t
0344 647 000
|

Nieuw overzicht bijtelling privégebruik auto van de zaak

De percentages worden in principe berekend over de cataloguswaarde. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in auto’s mét en auto’s zonder CO2-uitstoot, auto’s met een datum van eerste toelating van vóór 2017 en op of na 1 januari 2017 en tussen auto’s waarbij de datum van eerste toelating afwijkt van de datum van eerste tenaamstelling.

Auto’s met CO2-uitstoot

Voor auto’s met CO2-uitstoot is het van belang of de datum van eerste toelating op of na 1 januari 2017 is. Is dit op of na 1 januari 2017, dan bedraagt de bijtelling 22% van de cataloguswaarde. In alle andere gevallen bedraagt de bijtelling 25%, tenzij de auto ouder is dan 15 jaar. Dan is de bijtelling 35% van de waarde in het economisch verkeer en dus niet van de cataloguswaarde.

Auto’s zonder CO2-uitstoot

Voor auto’s zonder CO2-uitstoot is allereerst van belang of de datum van eerste toelating op of na 1 januari 2017 ligt. Is dit op of na 1 januari 2017, dan is de datum van eerste toelating bepalend voor de korting op de standaardbijtelling. Afhankelijk van het jaar van eerste toelating varieert de korting van 5 tot 14%. De bijtelling varieert dus van 8 tot 17%. Daarnaast is de datum van eerste toelating bepalend voor het deel van de cataloguswaarde waarvoor de korting geldt (cap). Dit varieert van € 30.000 tot € 45.000. Voor auto’s op waterstof of zonnecellen geldt de korting over de hele cataloguswaarde.

Indien een auto gebruik kan maken van een korting op de standaardbijtelling, dan geldt die korting gedurende de maand van eerste toelating + 60 volle maanden. Na afloop van die periode wordt de eventuele korting opnieuw vastgesteld op basis van de dan geldende regelgeving. Vervolgens verandert de bijtelling ook als de wet wijzigt. 

Andere datum eerste tenaamstelling

Bij auto’s zonder CO2-uitstoot met een datum van eerste toelating van vóór 2017, is de datum van de eerste tenaamstelling bepalend voor de korting. Die kan namelijk anders zijn dan de datum van eerste toelating. 

Let op! De datum van eerste toelating is de datum waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen in Nederland of daarbuiten. Bij nieuwe auto’s is dit het moment waarop voor het eerst een kenteken is afgegeven. Bij import van een gebruikte auto kan dit dus anders zijn.

Minimumbijtellingspercentages

Overigens zijn de forfaitaire bijtellingspercentages altijd minimumpercentages. Bij excessief privégebruik heeft de Belastingdienst altijd de mogelijkheid een hogere bijtelling te rekenen. De bewijslast ligt daarvoor evenwel bij de Belastingdienst.

Algemeen bijtellingspercentage privégebruik auto

   Percentage
 datum 1e toelating op of na 1 januari 2017   22%
 datum 1e toelating vóór 1 januari 2017   25%
 auto’s ouder dan 15 jaar   35%

Auto’s zonder CO2-uitstoot, met datum 1e toelating op of na 1 januari 2017

 Korting in 2025 op het algemeen bijtellingspercentage tot het bedrag van de cap  Cap  Korting
 datum 1e toelating 2025  € 30.000  5%
 datum 1e toelating 2024 en 2023  € 30.000  6%
 datum 1e toelating 2022  € 35.000  6%
 datum 1e toelating 2021  € 40.000  10%
 datum 1e toelating 2020, na afloop van de 60-maandentermijn  € 30.000  5%
 datum 1e toelating 2020, binnen de 60-maandentermijn  € 45.000  14%
 datum 1e toelating 2019, 2018 en 2017  € 30.000  5%
 Voor waterstof- en zonnecelauto’s geldt de cap niet: de korting wordt berekend over de hele grondslag.    

