t
0344 647 000
|

Vanaf wanneer vermindering immateriële schadevergoeding?

Immateriële schadevergoeding

Een immateriële schadevergoeding loopt op naarmate de behandeling van uw conflict langer duurt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat bezwaar en beroep bij elkaar twee jaar mag duren. Gaat u daarna in hoger beroep, dan geldt hiervoor nogmaals een periode van maximaal twee jaar. Gaat u daarna in cassatie, dan geldt wederom een maximale behandeltermijn van twee jaar. Bij overschrijding van genoemde termijnen dient per half jaar overschrijding een vergoeding van € 500 te worden betaald.

Beperkingen

De Hoge Raad heeft in een arrest van 14 juni jl. een aantal beperkingen gesteld aan de immateriële schadevergoedingen. De Hoge Raad oordeelde dat dergelijke schadevergoedingen voortaan alleen van toepassing zijn bij een financieel belang van minstens € 1.000. Bij een geringer belang is dus geen schadevergoeding aan de orde, tenzij de overschrijding van de redelijke termijn langer dan één jaar bedraagt. In die gevallen kan de rechter zelf bepalen of er een schadevergoeding betaald moet worden.

Overgangsrecht

De Hoge Raad oordeelde tevens dat de nieuwe regels alleen gelden voor nieuwe gevallen. Ze gelden dus niet voor zaken waarin voorafgaand aan de datum van het arrest, 14 juni 2024, om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is verzocht en waarin de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure op de datum van dit arrest al was overschreden. 

Nog geen beperking in 2023

In een zaak die in augustus 2023 al speelde had een belastingplichtige een immateriële schadevergoeding geëist. Omdat op dat moment de nieuwe regels nog niet van kracht waren, besliste het gerechtshof Den Haag dat de schadevergoeding ook nog niet beperkt diende te worden en bepaalde deze op € 500, nu de overschrijding vijf maanden bedroeg.

Betalen op Hemelvaartsdag, of niet?

Voor de Hoge Raad kwam de vraag aan de orde hoe ver de onderzoeksplicht reikt als het gaat om de verschuldigdheid van parkeerbelasting. In de betreffende zaak had een automobilist zijn auto geparkeerd op Hemelvaartsdag zonder parkeerbelasting te voldoen. Omdat er ook op zon- en feestdagen parkeerbelasting betaald moest worden, was hem een naheffing met boete opgelegd.

Te ver verwijderd

De automobilist voerde aan dat op de parkeermeter bij zijn woning vermeld stond dat op zon- en feestdagen geen parkeerbelasting verschuldigd is. Die parkeermeter stond echter zo’n anderhalve kilometer verwijderd van de plaats waar hij geparkeerd had. De gemeente was dan ook van oordeel dat de automobilist aan de tekst op deze parkeermeter geen rechten kon ontlenen.

Onderzoeksplicht

Hof Amsterdam en ook de Hoge Raad zijn het hiermee eens. Op een automobilist rust nu eenmaal een onderzoeksplicht als het om betaald parkeren gaat. Dit betekent dat onderzocht moet worden: 

of op een bepaalde plaats parkeerbelasting betaald moet worden, en 
dat vervolgens gezocht moet worden naar een parkeerautomaat om de belasting te voldoen.

Daarbij geldt dat uitgegaan moet worden van de informatie die is aangegeven op een parkeermeter in de nabijheid van de parkeerplaats.

Parkeermeter in nabijheid parkeerplaats

De gemeente voerde aan dat op de betreffende  parkeermeters duidelijk stond aangegeven dat er ook op Hemelvaartsdag parkeerbelasting verschuldigd is. Dat per parkeermeter niet staat aangegeven voor welk gebied deze geldig is, doet naar de mening van de rechters niet ter zake. De naheffing en boete bleven dan ook in stand.

Wanneer belastingrente betalen?

Hoe en wanneer er belastingrente berekend of aan u vergoed wordt, is niet voor elke belastingsoort hetzelfde. Heel kort samengevat komt het erop neer dat belastingrente aan u in rekening wordt gebracht als de Belastingdienst uw aanslag niet op tijd kan vaststellen.

Dit is bijvoorbeeld bij de inkomstenbelasting 2024 het geval als u niet vóór 1 mei 2025 uw aangifte indient of een voorlopige aanslag aanvraagt én uw (voorlopige) aanslag een dagtekening heeft vanaf 1 juli 2025. Maar ook als u dat wel deed en de Belastingdienst een (voorlopige) aanslag oplegt die hoger is dan in uw aangifte/verzoek om voorlopige aanslag, berekent de Belastingdienst belastingrente over het verschil.

