t
0344 647 000
|

Nieuwe fiscale regelingen voor startups en scale-ups

Wetsvoorstel werkelijk rendement box 3

In het door de Tweede Kamer al aangenomen wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 wordt het werkelijke rendement volgens de hoofdregel belast volgens een vermogensaanwasbelasting. Dit betekent dat zowel de gerealiseerde als de ongerealiseerde waardeontwikkelingen tot het werkelijke rendement horen.

Op de hoofdregel geldt een uitzondering voor onroerende zaken en startups en scale-ups. Het werkelijke rendement wordt voor die vermogensbestanddelen berekend volgens een vermogenswinstbelasting: alleen gerealiseerde waardeontwikkelingen (bijvoorbeeld bij verkoop) horen dan tot het werkelijke rendement.

Let op! De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is 1 januari 2028. De Eerste Kamer moet nog stemmen over het wetsvoorstel.

Definitie startup en scale-up

In het oorspronkelijke wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is opgenomen dat de vermogenswinstbelasting geldt voor startende ondernemingen. Dit wordt gewijzigd in startups en scale-ups. In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen startups en scale-ups is een definitie opgenomen van een startup en een scale-up: een bedrijf dat een onderneming drijft die gericht is op snelle groei door middel van een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel dat zijn oorsprong vindt in innovatie.

Let op! Onder een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel wordt verstaan het vermogen van een onderneming om de omzet snel te laten groeien zonder lineaire inzet van meer mensen, meer middelen of hogere kosten, door gebruik te maken van technologie die tot lagere marginale kosten leidt en schaalvoordelen biedt. Onder innovatie wordt verstaan het ontwikkelen of verbeteren van producten, diensten, processen of technologieën, waarbij sprake is van technische vernieuwing of significante functionele verbetering ten opzichte van de sector.

Om een startup of scale-up te zijn in de definitie mogen de aandelen of winstbewijzen niet verhandeld worden op een gereguleerde markt of voor meer dan 25 procent in handen zijn van een lichaam waarvan de aandelen of winstbewijzen worden verhandeld op een gereguleerde markt.

Let op!Bij de RVO kan straks een beschikking aangevraagd worden of sprake is van een startup of scale-up.

Lagere loonheffing aandelenopties

In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen startups en scale-ups is ook een maatregel opgenomen die medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups stimuleert door een lagere loonheffing. 
Op inkomen uit aandelenopties voor werknemers van startups en scale-ups wordt hiertoe een korting van 35% toegepast, waardoor de grondslag waarover loonheffing wordt berekend 65% van het inkomen bedraagt. Het effectieve loonheffingentarief wordt daarmee ongeveer 32% waarmee het ongeveer gelijk is aan het tarief in box 2.

Naast de lagere loonheffing wordt ook het heffingsmoment verplaatst naar het moment van daadwerkelijke verkoop van de aandelen die verkregen zijn bij de uitoefening van het aandelenoptierecht.

Let op! De regeling gaat ook gelden voor aandelenopties die zijn uitgegeven op of na 17 april 2025 mits de loonheffing over het inkomen uit de aandelenopties zich nog niet heeft voorgedaan.

Afschaffing meewerkaftrek en stakingsaftrek

Om de hiervoor gemelde fiscale stimulatie van de startups en scale-ups te financieren wordt de meewerkaftrek en de stakingsaftrek in de inkomstenbelasting per 1 januari 2027 met 75% versoberd en per 1 januari 2030 volledig afgeschaft.

Internetconsultatie

Het wetsvoorstel ligt nu ter internetconsulatie. Tot en met 29 april 2026 kan iedereen hierop reageren. In het kader van eventuele staatssteun moet de lagere loonheffing op aandelenopties nog voor goedkeuring voorgelegd worden aan de Europese Commissie. De staatssecretaris van Financiën is voornemens om het wetsvoorstel in september bij de Tweede Kamer in te dienen. Het streven is om de lagere loonheffing op aandelenopties per 1 januari 2027 in werking te laten treden.

