvoeren en ingeschreven staan bij de KVK. Je onderneming moet eigen elektrische voertuigen of bouwwerktuigen hebben.
Maar ook als je werknemers of je klanten elektrisch rijden kun je in aanmerking komen voor de SPRILA. Hetzelfde geldt als je vastgoedeigenaar bent en je huurders laadinfrastructuur nodig hebben.
Let op! Ga je als ondernemer de laadinfrastructuur exploiteren? Dan kom je niet in aanmerking voor de SPRILA.
Voorwaarden
Voorwaarde voor de SPRILA is dat je de laadinfrastructuur in Nederland op eigen terrein of op een gehuurd terrein plaatst. De laadinfrastructuur mag niet openbaar zijn maar alleen op bepaalde momenten te gebruiken zijn door een specifieke groep gebruikers.
Let op! Er gelden nog meer voorwaarden die je hier kunt vinden.
Hoogte subsidie laadinfrastructuur
De hoogte van de subsidie is afhankelijk van het soort laadstation (AC of DC) in combinatie met het maximaal aan het elektrisch voertuig te leveren vermogen.
De hoogte van de subsidiebedragen lopen op van € 400 voor een AC-laadstation met een vermogen vanaf 11 kW tot € 44.000 voor een DC laadstation met een vermogen vanaf 550 kW.
Let op! Als mkb-ondernemer kom je in aanmerking voor een verdubbeling van deze subsidiebedragen. Je hebt daarvoor een mkb-verklaring nodig, die je via deze link kunt maken.
Meer details over de hoogte van de subsidie vind je hier.
Subsidie batterij
Voor een batterij is maximaal tot 1.000 kWh subsidie mogelijk. Het subsidiebedrag is € 60 per kWh. Voor mkb’ers is dit € 85 per kWh. Voor de batterij gelden aanvullende voorwaarden.
Aanvragen
Aanvragen van de SPRILA is al mogelijk vanaf 20 januari 2026. Begin juni 2026 zijn de budgetten verhoogd voor laadinfrastructuren en batterijen. Begin oktober 2026 was van de € 68.500.000 voor laadinfrastructuren met AC- of DC-laadstations € 56.337.003 aangevraagd. Voor batterijen was op dat moment € 34.426.278 van de € 45.000.000 budget aangevraagd.
Is je subsidie lager dan € 25.000, dan ontvang je het volledige subsidiebedrag in één keer. Bij subsidies vanaf € 25.000, krijg je eerst een voorschot van 50%.
Let op! Aanvragen kan nog tot 18 december 12.00 uur. Houd er rekening mee dat de budgetten mogelijk eerder al op zijn.
OV-concessiehouders en touringcarbedrijven
OV-concessiehouders en touringcarbedrijven kunnen ook in aanmerking komen voor de SPRILA. Begin oktober 2026 was van het beschikbare budget van € 9.000.000 van deze groep € 1.124.308 aangevraagd.
Twee toetsen
Het wetsvoorstel introduceert twee toetsen:
- de zelfstandigentoets, en
- de werkrelatietoets.
Zelfstandigentoets
Bij de zelfstandigentoets vindt een beoordeling plaats of de zelfstandige zich ook als echte zelfstandige gedraagt. Denk hierbij aan zaken als het hebben van een KvK-nummer en btw-nummer, een aparte rekening voor zakelijke transacties en meerdere opdrachtgevers (minimaal drie in het lopende en afgelopen kalenderjaar). Het is mogelijk om jarenlang één klant te hebben mits er daarnaast ook andere klanten zijn van enige omvang.
Let op! Dit criterium van minimaaldrie opdrachtgevers zorgt wel voor de nodige kritiek.
De zelfstandige moet verder jaarlijks een bepaald minimumbedrag besteden aan bepaalde voorzieningen om ondernemersrisico’s af te dekken zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering, een pensioenvoorziening en een verzekering tegen bedrijfsaansprakelijkheid.
Let op!Dit minimumbedrag is nu nog niet bekend, maar wordt later bekendgemaakt. Het gaat om een vast bedrag, ongeacht omzet of tarief. Ook dit punt heeft tot kritiek geleid. Het is dus wachten of deze punten nog aangepast worden.
Werkrelatietoets
De werkrelatietoets beoordeelt of de werkende zich binnen een specifieke opdracht als echte zelfstandige gedraagt. Daarvoor geldt dat beide partijen de wil moeten hebben om buiten een arbeidsovereenkomst te werken. Daarnaast moet de werkende vrij zijn om te bepalen hoe, waar en wanneer hij de werkzaamheden uitvoert (locatie- en tijdsgebonden werk uitgezonderd) en het werk voor eigen rekening en risico uitvoeren.
Veilige haven
De wet is niet verplicht, maar biedt een optie voor wie vooraf zekerheid wil (de ‘veilige haven’). Daarbij geldt dat er geen rangorde en geen weging is. Als er aan één criterium niet wordt voldaan, dan geeft de wet geen zekerheid. Van belang is de feitelijke uitvoering en niet wat op papier staat. Verliest een zelfstandige tijdens de opdracht een criterium, dan vervalt de veilige haven vanaf dat moment.
Wie niet aan de criteria van de wet voldoet, is niet vanzelf een werknemer. Er volgt dan een reguliere beoordeling, waarbij nog steeds geoordeeld kan worden dat sprake is van zelfstandigheid.
Let op! De wet is niet nodig en hoeft daarom niet toegepast worden op zelfstandigen bij wie duidelijk is dat ze zelfstandige zijn. Denk aan zelfstandigen die eenmalige – vaak korte – diensten leveren aan bedrijven, zoals advieswerk, het geven van een training, of eenmalig financieel advies.
Uitvoering
Een mogelijk opdrachtgever kan wat betreft de zelfstandigentoets bij een zzp’er navraag doen of deze aan genoemde criteria voldoet. Ook kan de zelfstandige zelf een dergelijke verklaring voorzien van bewijs opstellen. Daarnaast wordt het mogelijk dat er gewerkt wordt met een ‘derdenverklaring’, waarbij bijvoorbeeld een accountant of boekhouder zo’n verklaring afgeeft.
De voorwaarden voor de werkrelatietoets moeten opdrachtgever en opdrachtnemer per opdracht gezamenlijk afspreken en vastleggen, en in de praktijk ook zo uitvoeren.
Controlerende instanties, zoals de Belastingdienst of de Arbeidsinspectie, hebben als taak om te controleren of er in de praktijk ook wordt gewerkt conform wat is afgesproken.
Invoering
De beoogde invoering is 1 januari 2028, maar de wet moet nog worden ingediend bij de Tweede Kamer en daarna nog door de Eerste Kamer worden behandeld.
Let op! De consulatie loopt van 1 oktober tot en met 29 oktober 2026.