Geen arbeidsovereenkomst op basis van Deliveroo-criteria
Casus
Er waren drie managementovereenkomsten gesloten waarin was afgesproken dat twee heren en een dame door middel van hun persoonlijke holdings managementdiensten voor een bedrijf zouden verrichten. De overeengekomen managementfee verschilde per persoon. Ze vormden samen het managementteam (mt), waarbij de mannen de functies van ceo respectievelijk customer succes officer (ccso) bekleedden en de vrouw de functie van chief commercial officer (cco), waarin ze eindverantwoordelijk was voor het sales- en marketingteam.
Op enig moment hebben de beide heren een bericht op intranet gezet zonder overleg met het vrouwelijke mt-lid, waarin ze aangaven dat zij zou gaan vertrekken. Er vond een algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) plaats waarin de vrouw werd ontslagen als statutair bestuurder. De vrouw verzocht de kantonrechter om een verklaring voor recht dat sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat ze ten onrechte op staande voet was ontslagen.
Deliveroo-criteria
De kantonrechter kijkt voor de beoordeling van de vraag naar diverse criteria en komt in deze zaak tot de conclusie dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst van opdracht.
Vervangbaar?
Alhoewel ze de werkzaamheden persoonlijk moet verrichten, kon ze zich laten vervangen. Dit heeft zich overigens niet voorgedaan. Ze was bovendien samen met de ceo en de ccso een van de oprichters van het bedrijf en heeft zich ook steeds als zodanig intern en extern gepresenteerd. Daarbij heeft ze zich laten adviseren over de managementovereenkomst door een belastingadviseur. Ze factureerde haar managementfee via haar holding en bracht btw in rekening. Ook liep ze commercieel risico. Ze was als algemeen directeur van het bedrijf alleen en zelfstandig bevoegd en heeft zich zowel intern als extern gedragen als ondernemer en oprichter van het bedrijf.
Conclusie
Genoemde punten leiden er toe dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar van een overeenkomst van opdracht. De dame in kwestie is dan ook terecht ontslagen als statutair bestuurder door de AVA.
In de Voorjaarsnota zijn aanpassingen op de begroting voor 2024 opgenomen, evenals een vooruitblik op de begrotingen voor de komende jaren. Door de vervroegde publicatie volgen de doorrekening van de voorjaarsbesluitvorming van het CPB, de voorjaarsrapportage in het kader van het begrotingstoezicht van de Raad van State en de kabinetsreactie op een later moment, uiterlijk 30 april 2024.
Extra uitgaven
De extra uitgaven opgenomen in de Voorjaarsnota bestaan onder meer uit 4,4 miljard euro extra voor militaire en humanitaire steun aan Oekraïne in de jaren 2024-2026, 0,4 miljard euro extra in 2024 en 0,9 miljard euro extra in 2025 voor de hersteloperatie Toeslagen, 0,5 miljard euro extra in 2025 voor bewoners in het aardbevingsgebied in Groningen, structureel 715 miljoen euro extra vanaf 2026 voor decentrale overheden en incidenteel 500 miljoen euro extra in 2028 voor versterking van de luchtverdediging en munitie van de krijgsmacht.
Daarnaast kent de begroting een aantal forse tegenvallers, onder meer 375 miljoen euro extra in 2024 en 700 miljoen euro extra in 2025 voor het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) voor nieuwe en bestaande locaties voor (crisis)noodopvang.
Tegenvallende inkomsten
Naast de extra uitgaven zijn er tegenvallende inkomsten, onder meer door het niet afschaffen van de salderingsregeling voor zonnepanelen en het afschaffen van de energiebelasting voor zware industrie. Daarnaast is een nieuwe afbouw van de vrijstelling motorrijtuigenbelasting (mrb) voor emissievrije personenauto’s afgesproken met een korting op de mrb voor deze auto’s vanaf 2026 van 40%, in 2029 van 35% en in 2030 van 30%.
Dekking
De extra uitgaven worden onder meer gedekt door meevallers op diverse begrotingen. De tegenvallende inkomsten worden gedekt door onder meer:
- Het verlagen van de mkb-winstvrijstelling naar 12,03% vanaf 2025. De mkb-winstvrijstelling zou vanaf 2025 al verlaagd worden naar 12,7%. Dit wordt dus verder verlaagd naar 12,03%.
- Het met een bedrag van € 557 lager vaststellen van het aangrijpingspunt van het hoogste tarief (49,5%) in de inkomstenbelasting in 2025(voorgenomen was een verhoging van € 1.000 tot € 1.100 ten opzichte van 2024; deze verhoging wordt dus € 557 lager).
- Het niet verlengen van de aanschafsubsidie voor tweedehands elektrische personenauto’s (SEPP) vanaf 2025. Voor de periode 2025 tot en met 2029 waren hier middelen voor gereserveerd, maar de verlenging van de SEPP gaat dus niet door.
