Met terugwerkende kracht de bv in per 2026?
Verschil ruisende of geruisloze inbreng
Als u uw onderneming ruisend de bv inbrengt, moet u fiscaal afrekenen over de stille en fiscale reserves en de goodwill in uw onderneming. Wilt u dat niet, dan is het ook mogelijk om geruisloos de bv in te gaan met uw onderneming. U hoeft dan niet fiscaal af te rekenen over de stille en fiscale reserves en de goodwill. De fiscale claim hierover schuift dan door naar de bv.
Let op! Hoewel geruisloos de voorkeur lijkt te hebben, is ruisend in bepaalde situaties voordeliger of gewenster. Bijvoorbeeld als er nauwelijks stille en fiscale reserves en goodwill zijn of als er voldoende geld is om de belasting al te voldoen. Laat u adviseren wat in uw situatie raadzaam is.
Intentieverklaring bij ruisende inbreng vóór 1 april 2026
Heeft u plannen om uw IB-onderneming ruisend met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 in te brengen in een bv? Leg dan in ieder geval de intentie hiervoor vast. Zorg dat deze vastlegging vóór 1 april 2026 door de Belastingdienst ontvangen is. Alleen dan kan het namelijk met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 plaatsvinden.
Tip! Gebruik voor de verzending naar de Belastingdienst het daarvoor bedoelde Geleideformulier voorovereenkomst of intentieverklaring.
Intentieverklaring bij geruisloze inbreng vóór 1 oktober 2026
Heeft u plannen om geruisloos de bv in te gaan, dan heeft u meer tijd. U moet dan zorgen dat de intentie vóór 1 oktober 2026 door de Belastingdienst ontvangen is om met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 de bv in te gaan.
Oprichting en inbreng in bv
Bij een ruisende inbreng moeten de oprichting van de bv en de inbreng van de onderneming in de bv uiterlijk op 30 september 2026 hebben plaatsgevonden om de terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 te behouden.
Bij een geruisloze inbreng moeten de oprichting van de bv en de inbreng van de onderneming in de bv uiterlijk op 31 maart 2027 hebben plaatsgevonden voor de terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026.
Let op! Voor de geruisloze inbreng met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2025 verloopt binnenkort ook de deadline. Hiervoor moet de bv en de inbreng plaatsvinden uiterlijk 31 maart 2026.
Verbod contante betalingen vanaf € 3.000
Contante betalingen vanaf € 3.000 zijn vanaf 1 januari 2026 in Nederland verboden. Het verbod geldt voor alle ondernemers die in of vanuit Nederland goederen aan- of verkopen, ongeacht in welke sector zij werkzaam zijn. Daarbij maakt het niet uit of de ondernemer aan- of verkoopt aan een andere ondernemer of aan een particulier. Verder maakt het ook niet uit of de transactie in Nederland plaatsvindt of in het buitenland. In alle gevallen zijn contante betalingen aan of van in Nederland gevestigde ondernemers vanaf € 3.000 niet toegestaan.
Let op!Particuliere verkopers vallen buiten de verbodsbepaling. Een particulier die bijvoorbeeld via Marktplaats iets verkoopt aan een andere particulier, mag dus nog wel een contante betaling boven de € 3.000 accepteren.
Uitzondering voor aankopen buiten de EU
Voor aankopen buiten de EU geldt bij de handhaving van het verbod een uitzondering. Een in Nederland gevestigde ondernemer kan daarom wel een aankoop buiten de EU van € 3.000 of meer contant betalen.
Geen andere uitzonderingen
Vertegenwoordigers van verschillende voertuig-, metaal- en scheepvaartbranches waar partijen uit Afrika, Zuid-Amerika en Oost-Europa vaak contant betalen, hebben met de minister van Financiën gesproken over knelpunten die door het verbod op contante betalingen ontstaan. Deze gesprekken hebben de minister er echter niet toegebracht om voor deze sectoren een uitzondering te maken.
De minister is namelijk niet van plan om een bredere uitzondering toe te staan voor specifieke goederen of sectoren of transacties met buitenlandse partijen. Dit zou in strijd zijn met het doel van het verbod op contante betaling, niet te handhaven zijn en niet goed aansluiten bij het in 2027 in te voeren Europese verbod op contante betalingen.
Europees verbod
Vanaf 10 juli 2027 geldt ook een Europees verbod op contante betalingen vanaf € 10.000. Dit Europese verbod betekent niet dat de grens in Nederland dan verhoogd wordt naar € 10.000. EU-landen mogen namelijk zelf de grens voor contante betalingen bepalen, zolang deze vanaf 10 juli 2027 maar onder de € 10.000 ligt.
Goederen, vanaf 10 juli 2027 ook diensten
Het verbod geldt nu alleen nog voor de handel in goederen. Een verbod op contante betalingen voor diensten volgt vanaf 10 juli 2027 bij de invoering van het Europese verbod. De grens voor diensten komt in Nederland, net als voor goederen, op € 3.000 te liggen.
Hoogte belastingrente
Over de hoogte van de belastingrente liep de afgelopen jaren een rechtszaak. Uiteindelijk heeft de hoogste rechtsinstantie, de Hoge Raad, geoordeeld dat de belastingrente voor de btw niet te hoog is. Vanaf 1 januari 2026 bedraagt deze belastingrente 5%.
Voorkom belastingrente
U kunt deze belastingrente voorkomen door vóór 1 april 2026 uw btw-suppletie over het jaar 2025 in te dienen. Dus heeft u in 2025 te weinig btw aangegeven in uw btw-aangifte en dus te weinig btw afgedragen, corrigeer dit dan vóór 1 april 2026 met een btw-suppletie.