Wanneer belastingrente ontvangen?  

Anderzijds vergoedt de Belastingdienst alleen in bepaalde gevallen belastingrente, bijvoorbeeld als de Belastingdienst zonder reden te lang doet over het opleggen van uw belastingaanslag.
Voor de inkomstenbelasting 2024 vergoedt de Belastingdienst bijvoorbeeld belastingrente als u een aangifte heeft ingediend, de Belastingdienst na 1 juli 2025 een negatieve (voorlopige) aanslag (een teruggaaf dus) oplegt en dat niet doet binnen 13 weken na ontvangst van uw aangifte. Dient u een verzoek om een negatieve (voorlopige) aanslag (een teruggaaf dus) in, dan bedraagt de termijn 8 weken in plaats van 13 weken.

Belastingrente te hoog?

Rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 7 november 2024 – kort samengevat – dat het vanaf 2022 vastgestelde percentage belastingrente voor de vennootschapsbelasting (in 2022 en 2023: 8%, in 2024: 10%) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat de belastingrente, naar het oordeel van de rechtbank, niet berekend mag worden naar 8% of 10%.

Vraag daarbij is echter op welk percentage de belastingrente dan wel kan worden vastgesteld om evenredig te zijn. Over die vraag heeft de rechtbank zich niet hoeven buigen, omdat de belastingplichtige en de Belastingdienst vooraf al hadden afgesproken dat het tarief 4% zou zijn als de belastingplichtige in het gelijk zou worden gesteld. De rechtbank berekent de belastingrente daarom naar een tarief van 4%. Dit percentage lijkt te zijn ontleend aan het percentage voor andere belastingen, zoals de inkomstenbelasting, maar zekerheid daaromtrent is er niet.

Let op! In verband met de uitspraak van de rechtbank is het verstandig om tijdig bezwaar te maken tegen belastingrente berekend over een definitieve aanslag vennootschapsbelasting. Gaat het om een voorlopige aanslag dan moet u een verzoek om herziening doen. Neem voor meer informatie contact met ons op, ook over de vraag of het verstandig is om tijdig bezwaar te maken tegen belastingrente berekend over andere belastingsoorten zoals de inkomstenbelasting.

EIA

Ondernemers in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting die investeren in bedrijfsmiddelen van de Energielijst kunnen met de EIA in 2025 in aanmerking komen voor een investeringsaftrek van 40% van het investeringsbedrag.

In 2025 is voor de EIA € 431 miljoen budget beschikbaar. Dat is € 172 miljoen meer dan in 2024. In 2026 is het beschikbare budget nog eens € 29 miljoen hoger en bedraagt het € 460 miljoen.

Energielijst 2025

De EIA kan alleen worden toegepast voor bedrijfsmiddelen die zijn opgenomen op de Energielijst 2025. In deze lijst vinden elk jaar, dus ook in 2025, aanpassingen plaats. Zo kan bijvoorbeeld voor investeringen in zonnepanelen voor elektriciteitsopwekking in 2025 ook EIA worden aangevraagd als sprake is van een grootverbruikersaansluiting. In 2024 kon dit alleen nog voor kleinverbruikersaansluitingen (maximaal 3 x 80 ampère).

Niet meer op de lijst staan investeringen in een ‘intelligent lokaal energienetwerk’ (smart grid) en netbalancering door actieve sturing van installaties. Voor een aantal investeringen zijn de voorwaarden aangepast, onder meer voor warmtepompen.

Tip! Bekijk hier de opvallendste wijzigingen in de Energielijst 2025. De volledige lijst kunt u hier vinden.

Voorwaarden

Alleen bedrijfsmiddelen die niet eerder zijn gebruikt, komen voor de EIA in aanmerking. Daarnaast moet de investering in het bedrijfsmiddel minimaal € 2.500 bedragen. Het maximale jaarlijkse investeringsbedrag waarvoor u EIA kunt krijgen is in 2025 verhoogd naar € 151 miljoen.

Let op! Er gelden nog meer voorwaarden. Zorg dat u aan alle voorwaarden voldoet. Een belangrijke is dat u een aanvraag voor toepassing van de EIA doet  binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting tot aankoop van het bedrijfsmiddel.