t
0344 647 000
|

Bloemen voor nieuwe werknemer belast?

Verband met dienstbetrekking

Als een werknemer iets krijgt op grond van zijn dienstbetrekking, vormt dit loon waarover loonbelasting verschuldigd is. Niet alles wat een werknemer van of namens de werkgever krijgt, is echter loon. Soms ontbreekt namelijk het duidelijke verband met de dienstbetrekking omdat sprake is van een persoonlijke attentie. Dit is bijvoorbeeld het geval als je een fruitmand geeft aan een zieke werknemer.

Kleine geschenken regeling

De grens tussen een duidelijk verband met de dienstbetrekking en een persoonlijke attentie is niet altijd helder. Om bij kleine geschenken duidelijkheid te scheppen, bestaat de kleine geschenkenregeling. Als de werkgever aan drie voorwaarden voldoet, mag ervan uit gegaan worden dat het kleine geschenk geen loon is. 

De voorwaarden zijn:

  • Het gaat om een persoonlijke attentie in situaties waarin ook anderen die niet de werkgever zijn, zo’n attentie zouden geven.
  • De factuurwaarde (inclusief btw) van de attentie is maximaal € 25.
  • De attentie is geen geld of een waardebon.

Bos bloemen is loon

De bos bloemen die een werknemer krijgt op de eerste werkdag heeft een duidelijk verband met de dienstbetrekking. De werknemer krijgt dit namelijk omdat hij/zij in dienst is gekomen. De bos bloemen vormt daarom loon voor de werknemer.

De kleine geschenken regeling kan in dit geval niet worden toegepast omdat de bos bloemen geen persoonlijke attentie is in een situatie waarin ook anderen zo’n attentie zouden geven.

Let op! De werkgever kan de € 22,50 wel aanwijzen in de vrije ruimte.

Entrepreneur’s allowance 

The entrepreneur’s allowance comprises the self-employed person’s allowance (in Dutch: zelfstandigenaftrek), the allowance for research and development (in Dutch: aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk), the co-worker’s allowance (in Dutch: meewerkaftrek), the start-up allowance in the event of incapacity for work (in Dutch: startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid), and the cessation allowance (in Dutch: stakingsaftrek). These allowances may be deducted from business profits for the purposes of income tax. 

Foreign taxpayers 

Foreign taxpayers are taxed in the Netherlands to the extent that they receive Dutch income. Dutch income includes, amongst other things, the profit generated by a foreign entrepreneur’s permanent establishment in the Netherlands. The question is whether the entrepreneur’s allowance may be deducted in full from the profit of this permanent establishment or whether a different allocation must be made?  

Worldwide profit is the starting point 

For the portion of the foreign entrepreneur’s profit that is taxable in the Netherlands, the letter of the law first requires the global profit to be determined, i.e. the foreign entrepreneur’s total profit, including profit earned outside the Netherlands. The Tax and Customs Administration states that the entrepreneur’s allowance and the SME profit exemption (in Dutch: mkb-winstvrijstelling)are deducted in full from these worldwide profits. The profit taxable in the Netherlands is that part of the worldwide profit, after deduction of the entrepreneur’s allowance and the SME profit exemption, which is attributable to the Dutch permanent establishment.  

The business allowance is therefore not deducted in full from the profits of the permanent establishment, but in proportion to the ratio of Dutch profits to total worldwide profits.

SME profit exemption 

The Tax and Customs Administration states that the portion of the SME profit exemption that may be charged against the profit taxable in the Netherlands must be determined in the same way as for the entrepreneur’s allowance. 

Please note! According to the Tax and Customs Administration, the fact that the entrepreneur’s allowance and the SME profit exemption must be determined in the manner described above also follows from a 2010 ruling by the Supreme Court (in Dutch: Hoge Raad). 

Ondernemersaftrek

De ondernemersaftrek bestaat uit de zelfstandigenaftrek, de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, de meewerkaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de stakingsaftrek. Genoemde aftrekken mogen op de winst uit onderneming in de inkomstenbelasting in mindering worden gebracht. 

Buitenlands belastingplichtigen

Buitenlands belastingplichtigen worden in Nederland belast voor zover ze Nederlands inkomen genieten. Nederlands inkomen is onder meer de winst die behaald is met een vaste inrichting van de buitenlandse ondernemer in Nederland. De vraag is of de ondernemersaftrek volledig in mindering mag worden gebracht op de winst van deze vaste inrichting of dat een andere toerekening plaats moet vinden?