Auto’s zonder CO2-uitstoot, met datum 1e toelating vóór 1 januari 2017

 Korting in 2025 op het algemeen bijtellingspercentage tot het bedrag van de cap,
afhankelijk van de datum 1e tenaamstelling 
Cap  Korting
 datum 1e tenaamstelling 2025  € 30.000  5%
 datum 1e tenaamstelling 2024 en 2023  € 30.000  6%
 datum 1e tenaamstelling 2022  € 35.000  6%
 datum 1e tenaamstelling 2021  € 40.000  10%
 datum 1e tenaamstelling 2020, na afloop van de 60-maandentermijn  € 30.000  5%
 datum 1e tenaamstelling 2020, binnen de 60-maandentermijn  € 45.000  14%
 datum 1e tenaamstelling vóór 2020  € 30.000  5%
 Voor waterstof- en zonnecelauto’s geldt de cap niet: de korting wordt berekend over de hele grondslag.    

Let op! De regels over de bewijslastverdeling veranderen niet door de nieuwe regels. Het nieuwe bewijsrecht is van toepassing op civiele procedures die na 1 januari 2025 worden gestart.

Wat is er veranderd?

Door de nieuwe regels is het makkelijker om informatie te krijgen van een partij, voorafgaand aan of tijdens een procedure.

Makkelijker

Via de rechter kun je vanaf nu met één verzoek vragen om verschillende manieren om aan bewijs te komen. Je kunt bijvoorbeeld de rechter tegelijkertijd vragen om een getuigenverhoor, een onderzoek/verslag van een deskundige of inzage in informatie die een ander heeft. 

Duidelijker

De regels over recht op inzage in stukken bij een andere partij zijn duidelijker geworden. Bovendien zijn deze regels ook gaan gelden voor computerbestanden en andere digitale gegevens. Ook is het nu mogelijk om inzage te verkrijgen in relevante gegevens die in beheer zijn bij een derde die geen partij is in het geschil. 

Actieve rechter

De rechter heeft de mogelijkheid gekregen om actief met partijen te spreken over de door hen aangevoerde feiten. Dit helpt voorkomen dat zaken onderbelicht worden of onjuist geïnterpreteerd worden. 

Deurwaarder

Ook staat nu  in de wet dat bewijsbeslag door de deurwaarder mogelijk is. Dit is een manier om bewijsmateriaal veilig te stellen via het leggen van beslag door een deurwaarder. Dit was eerder ook al mogelijk op basis van rechtspraak. Daarnaast is ook opgenomen in de wet dat je de deurwaarder een proces-verbaal van constatering kunt laten opstellen. De deurwaarder schrijft dan een bepaalde feitelijke toestand op in een officieel proces-verbaal. Dit levert dwingend bewijs op in een procedure. Dit gebeurde in de praktijk al regelmatig.

Wanneer overstappen?

De vraag of – en zo ja wanneer – u er als mkb-ondernemer verstandig aan doet om over te stappen naar een bv is niet eenduidig te beantwoorden en hangt af van bepaalde individuele factoren. Hierbij kunt u denken aan zaken als aansprakelijkheid en andere juridische zaken. Van oudsher speelt de fiscaliteit hierbij ook een belangrijke rol, omdat de ondernemer in de inkomstenbelasting anders wordt belast dan de onderneming die onderneemt via een bv. Hierna gaan wij vooral in op deze fiscale aspecten, maar waarbij dat dus altijd in de totale context moet worden beoordeeld.

Het fiscale aspect van wel of niet overstappen naar een bv is in 2025 wel sterk veranderd Dit wordt vooral veroorzaakt door een wijziging van het tarief in box 2, waarin onder meer de door de bv aan de dga uitgekeerde winst wordt belast. Dit gewijzigde tarief betekent dat in 2025 uitgekeerde winst tot een bedrag van € 67.804 belast wordt tegen 24,5%, terwijl over het meerdere een tarief geldt van 31%. Omdat fiscale partners inkomsten in box 2 onderling mogen verdelen, is voor de belastingplichtige met een partner het tarief van 24,5% van toepassing tot 2 x € 67.804, ofwel € 135.608. Pas wanneer meer winst wordt uitgekeerd geldt voor dga’s met een partner een tarief van 31% over het meerdere. Door de wijziging van het tarief in box 2 per 2024 wordt het volledig oppotten van winst fiscaal onaantrekkelijk gemaakt. Daardoor kan niet meer gezegd worden dat de bv aantrekkelijk is om overwinst oneindig op te kunnen potten. Het uitkeren van winst wordt daarentegen juist aantrekkelijker wanneer deze belast is tegen het lage tarief van 24,5%. Ten opzichte van 2024 is het uitkeren van winst boven een bedrag van € 67.804 voor dga’s zonder partner in 2025 goedkoper geworden, aangezien dit tarief in 2024 nog 33% bedroeg. Voor dga’s met partner geldt dit vanaf een uitgekeerde winst van € 135.608. 

