t
0344 647 000
|

Maatregelen tegen ongelijke verdeling (huwelijks)gemeenschap

Voordeel ongelijke verdeling

Aanleiding is de uitkomst van een arrest van de Hoge Raad van begin 2024 waarbij twee echtgenoten huwelijkse voorwaarden aangingen in het zicht van overlijden van een van hen. De Hoge Raad oordeelde dat de ongelijke verdeling – waarbij de langstlevende 90% kreeg toebedeeld – niet in strijd was met de wet. Het voordeel in deze casus bestond eruit dat de achterblijvende partner minder erfde en er dus minder erfbelasting hoefde te betalen dan bij een gelijke verdeling (50%-50%). 

Bredere aanpak kabinet

Het kabinet wil deze constructie bestrijden. Het voorstel in het Belastingplan 2026 gaat echter veel verder. Het wetsvoorstel heft namelijk schenk- of erfbelasting bij elke ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap en bij elk toegepast verrekenbeding waarbij aan een partner meer toekomt dan de helft van de gemeenschap of de te verrekenen som. Hiermee worden dus niet alleen huwelijkse voorwaarden getroffen die gewijzigd zijn in het zicht van overlijden, maar alle huwelijkse voorwaarden waarvan het effect is dat er een ongelijke verdeling ontstaat.

Wat betekent dit?

Als het Belastingplan 2026 ongewijzigd wordt aangenomen, betekent dit:

  • Bij overlijden: als een partner bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap of bij uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als verkrijging op grond van erfrecht. Afhankelijk van de hoogte en andere verkrijgingen, is de langstlevende partner hierover erfbelasting verschuldigd.
  • Bij echtscheiding: als een partner door ontbinding van de huwelijksgemeenschap of uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als schenking. Afhankelijk van de hoogte en andere schenkingen is hierover schenkbelasting verschuldigd.

Inwerkingtreding 1 januari 2026

In het wetsvoorstel wordt voorgesteld deze maatregel op 1 januari 2026 in werking te laten treden.

Uitzonderingen

Er gelden wel uitzonderingen. Zo worden de volgende huwelijkse voorwaarden niet getroffen door de voorgestelde wetswijziging:

  • huwelijkse voorwaarden waarin al een ongelijke verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is overeengekomen vóór 16 september 2025 16.00 uur, en
  • huwelijkse voorwaarden waarin al een finaal verrekenbeding met ongelijke breukdelen is overeengekomen vóór 16 september 2025 16.00 uur.

Let op! Alle huwelijkse voorwaarden die vanaf 16 september 2025 16.00 uur zijn aangegaan, worden wel volledig door de maatregel getroffen. Ook huwelijkse voorwaarden die vanaf 16 september 2025 16.00 uur worden gewijzigd, waarbij aanpassingen in het gemeenschappelijke vermogen naar ongelijke breukdelen plaatsvindt, worden vanaf 1 januari 2026 volledig door de maatregel getroffen. Dit geldt ook als ongelijke verdeling op dat moment iets minder ongelijk wordt (bijvoorbeeld van 90:10 naar 60:40). Het is wel mogelijk om andere wijzigingen in de huwelijkse voorwaarden aan te brengen zonder het overgangsrecht te verliezen.

Ook voor geregistreerde partners en samenwoners

De maatregel geldt niet alleen bij ongelijke verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap, maar ook in geval van geregistreerde partners en samenwoners.

Let op! De maatregel is nog niet definitief. Na de verkiezingen moeten de nieuwe Tweede Kamer en de Eerste Kamer nog instemmen.

Gelijktrekken uiterste ingangsdatum

Er bestaan in Nederland verschillende lijfrenteproducten in de vorm van lijfrenteverzekeringen, lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten. De uiterste ingangsdatum van deze verschillende producten wordt gelijkgetrokken. Zo moet een lijfrenteverzekering ingaan uiterlijk in het jaar waarin men de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-leeftijd. Dit product kan echter als enige worden uitgekeerd met een jaarbetaling achteraf. Op deze manier wordt de termijn van ingaan onbedoeld nu nog verlengd naar zes jaar boven de AOW-leeftijd. Dit wordt met ingang van 1 januari 2026 gerepareerd door de termijn ook op maximaal vijf jaar te bepalen.

Let op! Heeft u een lijfrente bij uw eigen bv en bent u de AOW-leeftijd al gepasseerd? Neem contact op met uw adviseur om tijdig met de uitkering te starten.

Tip! Kijk ook goed naar de diverse overgangsregimes vanuit het verleden. Hoe ouder de lijfrente, hoe meer opties, bijvoorbeeld een overbruggingslijfrente tot 65 jaar (de oude AOW-leeftijd) of juist de actuele AOW-leeftijd. Of bijvoorbeeld een tijdelijke oudedagslijfrente die dan op 65 jaar begint (en dus op 70 jaar afloopt na vijf jaar).

Niet-kwalificerende lijfrente belast

Het komt in de praktijk voor dat lijfrentepremies in aftrek zijn gebracht voor producten die fiscaal niet of niet meer als lijfrente zijn aan te merken. Denk bijvoorbeeld aan producten waarbij in de voorwaarden niet is opgenomen dat afkoop niet is toegestaan of lijfrenteproducten die worden uitgekeerd na de uiterste datum. Om ongewenste gevolgen te voorkomen wordt bepaald dat dergelijke uitkeringen voortaan belast zijn. 

