t
0344 647 000
|

Toezicht gestart op digitale diensten onder DSA

Wie?

De Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) gaan de naleving van de DSA in Nederland handhaven.

Voor wie geldt DSA?

Naast online marktplaatsen, geldt de DSA ook voor sociale netwerken, zoekmachines, cloudaanbieders, online reis- en accommodatieplatforms, internetproviders en diensten om content te delen, zoals videoplatforms. 

Regels voor digitale diensten

De regels waar digitale diensten zich aan te houden hebben, betekenen onder meer een verbod op het personaliseren van advertenties op grond van bijvoorbeeld geloofsovertuiging of seksuele geaardheid. Minderjarigen genieten een extra bescherming om te voorkomen dat er ongepaste reclame op hun scherm verschijnt.

Ingrijpen bij meldingen

De DSA bevat ook verplichtingen als online dienstverleners meldingen krijgen van gebruikers, bijvoorbeeld over illegale content. Ook hierop houdt de ACM toezicht. Ook overtredingen van elders gevestigde online diensten kunnen worden gemeld bij de ACM.

Rol Europese Commissie

De Europese Commissie houdt zelf toezicht op de 25 grootste Europese bedrijven die onder de DSA vallen, zoals Amazon, Google en Booking.com.

3D-printer

In een zaak die speelde bij rechtbank Noord-Holland was sprake van een kunstenares die beeldjes vervaardigde van zwangere vrouwen of alleen van hun buik. Bij de vervaardiging ervan gebruikte zij een 3D-printer. Daarbij bewerkte zij de scans met digitale software, overeenkomstig de wensen van de klant. De beeldjes werden van verschillende materialen vervaardigd, zoals van koper en staal. Na de print werden de beeldjes door de kunstenares afgewerkt.

Kunst of niet?

Voor de rechtbank speelde de vraag of er al dan niet sprake was van kunst. De inspecteur stelde van niet, onder andere omdat de beeldjes niet helemaal van de hand van de kunstenares waren en een commercieel karakter hadden.

Voorwaarden laag btw-tarief

De rechtbank stelde vast dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat standbeelden en beeldhouwwerken onder het lage btw-tarief vallen als het gaat om:

  • een origineel standbeeld of beeldhouwwerk
  • dat geheel van de hand van de kunstenaar is, én 
  • geen commercieel karakter heeft. 

Volgens de rechtbank voldeden de beeldjes aan deze eisen.

Geen massaproductie

Dat er sprake was van originele beeldjes stond buiten kijf. Uit eerdere rechtspraak was duidelijk dat de tweede voorwaarde, dat het kunstwerk geheel van de hand van de kunstenaar moet zijn, betekende dat er geen sprake mag zijn van massaproductie. Het gebruik van een 3D-printer staat hieraan volgens de rechtbank niet in de weg, omdat er bij iedere soort kunst nu eenmaal gebruik wordt gemaakt van werktuigen. 

Ook geen commercieel karakter

Ook aan de derde voorwaarde werd voldaan, omdat er geen sprake was van een commercieel karakter. Hiervan is namelijk sprake als een product naar maatschappelijke opvattingen uiterlijke gelijkenis vertoont met industriële of ambachtelijke producten waarvoor het algemene btw-tarief geldt. Ook dit was hier niet aan de orde. De rechtbank stelde de kunstenares dan ook in het gelijk.

Herinvesteringsreserve (HIR)

Als u boekwinst maakt op een bedrijfsmiddel, moet u hier in beginsel belasting over betalen. U kunt dit voorkomen door de boekwinst te reserveren in een HIR. Koopt u later een vervangend bedrijfsmiddel, dan kunt u de HIR afboeken op de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel. U kunt daardoor minder afschrijven op het nieuwe bedrijfsmiddel. U betaalt daardoor meer belasting, zij het wel gespreid en op een later moment: een belangrijk voordeel ten opzichte van direct afrekenen.

Investeringsvoornemen

De HIR kent wel enkele voorwaarden. Zo is onder meer van belang dat er een investeringsvoornemen is. Dit betekent dat u een HIR in principe binnen drie jaar na het jaar van ontstaan ervan moet afboeken op een ander aangeschaft bedrijfsmiddel. Doet u dit niet, dan valt de HIR op het eind van dat jaar in de winst en betaalt u alsnog in één keer belasting over de boekwinst. De genoemde termijn van drie jaar geldt niet als er vertraging in de investering is opgetreden door bijzondere omstandigheden. Er is dan wel vereist dat er een begin van uitvoering van de investering is gemaakt.

Onvoldoende financiën

In bovengenoemde rechtszaak was sprake van een bv die een HIR wilde vormen, maar waarbij dit niet op de goedkeuring van de inspecteur kon rekenen. Volgens de inspecteur ontbrak het de bv aan voldoende financiën toen deze de HIR wilde vormen, zodat er geen sprake kon zijn van een investeringsvoornemen.