Winst

Winst belast in de IB-onderneming

Heeft u momenteel een eenmanszaak, maatschap of vof, dan betaalt u over de volledige winst het progressieve tarief van de inkomstenbelasting. Onbelast oppotten van winst is dus niet mogelijk. U heeft wel recht op een aantal ondernemersfaciliteiten die de belastingdruk beperken. 

Zelfstandigenaftrek

De belangrijkste is de zelfstandigenaftrek. Dit is een vast bedrag van € 2.470 geldend voor 2025. Voor de zelfstandigenaftrek is vereist dat u minstens 1.225 uur per jaar besteedt aan werkzaamheden voor uw bedrijf én dat dit meer dan de helft van het totaalaantal werkzame uren is. Dit wordt het urencriterium genoemd. Deze laatste eis geldt niet voor starters.

Let op! De zelfstandigenaftrek wordt de komende jaren afgebouwd tot € 900 in 2027.

Let op! Voor starters geldt een extra zelfstandigenaftrek van € 2.123. Deze blijft vooralsnog ongewijzigd.

De zelfstandigenaftrek mag u in mindering brengen op de winst, in 2025 tegen maximaal het tarief van de tweede schijf van de inkomstenbelasting, te weten 37,48% (2025). 

Mkb-winstvrijstelling

Een andere belangrijke faciliteit voor de ondernemer in de inkomstenbelasting is de mkb-winstvrijstelling. Deze vrijstelling houdt in dat 12,7% (2025) van uw winst onbelast blijft. Tevens is 12,7% van een eventueel verlies niet aftrekbaar.

Ook deze aftrek is in 2025 beperkt tot maximaal de tweede schijf van de inkomstenbelasting van 37,48%. Door de mkb-winstvrijstelling betaalt u maximaal 44,67% belasting over de behaalde winst, verminderd met de ondernemersfaciliteiten.

Winst belast in de bv

In de bv betaalt u vennootschapsbelasting over – kort gezegd – de behaalde winst. Het aan de dga uitbetaalde loon is hierbij wel een aftrekpost. Over de eerste € 200.000 winst betaalt de bv in 2025 19% vennootschapsbelasting, over het meerdere 25,8%. Pas als de bv de winst die na belasting resteert, uitkeert aan de directeur-grootaandeelhouder (dga), moet de dga over de uitgekeerde winst aanvullend inkomstenbelasting betalen in box 2 (zie hiervoor). Daardoor wordt de totale winst belast tegen 38,85 tot 48,80%. U bereikt dit tarief dus pas na uitkering van de winst en het moment hiervan bepaalt u zelf. Dit betekent dat het aantrekkelijk kan zijn om in de bv een deel van de winst op te potten en dit pas uit te keren zolang dit tegen het lage tarief van 24,5% mogelijk is. Zoals eerder aangegeven, is daarbij ook van belang of u een fiscale partner heeft.

Een algemeen cijfervoorbeeld*

Belasting in de IB
Bij een winst van € 200.000 brengt u in de inkomstenbelasting eerst de zelfstandigenaftrek en mkb-winstvrijstelling tot de maximale aftrek in mindering. U betaalt daardoor over € 172.444 belasting. Dit bedraagt € 78.800. Ook betaalt u € 3.990 inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw-premie), samen € 82.790.

Belasting in de bv
In de bv vermindert u de winst van € 200.000 eerst met het gebruikelijk loon van de dga. Dit stellen we op € 56.000. Hierover betaalt u als dga € 14.272 inkomstenbelasting en € 2.945,60 Zvw-premie. Over het restant betaalt de bv 19% vennootschapsbelasting, ofwel € 27.360. Keert de bv de rest van de winst van € 116.640 uit aan u als dga, dan betaalt u hierover nog eens 24,5% belasting, ervan uitgaande dat u een partner heeft, ofwel € 28.577. In totaal betalen u en de bv in dit voorbeeld samen dus € 73.154,60 aan belasting als de winst direct wordt uitgekeerd. Dit is € 9.635,40 minder dan in de inkomstenbelasting.