- Het laten vervallen van een aparte bpm-tabel voor plug-in hybride aangedreven personenauto’s (PHEV) per 2025. De PHEV wordt vanaf 2025 ondergebracht in de reguliere bpm-tabel.
- Het corrigeren voor inflatie van het vaste bedrag voor de eindheffing van het privégebruik van de bestelauto van de zaak die afwisselend door meerdere werknemers wordt gebruikt (€ 300). Dit bedrag is sinds de introductie in 2006 niet meer geactualiseerd en zal gecorrigeerd worden voor de inflatie.
- Het verhogen van het tarief 3e, 4e en 5e schijf in de energiebelasting op aardgas per 2025 met 22,4% en een extra 2,7% per 2030.
- Het afschaffen van vrijstelling voor duaal en non-energetisch verbruik kolen per 2027.
Let op! In augustus kijkt het kabinet of het nodig is de begroting (nog meer) bij te stellen. Daarbij kan ook de dekking heroverwogen worden.
Opmerkelijke belastingconstructies
In bijlage 10 bij de Voorjaarsnota deelt het kabinet de stand van zaken met betrekking tot een aantal opmerkelijke belastingconstructies. Zo is onder meer opgenomen dat de aanpak van de volgende constructies wordt uitgewerkt als wetsvoorstel in het Belastingplan 2025, de Fiscale verzamelwet 2025 of het Eindejaarsbesluit 2024:
- Constructies in de kavelruilvrijstelling in de overdrachtsbelasting;
- Kortdurende verhuurconstructies in de btw;
- Belastingontwijking via de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting;
- Opknipgedrag bij vastgoed-bv’s om maximaal te profiteren van renteaftrek;
- Belastingontwijking via niet-reguliere afwikkeling van pensioenaanspraken in de bv.
Het kabinet onderzoekt verder nog of aanvullende wetgeving nodig en wenselijk is om de constructies aan te pakken waarbij de heffing in box 3 wordt ontweken via agiostorting en het terugkopen van bezittingen. Over een constructie in de lucratiefbelangregeling waarover op 9 april een motie is aangenomen, wordt de Kamer vóór het zomerreces van 2024 nader geïnformeerd.
€ 1,45 miljard extra
Voor beide uitkoopregelingen, de Lbv en de Lbv-plus, komt in totaal bijna € 1,45 miljard extra beschikbaar. Het budget voor beide regelingen samen bedraagt daardoor in totaal bijna € 3 miljard. Tot extra budget is besloten na goedkeuring van beide regelingen door de Europese Commissie.
Lbv en Lbv-plus
Van beide uitkoopregelingen heeft de Lbv-plus hogere vergoedingen dan de Lbv. Dat komt doordat de Lbv-plus is ingericht voor zogenaamde piekbelasters: veehouderijlocaties die volgens de bepalingen van de overheid de meeste stikstofneerslag op Natura 2000-gebieden veroorzaken.
Aanvraagperiode Lbv-plus verlengd
Behalve het extra budget is ook besloten de aanvraagtermijn voor de Lbv-plus-regeling te verlengen tot 20 december 2024 23.59 uur. Deze termijn zou oorspronkelijk lopen tot 6 april van dit jaar. U kunt de Lbv-plus-regeling digitaal aanvragen bij RVO.nl. Aanvragen voor de Lbv-regeling kunnen niet meer worden ingediend.
Let op! Meer informatie over de regelingen en over de voorwaarden, vindt u op de site van RVO.nl
Kavelruilvrijstelling
De kavelruilvrijstelling komt er in het kort op neer dat geen overdrachtsbelasting verschuldigd is als percelen grond worden geruild teneinde een landelijk gebied beter in te richten. Via kavelruil kan grond bijvoorbeeld beter toegankelijk worden gemaakt voor agrariërs. De vrijstelling heeft nu echter ook betrekking op gebouwen die zich op de percelen grond bevinden.
Ten behoeve van landbouw
Het kabinet is van plan de kavelruilvrijstelling voortaan alleen nog maar van toepassing te laten zijn op gebouwen die ten behoeve van de landbouw worden gebruikt. Zo kan onder meer voorkomen worden dat niet-agrarische woningen onbedoeld van de vrijstelling gebruikmaken.
Minstens tien jaar agrarisch gebruiken
Gebouwen die onder de vrijstelling vallen moeten bovendien minstens tien jaar bedrijfsmatig voor de landbouw worden gebruikt. Gebeurt dit niet, dan wordt de vrijstelling alsnog teruggedraaid. Alleen als gebouwen vanwege overheidsbeleid niet meer agrarisch worden gebruikt, blijft de vrijstelling wel van kracht.
Ook woningen
Ook agrarische bedrijfswoningen blijven onder de vrijstelling vallen. Vereist is dan wel dat de woning op een kavel met een agrarische bestemming staat. Bovendien is dan vereist dat de woning functioneel verbonden is aan het nabijgelegen agrarische bedrijf.
Let op! De internetconsultatie loopt tot en met 30 april 2024.