Financiering niet doorslaggevend

Uit genoemd arrest blijkt dat het bezit van onvoldoende financiële middelen op het moment van vorming van de HIR niet automatisch aan de HIR in de weg hoeft te staan. Dit kan wel zo zijn als binnen drie jaar na het jaar van ontstaan ervan de HIR niet kan worden afgeboekt op een ander aangeschaft bedrijfsmiddel als hiervoor de financiën ontbreken. U voldoet dan namelijk niet aan de wettelijke eisen, maar de inspecteur moet dit dan wel aannemelijk maken.

Vrije bewijsleer

De uitspraak van het Hof Den Bosch maakt ook duidelijk dat de HIR een vrije bewijsleer kent. Ofwel, u mag zelf kiezen hoe u aannemelijk maakt dat u een investeringsvoornemen heeft. Dit hoeft niet per sé uit stukken te blijken. In bovengenoemde zaak was er echter voldoende bewijs in de vorm van onder andere e-mails van de bank, dat er daadwerkelijk een investeringsvoornemen bestond. Het Hof stelde de bv dan ook in het gelijk.

Aankoop via verkapt dividend

In een zaak voor Gerechtshof Amsterdam nam een dga de auto van zijn bv over tegen een prijs van € 15.000, terwijl de waarde van de auto € 75.000 bedroeg. Voor de rest van de waarde werd voor de dividendbelasting verkapt dividend in aanmerking genomen. De bv berekende alleen btw over € 15.000, maar de Belastingdienst legde aan de bv een naheffingsaanslag btw op over het meerdere van € 60.000.

In een andere zaak voor Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch werd een auto met een waarde van € 29.750 aan de dga verkocht voor € 2.624. Ook nu werd voor de rest (€ 27.126) van de waarde verkapt dividend in aanmerking genomen voor de dividendbelasting. De bv droeg over € 29.750 btw af, maar ging tegen de btw-afdracht over € 27.126 in bezwaar.

Gerechtshoven oordelen verschillend

Op de vraag of over de werkelijke waarde of over de lagere overeengekomen prijs btw moest worden afgedragen, kwamen de gerechtshoven niet tot hetzelfde oordeel. Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat in de casus die daar voorlag sprake was van misbruik van recht en stelde de Belastingdienst in het gelijk. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat er in de casus die daar voorlag, geen sprake was van misbruik van recht en stelde de bv in het gelijk.

Wanneer misbruik van recht?

Misbruik van recht kan worden aangenomen als in strijd met doel en strekking van de wet een belastingvoordeel wordt behaald én het doel van de transactie waarmee dit voordeel wordt behaald ook is om dit voordeel te behalen. Als er een ander wezenlijk doel is, zal niet snel sprake zijn van misbruik van recht, ook niet als daarbij toch een belastingvoordeel wordt behaald.

Gerechtshof Amsterdam: misbruik van recht

Gerechtshof Amsterdam vond dat in de voorliggende casus aan deze definitie was voldaan. De zakelijke motieven die de bv bij het gerechtshof aanvoerde, verklaarden niet waarom de auto tegen een abnormaal lage vergoeding was verkocht. Naar het oordeel van het gerechtshof was het doel van de transactie dan ook gelegen in het belastingvoordeel van de lagere btw voor de dga. In deze casus speelde mee dat tussen de aankoop van de auto door de bv en de verkoop aan de dga tegen de lage vergoeding slechts een paar maanden gelegen was. Daarnaast verkocht de bv ook in latere jaren nog verschillende auto’s binnen korte tijd na aankoop aan de dga voor telkens een abnormaal lage vergoeding.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch: géén misbruik van recht

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat in de voorliggende casus geen sprake was van misbruik van recht. De stelling van de Belastingdienst dat de auto overgedragen was tegen een abnormaal lage vergoeding was hiervoor onvoldoende. In die casus had de bv eind 2015 de auto gekocht en eind 2020 (vijf jaar later dus) verkocht aan de dga. Het hoofddoel van de verkoop was volgens de bv de toekomstige stijging van het bijtellingspercentage in de loonheffing, waardoor het niet langer aantrekkelijk was om de auto in de bv aan te houden. De Belastingdienst kon ook niet aannemelijk maken dat het btw-belastingvoordeel het hoofddoel was.

Let op! Rechtbank Noord-Nederland heeft in een soortgelijke casus ook geoordeeld dat geen sprake was van misbruik van recht. In die casus had de bv als doel van de verkoop gegeven dat het afschrijvingspotentieel van de auto bereikt was en de fiscale bijtelling een aanzienlijke last voor de dga vormde. De rechtbank achtte deze verklaring geloofwaardig en oordeelde daarom dat het wezenlijke doel van de verkoop van de auto niet het besparen van btw was.

Wachten op uitspraak Hoge Raad

Het wachten is nu op de Hoge Raad. In ieder geval tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam is beroep in cassatie ingesteld. We houden u uiteraard op de hoogte.