*(Om de berekeningen eenvoudig te houden, zijn geen premies voor pensioen meegenomen.)

Andere aandachtspunten bij een bv

Naast de rekensom of het fiscaal gezien interessant is de overstap te maken naar een bv, zijn er nog meer aspecten die van belang zijn:

  • De dga is een werknemer
  • Aansprakelijkheid
  • Oudedagsvoorziening
  • Zakendoen met de bv

Dga is werknemer

Anders dan de zelfstandig ondernemer wordt de dga voor fiscale regelingen soms als werknemer gezien, maar soms ook weer niet. Voor de loonbelasting is wel sprake van een werknemer, waardoor loonbelasting en Zvw-premie moeten worden ingehouden op het salaris. Voor de sociale zekerheid wordt een dga doorgaans niet als werknemer beschouwd.

Gebruikelijk loon

De gebruikelijkloonregeling geldt voor iedereen die een zogenaamd aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap én die ook werkzaamheden verricht voor die vennootschap.
Heeft u een bv, dan bent u als dga verplicht een minimumbedrag aan salaris uit de bv op te nemen.

Dit gebruikelijk loon moet in 2025 vastgesteld worden op het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:

  • het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking of
  • het loon van de meestverdienende werknemer in uw bv of verbonden bv’s of
  • € 56.000.

Het gebruikelijk loon wordt belast in box 1, dus progressief.

Let op! Des te meer gebruikelijk loon u in aanmerking neemt dan wel in aanmerking moet nemen, des te minder u profiteert van het lage tarief van de vennootschapsbelasting van 19% en van het lage tarief in box 2 van 24,5% over de eerste € 67.804, respectievelijk € 135.608 als u een fiscaal partner heeft.

Gebruikelijk loon starters

Dga’s van startende bv’s kunnen zichzelf onder voorwaarden een lager gebruikelijk loon toekennen. Een voorwaarde is dat de bv een hoger gebruikelijk loon niet kan betalen, bijvoorbeeld omdat de bv veel geïnvesteerd heeft en daardoor over onvoldoende financiële middelen beschikt. Een lager gebruikelijk loon voor starters mag maximaal drie jaar lang betaald worden. Is sprake van een eenmanszaak die is omgezet in een bv, dan moet de periode waarin u uw bedrijf als eenmanszaak dreef van de periode van drie jaar worden afgetrokken. Een lager gebruikelijk loon dan het minimumloon is mogelijk als anders de continuïteit van uw bv in gevaar komt.

Gebruikelijk loon verlieslijdende bv’s

Aan de dga van een bv die verlies lijdt, kan onder voorwaarden een lager gebruikelijk loon worden toegekend. Voorwaarde is dat het verlies de continuïteit van uw bedrijf in gevaar brengt. Hiervan is geen sprake bij een incidenteel verlies. Verder moet duidelijk zijn dat uw bedrijf de rekeningen niet meer kan betalen en dat dit niet het gevolg is van een oplopende rekening-courantschuld, uitgekeerd dividend of andere onttrekkingen.

Tip! De dga kan in beginsel tevens profiteren van de regelingen die ook voor ‘normale’ werknemers gelden. Dit betreft met name kostenvergoedingen en het gebruik van de werkkostenregeling. Volgens deze regeling kan in 2025 2% van de fiscale loonsom tot € 400.000 besteed worden aan belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen en 1,18% over het meerdere van de loonsom daarboven.

Let op! Kostenvergoedingen mogen alleen via de werkkostenregeling worden afgewikkeld indien het gebruikelijk is dat een eventuele belastingheffing door de werkgever wordt betaald. De bewijslast ligt bij de bv en de dga. Tot een bedrag van € 2.400 is die gebruikelijkheid automatisch van toepassing. Wel zult u de maximale vrije ruimte moeten bepalen aan de hand van de feitelijke loonsom en die kan dus lager zijn dan € 2.400.

Aansprakelijkheid

Een voordeel van de bv is dat de aansprakelijkheid van de dga beperkt is tot het in de bv geïnvesteerde bedrag, oftewel de waarde van de aandelen. Formeel is de dga dus niet aansprakelijk voor de schulden van de bv, tenzij sprake is van wanbeleid of andere vormen van bestuurdersaansprakelijkheid. Tevens kan aansprakelijkheid jegens de Belastingdienst ontstaan bij het niet-nakomen van bepaalde verplichtingen, zoals het tijdig melden van betalingsonmacht.