Let op! Om anticiperen te voorkomen gaat deze wijziging met terugwerkende kracht in vanaf de datum van bekendmaking van het wetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2026, te weten 25 april 2025.

Maximum pensioengevend loon en premiegrondslag lijfrenteaftrek ongewijzigd

De maximale premiegrondslag voor de aftrek van lijfrentepremies blijft in 2026 ongewijzigd op € 137.800. Ook het maximale pensioengevende loon blijft op dit bedrag gehandhaafd. Er vindt dus geen prijsindexatie plaats, waardoor het maximum sinds 2024 ongewijzigd is gebleven.

Tip! Bij overlijden zonder nabestaandenlijfrente vervalt het kapitaal aan de verzekeraar. Bij een bancaire lijfrente vererft het kapitaal altijd. Een nabestaandenlijfrente is dan wellicht niet gewenst, het ‘kapitaal’, gaat dan automatisch naar de erven, vaak de kinderen. Ook een Oudedagsverplichting (ODV) kan vanuit de eigen bv overgedragen worden naar een bancaire lijfrente.

Let op! Deze wijzigingen zijn opgenomen in de Fiscale Verzamelwet 2026. Deze wet is al aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer.

Kwalificerend buitenlands belastingplichtige

Voor de status van kwalificerend buitenlands belastingplichtige is vereist dat u niet in Nederland woont, maar in een ander EU-land, in Liechtenstein, Noorwegen, IJsland, Zwitserland, op Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Verder is vereist dat u over minstens 90% van uw inkomen belasting betaalt in Nederland. Daarbij gaat het om uw gehele inkomen in en buiten Nederland.

Voordelen

Bent u kwalificerend buitenlands belastingplichtige, dan heeft u recht op dezelfde aftrekposten en heffingskortingen als personen die in Nederland wonen. Denk bijvoorbeeld aan de aftrek van hypotheekrente en van mogelijke hoge zorgkosten.

Inkomensverklaring

Voor de status van kwalificerend buitenlands belastingplichtige heeft u wel een inkomensverklaring nodig. Deze is te downloaden op de site van de Nederlandse Belastingdienst, maar de Belastingdienst in het woonland moet wel verklaren dat de ingevulde gegevens kloppen en dit ondertekenen. Omdat dit in de praktijk vaak moeilijkheden oplevert omdat niet ieder land hieraan mee wil werken, is vanaf 1 januari 2026 niet meer vereist dat u een inkomensverklaring kunt tonen.

Wat dan wel?

U dient vanaf 1 januari 2026 desgevraagd aan kunnen tonen dat minstens 90% van uw inkomen in Nederland wordt belast. Dit kan met behulp van een inkomensverklaring, maar u kunt dit ook aannemelijk maken via bijvoorbeeld aangiftes of aanslagen uit het land waar u woont.

Let op! Dit wetsvoorstel moet nog door de nieuwe Tweede Kamer en de Eerste Kamer worden goedgekeurd en is dus nog niet definitief.

Gemengde kosten

Bij gemengde kosten moet u denken aan:

  • voedsel, drank en genotmiddelen;
  • representatie, daaronder begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak; 
  • congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke;

inclusief reis- en verblijfkosten voor al deze categorieën.

Beperking aftrek in de inkomstenbelasting

Deze kosten komen tot een bedrag van € 5.700 (2025) niet in aftrek op de winst. Een ondernemer in de inkomstenbelasting kan er ook voor kiezen om niet de grens van € 5.700 aan te houden, maar om alle kosten in aftrek te brengen tegen 80% in plaats van 100%.

Beperking aftrek in de vennootschapsbelasting

Een vennootschap (zoals een bv) met één of meer werknemers past in de vennootschapsbelasting vergelijkbare regels toe voor de aftrek van gemengde kosten. De grens van € 5.700 kan echter in zo’n geval hoger uitvallen als 0,4% van het gezamenlijk door de werknemers genoten belastbare loon hoger is dan € 5.700. In dat geval zijn de kosten namelijk niet aftrekbaar tot een bedrag van 0,4% van het gezamenlijke belastbare loon.

De vennootschap kan er ook voor kiezen om niet de grens van € 5.700 of 0,4% van het gezamenlijke belastbare loon aan te houden, maar om alle kosten in aftrek te brengen tegen 73,5% in plaats van 100%.

Wijziging vanaf 2026

Vanaf 2026 wijzigt de berekening van 0,4% van het gezamenlijk door de werknemers genoten belastbaar loon. Tot en met 2025 omvat dit loon namelijk ook alle in de werkkostenregeling aangewezen vergoedingen en verstrekkingen. Vanaf 2026 omvat dit loon alleen nog het loon waarover daadwerkelijk loonbelasting wordt ingehouden.

Dit zorgt voor een vereenvoudiging van de berekening van 0,4% van het gezamenlijk belastbaar loon. Maar dit kan ook betekenen dat er voor werkgevers die met 0,4% van het gezamenlijk belastbaar loon de grens van € 5.700 overschrijden, mogelijk meer recht bestaat op aftrek van de gemengde kosten vanaf 2026.

Let op! De wijziging is opgenomen in de Fiscale Verzamelwet 2026. Dit wetsvoorstel is al door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen.