Houd uitgaven zakelijk en privé goed gescheiden
Kantoor naast woning dga
In een zaak bij rechtbank Zeeland-West-Brabant handelde het om een bv die met een kantoor gevestigd was naast de woning van de dga. De dga had een hovenier opdracht gegeven de tuin aan te leggen, alsmede parkeerplaatsen inclusief bestrating. De werkzaamheden hadden zowel betrekking op de kantoorruimte als op de woning.
Zakelijk en privé gebruikt
Bij een boekencontrole bleek dat twee van de zes facturen op naam van de bv waren gezet voor in totaal ruim € 5.600. Volgens de inspecteur was echter voor een bedrag van € 2.698 ten onrechte de btw verrekend, aangezien het voor dit deel om privéuitgaven van de dga handelde. Dit leverde een naheffing met boete op, waarna de zaak voor de rechter kwam.
Bedrijfsmatig gebruikt?
Voor de rechtbank stond de vraag centraal of de geleverde diensten van de hovenier zakelijk werden gebruikt en of de bv als afnemer van deze diensten kon worden aangemerkt. Volgens de rechtbank was dit niet het geval. Zo was de offerte gericht aan en ondertekend door de dga. Bovendien bleken zowel het kantoor als de woning eigendom te zijn van de dga. Dat twee van de zes facturen aan de bv waren gericht, maakte nog niet dat er een rechtsbetrekking tussen de hovenier en de bv bestond. Van belang was ook dat een deel van de diensten tevens privé werd gebruikt, zoals de aanleg van de parkeerplaatsen. Tenslotte speelde een rol dat een specificatie van de zakelijke en privéwerkzaamheden ontbrak en dat hierover tussen de dga en de bv ook geen afspraken waren gemaakt.
De rechtbank liet de naheffing inclusief boete dan ook in stand.
De percentages worden in principe berekend over de cataloguswaarde. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in auto’s mét en auto’s zonder CO2-uitstoot, auto’s met een datum van eerste toelating van vóór 2017 en op of na 1 januari 2017 en tussen auto’s waarbij de datum van eerste toelating afwijkt van de datum van eerste tenaamstelling.
Auto’s met CO2-uitstoot
Voor auto’s met CO2-uitstoot is het van belang of de datum van eerste toelating op of na 1 januari 2017 is. Is dit op of na 1 januari 2017, dan bedraagt de bijtelling 22% van de cataloguswaarde. In alle andere gevallen bedraagt de bijtelling 25%, tenzij de auto ouder is dan 15 jaar. Dan is de bijtelling 35% van de waarde in het economisch verkeer en dus niet van de cataloguswaarde.
Auto’s zonder CO2-uitstoot
Voor auto’s zonder CO2-uitstoot is allereerst van belang of de datum van eerste toelating op of na 1 januari 2017 ligt. Is dit op of na 1 januari 2017, dan is de datum van eerste toelating bepalend voor de korting op de standaardbijtelling. Afhankelijk van het jaar van eerste toelating varieert de korting van 5 tot 14%. De bijtelling varieert dus van 8 tot 17%. Daarnaast is de datum van eerste toelating bepalend voor het deel van de cataloguswaarde waarvoor de korting geldt (cap). Dit varieert van € 30.000 tot € 45.000. Voor auto’s op waterstof of zonnecellen geldt de korting over de hele cataloguswaarde.
Indien een auto gebruik kan maken van een korting op de standaardbijtelling, dan geldt die korting gedurende de maand van eerste toelating + 60 volle maanden. Na afloop van die periode wordt de eventuele korting opnieuw vastgesteld op basis van de dan geldende regelgeving. Vervolgens verandert de bijtelling ook als de wet wijzigt.
Andere datum eerste tenaamstelling
Bij auto’s zonder CO2-uitstoot met een datum van eerste toelating van vóór 2017, is de datum van de eerste tenaamstelling bepalend voor de korting. Die kan namelijk anders zijn dan de datum van eerste toelating.
Let op! De datum van eerste toelating is de datum waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen in Nederland of daarbuiten. Bij nieuwe auto’s is dit het moment waarop voor het eerst een kenteken is afgegeven. Bij import van een gebruikte auto kan dit dus anders zijn.
Minimumbijtellingspercentages
Overigens zijn de forfaitaire bijtellingspercentages altijd minimumpercentages. Bij excessief privégebruik heeft de Belastingdienst altijd de mogelijkheid een hogere bijtelling te rekenen. De bewijslast ligt daarvoor evenwel bij de Belastingdienst.