Let op! In de praktijk komt het voor dat banken, bij het verstrekken van een financiering voor de bv, eisen dat de dga in privé meeondertekent. Wanneer de bv haar schulden niet meer kan betalen, worden deze dan toch verhaald op het privévermogen van de dga.

Verzekeringsaspecten

Anders dan een gewone werknemer is de dga in de regel niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Wanneer geen sprake is van ondergeschiktheid, een gezagsverhouding ontbreekt en de dga niet tegen zijn wil ontslagen kan worden, is er geen sprake van premieplicht. In dat geval moet hij zichzelf dus verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, hoewel dit laatste vrij moeilijk is.

De dga is wel verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) en moet hiervoor, net als de zelfstandig ondernemer, zelf de premies betalen. Voor 2025 is de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw vastgesteld op 5,26% van het premieplichtig inkomen, tot een maximuminkomen van € 75.860. De maximale inkomensafhankelijke bijdrage Zvw komt daardoor op € 3.990. Deze bijdrage geldt zowel voor de zelfstandig ondernemer als de dga.

Oudedagsvoorziening

Sinds enige tijd zijn de maximum aftrekbare bedragen voor het opbouwen van een oudedagsvoorziening beperkt. De ondernemer in de inkomstenbelasting en de dga kunnen hier allebei door worden getroffen. Het uitgangspunt is immers dat een maximaal pensioengevend salaris niet meer dan € 137.800 (2025) mag bedragen. Wilt u meer pensioen opbouwen, dan is dit niet meer fiscaal gefaciliteerd. Daarnaast is vanaf 2023 de dotatie aan de oudedagsreserve voor zelfstandig ondernemers geschrapt, de zogenaamde FOR. Over een bestaande oudedagsreserve hoeft nog niet direct te worden afgerekend met de fiscus, maar de reserve kan niet meer worden verhoogd via extra dotaties.

Anderzijds is vanaf 2023 de mogelijkheid van het storten van lijfrentepremies of inleg in een bankspaarproduct dat fiscaal aftrekbaar is van de winst, fors toegenomen. Op die manier kunnen ondernemers en dga’s toch voor een aanzienlijk bedrag per jaar fiscaal gefaciliteerd sparen voor de ‘oude dag’. Een nadeel is dat u tussentijds niet zonder fiscale gevolgen over de ingelegde bedragen kunt beschikken, zoals bij de oudedagsreserve.

Beperking afschrijven op bedrijfsgebouwen

Sinds 2019 is de afschrijving op alle bedrijfsgebouwen in eigen gebruik voor bv’s beperkt tot 100% van de WOZ-waarde. Hierdoor kunnen bv’s minder afschrijven op hun bedrijfsgebouwen. Deze beperking geldt sinds 2024 ook voor ondernemers in de inkomstenbelasting ten aanzien van gebouwen in eigen gebruik. Voor sommige ondernemers geldt een beperkte overgangsregeling, namelijk zolang nog niet drie jaar op een gebouw is afgeschreven.

Zakendoen met uw bv

Als u een bv heeft, kunt u hier als dga ook zakelijk mee handelen. U bent in feite te vergelijken met een onafhankelijke derde. Zo kunt u bijvoorbeeld geld lenen van uw bv voor een grote aankoop of via uw bv een (hypothecaire) lening afsluiten voor de aankoop van een woning. De winst die uw bv hiermee behaalt, komt dan ten goede aan uw bv en niet aan uw bank. En de rente die u betaalt voor een eigenwoningfinanciering is onder voorwaarden aftrekbaar in de aangifte inkomstenbelasting. Houd er wel rekening mee dat leningen bij de bv vanaf 2024 zijn gemaximeerd tot € 500.000. Leent u meer, dan is het meerdere belast als fictief inkomen in box 2. Voor dit bedrag tellen kwalificerende leningen voor de eigen woning niet mee.

Let op! Eigenwoningleningen die vanaf 2023 bij de eigen bv zijn afgesloten, tellen alleen niet mee als op de woning een recht van hypotheek is gevestigd. 