 

Sierteeltproducten

Bij sierteeltproducten moet gedacht worden aan bloembollen, snijbloemen, planten en boomkwekerijproducten. Deze producten vallen nu nog onder het verlaagde btw-tarief van 9%. Het kabinet wil echter dat deze producten vanaf 1 januari 2028 onder het normale btw-tarief van 21% vallen.

Waarom?

Vanaf 1975 geldt het verlaagde btw-tarief op de levering sierteeltproducten. Het doel was om de betaalbaarheid van sierteeltproducten voor lagere inkomens te bevorderen en de werkgelegenheid in de sierteelt te stimuleren. Uit een evaluatie komt naar voren dat het btw-verlaagde btw-tarief niet geschikt is voor dit doel.

Internetconsultatie

Het kabinet begrijpt de impact van de voorgenomen btw-verhoging en wil iedereen de kans geven om te reageren op het voorstel. Daarom kan iedereen die dat wil tot en met 7 mei 2026 reageren op de internetconsultatie.

Bzm vervangen door vrachtwagenheffing

U moet in Nederland bzm betalen als uw vrachtwagen bestemd is en/of gebruikt wordt voor het vervoer van goederen en u ermee op de snelweg wilt rijden. Dit gaat veranderen. Vanaf 1 juli 2026 moeten vrachtwagens uit binnen- en buitenland bij gebruik van de Nederlandse snelwegen en van enkele mogelijke uitwijkroutes een heffing per kilometer betalen. Deze vrachtwagenheffing gaat elektronisch gebeuren via speciale apparatuur.

Verzoek indienen

Als u bzm wilt terugvragen, moet u hiertoe een verzoek indienen met het formulier Verzoek teruggaaf bzm. U dient dit in te vullen en op te sturen (Belastingdienst/Centrale administratieve processen, Postbus 9051, 7300 GN, Apeldoorn) of te mailen naar bca.euromail@belastingdienst.nl.

Reden van teruggave vermelden

Als reden voor het teruggaveverzoek vult u bij vraag 3 op het formulier in dat dit het einde van de bzm per 1 juli 2026 is. Houd er rekening mee dat er € 25 aan administratiekosten wordt ingehouden op het terug te krijgen bedrag.

Let op!In de andere Eurovignet lidstaten, Zweden en Luxemburg is een Eurovignet na 1 juli 2026 nog wel verplicht voor vrachtauto’s.

Voorwaarden voorziening

Om een voorziening te kunnen vormen, moet aan drie eisen worden voldaan:

  1. De toekomstige uitgaven moeten hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan.
  2. De toekomstige uitgaven moeten aan die periode kunnen worden toegerekend, ze zijn dus niet toe te rekenen aan toekomstige voordelen en het zijn ook naar hun aard geen kosten van toekomstige jaren.
  3. Er moet een redelijke mate van zekerheid bestaan dat de toekomstige uitgaven zich zullen voordoen.

Ook piekvereiste?

Onlangs kwam voor het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de vraag aan de orde of voor het vormen van een voorziening ook een piekvereiste geldt. De inspecteur stelde dat het vormen van een onderhoudsvoorziening alleen mogelijk is als de onderhoudsuitgaven in enig jaar substantieel afwijken van de normale, gemiddelde omvang van de onderhoudsuitgaven. Is er geen sprake van een ‘piek’ in de onderhoudsuitgaven, dan zou het vormen van een voorziening dus niet mogelijk moeten zijn. 

Alleen eisen Baksteenarrest

Het Hof komt echter tot de conclusie dat voor het vormen van een voorziening geen piekvereiste geldt. Uit een arrest van de Hoge Raad uit 1980, het zogenaamde Baksteenarrest, volgen de eisen voor het kunnen vormen van een voorziening en een piek in de uitgaven behoort niet tot deze eisen. Voor de betreffende zaak betekende dit dat een woningcorporatie een voorziening van ruim € 54 miljoen kon vormen en dat de aanslag vennootschapsbelasting dienovereenkomstig werd verminderd.