Wereldwinst is uitgangspunt

Voor het in Nederland te belasten deel van de winst van de buitenlandse ondernemer moet naar de letter van de wet eerst de wereldwinst worden bepaald, ofwel de gehele winst van de buitenlandse ondernemer inclusief de buiten Nederland behaalde winst. De Belastingdienst antwoordt dat op deze wereldwinst de ondernemingsaftrek en mkb-winstvrijstelling volledig in mindering wordt gebracht. De in Nederland belastbare winst is het deel van de wereldwinst na aftrek van de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling, dat valt toe te rekenen aan de Nederlandse vaste inrichting.

De ondernemersaftrek komt dus niet volledig in mindering op de winst van de vaste inrichting, maar naar evenredigheid van de winstverhouding Nederlandse winst versus totale wereldwinst.

Ook mkb-winstvrijstelling

De Belastingdienst geeft aan dat welk deel van de mkb-winstvrijstelling ten laste van de in Nederland te belasten winst kan worden gebracht op dezelfde manier moet worden bepaald als bij de ondernemersaftrek.

Let op! Dat de ondernemersaftrek en de mkb-winstvrijstelling op bovenomschreven manier dienen te worden bepaald, vloeit volgens de Belastingdienst ook voort uit een arrest van de Hoge Raad uit 2010.

Keuze: ondernemingsvermogen of privévermogen?

De opbrengst van de liquide middelen die tot je ondernemingsvermogen horen behoort tot de winst en wordt belast in box 1. Private liquide middelen behoren daarentegen tot het privévermogen en worden belast in box 3. Je mag in beginsel zelf kiezen of je liquide middelen in je onderneming als ondernemings- of als privévermogen aanmerkt. In bepaalde gevallen kunnen de liquide middelen echter verplicht tot het privévermogen horen. Dat is het geval als de liquide middelen duurzaam overtollig zijn in je onderneming.

Duurzaam overtollig of niet?

In een geschil dat speelde voor de rechtbank Den Haag ging het om de vraag of een deel van de als ondernemingsvermogen aangegeven liquide middelen als ‘duurzaam overtollig’ moest worden aangemerkt. De Belastingdienst vond van wel. De Belastingdienst vond dat dit deel dus niet als ondernemingsvermogen kon worden aangemerkt. De ondernemer had een bedrag van ruim € 450.000 aan liquide middelen als ondernemingsvermogen opgegeven, maar de Belastingdienst accepteerde dit maar voor een bedrag van € 165.000. Het verschil van ruim € 285.000 was duurzaam overtollig en diende in box 3 belast te worden. 

Bewijslast bij Belastingdienst

De bewijslast dat liquide middelen duurzaam overtollig zijn, ligt bij de Belastingdienst. Voor de rechtbank diende de Belastingdienst daarom de feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken dat sprake was van duurzaam overtollige liquide middelen.

Geringe omzet

De Belastingdienst voerde om te beginnen aan dat sprake was van een eenmanszaak van geringe omvang met slechts een beperkte omzet van € 6.298 in het voorgaande jaar en € 7.855 in het jaar zelf. Die omzet zou naar verwachting in de toekomst niet veel stijgen.

Investering laat op zich wachten

De Belastingdienst voegde hieraan toe dat niet aannemelijk was dat er op korte termijn extra liquide middelen nodig waren voor een investering in kantoorruimte, zoals de ondernemer beweerde. Een niet door de verkoper ondertekende koopovereenkomst voor een kavel grond was daarvoor onvoldoende. Tekenend was bovendien dat ten tijde van de procedure voor de rechtbank in 2026 de kantoorruimte nog steeds niet was gerealiseerd, zodat niet aannemelijk was dat hiervoor in 2020 liquide middelen gereserveerd dienden te worden.

Parallel met 2018

De ondernemer had in 2018 ook over de omvang van zijn ondernemingsvermogen geprocedeerd. Daarbij was toen een bedrag van € 165.000 aan ondernemingsvermogen door het gerechtshof geaccepteerd. Dit bedrag diende als dekking voor de fiscale oudedagsreserve en als reservering voor een aan te schaffen bedrijfsauto en zonnepanelen. 

Rechtbank laat correctie in stand

Uit bovenstaande feiten leidde de rechtbank af dat de Belastingdienst in de bewijslast was geslaagd dat sprake was van duurzaam overtollige liquide middelen. De Belastingdienst had daarom terecht een deel van het aangegeven ondernemingsvermogen als duurzaam overtollig aangemerkt en overgeheveld naar box 3. De correctie bleef dan ook in stand. 

Let op! Of de liquide middelen in jouw onderneming in de inkomstenbelasting duurzaam overtollig zijn of niet, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden in jouw situatie. Zorg er in ieder geval voor dat je kunt onderbouwen waarom de liquide middelen in je onderneming nodig zijn. Op die manier wordt het voor de Belastingdienst lastiger om aan de bewijslast te voldoen dat sprake is van duurzaam overtollige liquide middelen.