Houd er ook rekening mee dat u bij dergelijke transacties zakelijke voorwaarden in acht neemt. Denk aan het rentepercentage, onderpand en voortijdig aflossen. Schakel desgewenst een adviseur in om u hiermee bij te staan.

Geruisloos doorschuiven

Als u wilt overstappen van een onderneming in de inkomstenbelasting naar een bv, dient u in beginsel met de fiscus af te rekenen over de opgebouwde (stille) reserves, waaronder ook de stand van de oudedagsreserve (FOR). Zo kan bijvoorbeeld de boekwaarde van uw pand lager zijn dan de werkelijke waarde.

Er bestaat een mogelijkheid om niet af te rekenen, maar ‘geruisloos’ door te schuiven. Hieraan is de voorwaarde verbonden dat de bv met dezelfde boekwaarde verdergaat als waarmee de onderneming in de inkomstenbelasting stopte.

Een nadeel hiervan is dat de bv geen investeringsaftrek kan claimen en ook over lagere bedragen af kan schrijven. Het is dan ook helemaal afhankelijk van uw situatie of geruisloos doorschuiven voor u voordeliger is of niet. Er is ook een alternatief voor geruisloos doorschuiven, namelijk het bedingen van een lijfrente bij de eigen bv of een bank of verzekeraar. Tegenover de belaste stakingswinst staat dan de aftrek van de inleg in het lijfrenteproduct (die bij een eigen bv niet hoeft te worden betaald). Dit kan echter niet voor onbeperkte bedragen.

Let op! Bij geruisloos doorschuiven moet op termijn, bij verkoop van de bv, in principe nog wel over de opgebouwde reserves afgerekend worden. Tenzij uw opvolger ook weer besluit om geruisloos door te schuiven. Op deze manier kan de belastingclaim (eindeloos) worden uitgesteld. Geruisloos doorschuiven is echter niet altijd mogelijk of aantrekkelijk.

Tip! Tip! In deze Advieswijzer hebben wij de belangrijkste aspecten van de overstap naar een bv op een rij gezet. Het is echter onmogelijk om in deze vorm alle aspecten voldoende te belichten. Daarbij is er altijd sprake van maatwerk. Overweegt u de overstap naar een bv, neem dan contact met ons op. Wij adviseren u graag bij uw beslissing.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Parkeerbelasting

Als u geen of te weinig parkeerbelasting betaalt, kunt u een naheffing parkeerbelasting krijgen. U betaalt dan in beginsel voor een parkeertijd van één uur, daar bovenop komen de kosten van het handhaven van de parkeerbelasting. Deze kosten kunnen in 2025 maximaal € 78,80 bedragen.

Maatwerk

In bovengenoemde rechtszaak beklaagde de rechtbank zich erover dat er geen wettelijke mogelijkheid is om bij een naheffing parkeerbelasting maatwerk te leveren. Anders gezegd, de rechtbank kan de kosten bij een naheffing parkeerbelasting niet matigen. De rechtbank heeft hierover vragen gesteld aan de Hoge Raad, maar ook die was van mening dat rechters die bevoegdheid niet hebben.

Vergissing vader

In de betreffende rechtszaak had een parkeerder verzocht om coulance, omdat zijn vader, bij wie hij op bezoek was, een vergissing had gemaakt met een betaling via een parkeerapp. Uit de feiten bleek dat in het verleden wel altijd foutloos betaald was, reden waarom de parkeerder verzocht om coulance.

Signaal aan wetgever

Omdat ook de Hoge Raad van mening was dat een rechter geen coulancemogelijkheden heeft, besloot de rechtbank het signaal door te geven aan de wetgever. De rechtbank stelt dat coulance soms nodig is, onder meer om het vertrouwen van de maatschappij in de rechtspraak niet te ondermijnen.

Rechtbank Overijssel wel coulant

Opvallend is dat de rechtbank Overijssel in een uitspraak uit 2021 de opgelegde sanctie, gelet op de feiten van het geval, wel buitenproportioneel achtte en de naheffing matigde tot € 15. In hoger beroep oordeelde het Hof Leeuwarden echter dat er volgens de wet geen ruimte is voor matiging. Omdat de parkeerder en de gemeente er bij het Hof echter op aandrongen de naheffing, gelet op de bijzondere omstandigheden, toch te vernietigen, besloot het Hof dit voorstel te volgen.