Algemeen bijtellingspercentage privégebruik auto
| Percentage | |
| datum 1e toelating op of na 1 januari 2017 | 22% |
| datum 1e toelating vóór 1 januari 2017 | 25% |
| auto’s ouder dan 15 jaar | 35% |
Auto’s zonder CO2-uitstoot, met datum 1e toelating op of na 1 januari 2017
| Korting in 2025 op het algemeen bijtellingspercentage tot het bedrag van de cap | Cap | Korting |
| datum 1e toelating 2025 | € 30.000 | 5% |
| datum 1e toelating 2024 en 2023 | € 30.000 | 6% |
| datum 1e toelating 2022 | € 35.000 | 6% |
| datum 1e toelating 2021 | € 40.000 | 10% |
| datum 1e toelating 2020, na afloop van de 60-maandentermijn | € 30.000 | 5% |
| datum 1e toelating 2020, binnen de 60-maandentermijn | € 45.000 | 14% |
| datum 1e toelating 2019, 2018 en 2017 | € 30.000 | 5% |
| Voor waterstof- en zonnecelauto’s geldt de cap niet: de korting wordt berekend over de hele grondslag. |
Auto’s zonder CO2-uitstoot, met datum 1e toelating vóór 1 januari 2017
| Korting in 2025 op het algemeen bijtellingspercentage tot het bedrag van de cap, afhankelijk van de datum 1e tenaamstelling |
Cap | Korting |
| datum 1e tenaamstelling 2025 | € 30.000 | 5% |
| datum 1e tenaamstelling 2024 en 2023 | € 30.000 | 6% |
| datum 1e tenaamstelling 2022 | € 35.000 | 6% |
| datum 1e tenaamstelling 2021 | € 40.000 | 10% |
| datum 1e tenaamstelling 2020, na afloop van de 60-maandentermijn | € 30.000 | 5% |
| datum 1e tenaamstelling 2020, binnen de 60-maandentermijn | € 45.000 | 14% |
| datum 1e tenaamstelling vóór 2020 | € 30.000 | 5% |
| Voor waterstof- en zonnecelauto’s geldt de cap niet: de korting wordt berekend over de hele grondslag. |
Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL)
De TVL was een tegemoetkoming in de vaste lasten die een bedrijf tijdens de coronacrisis maakte. Zo was er in die periode soms sprake van een verplichte sluiting, zodat de vaste lasten moeilijker via de omzet gedekt konden worden. De omvang van de TVL was afhankelijk van het omzetverlies en van het percentage vaste lasten binnen de bedrijfstak.
Bedrijfsovername
De discussie rond de terug te betalen TVL-subsidie ontstond nadat binnen de hotelketen een bedrijfsovername had plaatsgevonden. Daarbij was aan het overgenomen bedrijf TVL verstrekt, waardoor het maximum aan TVL dat voor concerns gold, werd overschreden. Dit werd later teruggevorderd.
Moment vaststellen TVL
In bovengenoemde zaak die voorlag voor het CBb stond een aantal zaken ter discussie. Een van de zaken die aan de orde kwam was welk moment voor het recht op TVL beslissend is. Uit de uitspraak blijkt dit het moment van subsidieverlening en -vaststelling te zijn. Daarmee verwerpt het CBb de opvatting dat de periode van subsidieverlening bepalend moet zijn.
Terugvorderen mag niet
Op grond van bovenstaand uitgangspunt was aan de hotelketen ruim € 774.000 te veel TVL verstrekt. Dit betekende echter niet dat de TVL van het overnemende concern verlaagd mocht worden met de aan het overgenomen bedrijf verstrekte TVL, zoals gebeurd was. Dit kan namelijk slechts op een beperkt aantal wettelijke gronden waarvan in deze zaak geen sprake was. Het CBb stelde het concern op dit punt dan ook in het gelijk.
Definitief
Het CBb is de hoogste rechterlijke instantie in dit soort zaken, wat betekent dat de uitspraak definitief is.
Verhoging btw-tarief
In het Belastingplan 2025 was het voornemen opgenomen het lage btw-tarief van 9% voor genoemde sectoren per 2026 te verhogen naar 21%. Onder druk van de Tweede Kamer is toegezegd de verhoging niet door te laten gaan en hiervoor naar alternatieve dekking te zoeken.
Alternatieven
Het kabinet stelt nu drie alternatieven voor. Deze voorstellen zijn:
- het verhogen van de btw op enkele specifieke goederen en diensten van 9 naar 21%, of
- een algemene verhoging van het lage en/of het hoge btw-tarief, of
- een eerste stap richting één uniform btw-tarief.
Verhoging btw op enkele specifieke goederen en diensten
Er bestaat voor een aantal specifieke goederen en diensten momenteel een verlaagd btw-tarief. Dit varieert van schilderwerkzaamheden tot de toegang tot bioscopen. Dit btw-tarief zou voor deze goederen en diensten kunnen worden verhoogd van 9 naar 21%. Het kabinet geeft per onderdeel aan wat het budgettaire belang is.
Verhoging bestaande tarieven
Een ander alternatief is een algehele verhoging van het lage btw-tarief, het hoge btw-tarief, of beide. Het kabinet geeft aan dat een verhoging van het lage btw-tarief een stap is in de richting van één uniform btw-tarief. Een nadeel van de verhoging van het lage btw-tarief is wel dat hierdoor de dagelijkse boodschappen in prijs zullen stijgen.
Een verhoging van het hoge btw-tarief is in een motie al afgewezen door de Tweede Kamer.
Uniformering tarief
Een derde alternatief is een eerste stap te zetten naar één uniform btw-tarief. Het kabinet acht de stap om in één keer over te gaan naar één middentarief te groot. Wel zouden goederen en diensten, behalve voedingsmiddelen, tijdelijk kunnen worden overgebracht naar een nieuw middentarief. Echter is het opzetten van een nieuw tijdelijk middentarief uitvoeringstechnisch pas vanaf 2027 mogelijk.
Let op! De bovengenoemde alternatieven zullen allereerst worden besproken in de Tweede Kamer.