Let op!Ontvangt de Belastingdienst uw btw-suppletie 2025 niet vóór 1 april 2026, dan berekent de Belastingdienst vanaf 1 januari 2026 5% belastingrente.
Boete
U bent verplicht om een btw-suppletie in te dienen binnen acht weken nadat u constateerde dat u zo’n suppletie moet doen. Doet u dat niet, dan kan de Belastingdienst een vergrijpboete opleggen.
Let op! De termijn van acht weken kan nog korter zijn. U moet uw btw-suppletie namelijk ook indienen voordat u weet of redelijkerwijs moet weten dat de Belastingdienst al bekend was of zou worden met de te weinig aangegeven of afgedragen btw.
Digitaal
Doet u zelf uw btw-suppletie, dan doet u dat digitaal via het formulier ‘Suppletie omzetbelasting’. U vindt dit als u bent ingelogd op Mijn Belastingdienst Zakelijk.
Btw-suppletie tot en met € 1.000
Bedraagt uw btw-suppletie € 1.000 of minder, dan verwerkt u de correctie in uw eerstvolgende btw-aangifte. U dient dan dus geen btw-suppletie in.
Tip! De Belastingdienst legt geen vergrijpboetes op als uw btw-suppletie € 1.000 of minder bedraagt.
Een gerechtshof vond in een bepaalde casus dat dit kon. Wat speelde hier?
Bouw woning met werkkamer en garage
Een dga en zijn partner laten samen een woning bouwen. Ze zijn samen eigenaar en gaan na gereedkomen van de woning daar ook samenwonen.
In de woning is een werkkamer en een garage gemaakt. De werkkamer is bereikbaar via de centrale hal, maar ook via een deur naar de garage. De garage beschikt over een eigen uitgang naar buiten.
De dga heeft een bv waaraan hij na oplevering van de woning de werkkamer en de garage (belast met btw) verhuurt voor een bedrag van € 8.400 (exclusief btw per jaar). In de huurovereenkomst is gekozen voor verhuur met btw. De dga verricht in de werkkamer regelmatig werkzaamheden voor de bv. De garage wordt gebruikt voor het stallen van de auto van de zaak en het opslaan van stukken van de bv.
De garage wordt ook voor 21% privé gebruikt en voor 79% zakelijk.
Aftrek btw bouwkosten werkkamer en garage?
De dga trekt in zijn btw-aangifte de volledige btw op de bouwkosten van de werkkamer en 79% van de btw op de bouwkosten van de garage af. De dga vindt dat dit mag, omdat hij de werkkamer en garage met btw verhuurt aan de bv.
Economische activiteit?
De Belastingdienst staat deze aftrek niet toe. Ten eerste vindt de Belastingdienst dat de verhuur geen economische activiteit is. De Belastingdienst meent dat de werkkamer niet over voldoende zelfstandigheid beschikt om verhuurd te kunnen worden aan een willekeurige derde.
Het gerechtshof oordeelt dat er wel sprake is van een economische activiteit. De werkkamer en garage worden voor een aantal jaren tegen een marktconforme huur aan de bv ter beschikking gesteld. Die bv is ook een derde. Daarmee is dan ook sprake van een economische activiteit. Niet relevant is of de werkkamer en garage in de ogen van de Belastingdienst onvoldoende zelfstandigheid bezitten om aan een willekeurige derde te verhuren.
Rechtstreeks en onmiddellijk verband?
Ten tweede vindt de Belastingdienst dat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de bouw van de woning (én werkkamer en garage) en de btw-belaste verhuur. De woning zou naar het oordeel van de Belastingdienst ook gebouwd zijn als er geen sprake was van ondernemingsactiviteiten.
Het gerechtshof is het niet eens met de Belastingdienst. De dga heeft vanaf het begin de intentie gehad om een deel van de woning zakelijk te gebruiken en tegen vergoeding te verhuren aan de bv. Dat is voor het gerechtshof voldoende om in aanmerking te komen voor aftrek van btw onder de voorwaarde dat er sprake is van btw-belaste activiteiten.
Btw-belaste verhuur?
De verhuur van de werkkamer en de garage moet dan wel met btw belast kunnen worden. De Belastingdienst vindt dat kiezen voor btw-belaste verhuur in dit geval niet mogelijk is, omdat de werkkamer en garage deels ook privé worden gebruikt.
Het gerechtshof vindt echter dat de keuze voor btw-belaste verhuur wel mogelijk is. Voor gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt, kan gekozen worden voor btw-belaste verhuur. Dit geldt ook indien het, zoals hier, gaat om onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt. Omdat de werkkamer en garage hoofdzakelijk door de bv worden gebruikt en niet als woning, is btw-belaste verhuur mogelijk volgens het gerechtshof. Het privégebruik is ondergeschikt aan het zakelijke gebruik.
Conclusie: btw-belaste verhuur én aftrek btw
Het gerechtshof concludeert dat btw-belaste verhuur van de werkkamer en garage mogelijk is. Als gevolg daarvan kan de dga de btw met betrekking tot die werkkamer en garage ook in aftrek brengen. Vanwege 21% privégebruik van de garage geldt de btw-aftrek met betrekking tot de garage maar voor 79%.
Let op! Elke casus staat op zichzelf en kan vanwege andere feiten en omstandigheden tot andere uitkomsten leiden. Overleg daarom met onze adviseurs over de btw-gevolgen in uw eigen situatie.