Deadline Innovatiekrediet en vroegfasefinanciering 1 december 2024
Innovatiekrediet
Via een Innovatiekrediet kunt u een lening afsluiten voor de ontwikkeling van een nieuw product, medicijn of apparaat. Het Innovatiekrediet verstrekt slechts krediet voor een deel van de kosten. Voor kleine bedrijven is dit maximaal 45%, wanneer sprake is van samenwerking met een ander bedrijf 50%. Voor middelgrote bedrijven zijn deze percentages 35% en 50%, voor grote bedrijven 25% en 40%.
Voorwaarden
Er gelden tal van voorwaarden voor het Innovatiekrediet. Zo mag de financieringsbehoefte niet meer dan € 150.000 bedragen, moet er sprake zijn van een commercieel oogpunt voor het project en moet de technische haalbaarheid onderzocht én bewezen zijn.
Kosten en aanvragen
U betaalt een vast opslagbedrag van 15% voor technische projecten en 25% voor klinische projecten. Daarnaast betaalt u een jaarlijkse rente van thans 3%. Het innovatiekrediet vraagt u aan bij de RVO. Hiervoor heeft u eHerkenning nodig, U vindt hier alle informatie.
Vroegfasefinanciering
Met een vroegfasefinanciering (VFF) kunt u een lening krijgen om te onderzoeken of een bepaald idee kans van slagen heeft in de markt. Ook voor deze financieringsvorm gelden verschillende voorwaarden. Zo moet u onder meer voor een businessplan zorgen waaruit blijkt dat uw bedrijf substantieel gaat groeien.
Aanvragen
Er zijn regionale loketten waar u de vroegfasefinanciering aan kunt vragen. Tevens is er een landelijk loket. Voor mkb-ondernemers gelden andere voorwaarden dan voor innovatieve starters voor wat betreft de bij uw aanvraag mee te sturen bijlages. U vindt alle informatie hier.
Bijtelling
De bijtelling is een bepaald percentage van de catalogusprijs van de auto. Dit percentage is afhankelijk van de datum waarop de auto voor het eerst is toegelaten op de weg. Voor 2024 geldt een percentage van 22%, tenzij het een elektrische auto betreft. Dan bedraagt de bijtelling 16% tot een cataloguswaarde van € 30.000 en geldt over het meerdere een bijtelling van 22%. Voor auto’s op zonnecellen en op waterstof geldt een bijtelling van 16% over de gehele cataloguswaarde.
Let op! Alleen voor auto’s die minstens 15 jaar oud zijn, geldt een bijtelling op basis van de dagwaarde. De bijtelling bedraagt dan 35%.
Geen onderscheid in leeftijd
In een zaak bij het gerechtshof Arnhem Leeuwarden was de vraag aan de orde of het in strijd is met Europese regels dat voor gebruikte auto’s eenzelfde percentage aan bijtelling geldt als voor nieuwe auto’s. Volgens belanghebbende was dit het geval, omdat specifiek door deze regeling de import van occasions uit andere EU-landen zou worden beperkt. Het Hof zag dit verband niet en stelde vast dat de bijtelling slechts ziet op het loonvoordeel dat een auto van de zaak biedt.
België is anders dan Nederland
Belanghebbende stelde ook nog dat de bijtelling in zijn woonland België wél onderscheid maakt tussen nieuwe auto’s en occasions. Volgens het Hof doet dit niets af aan het feit dat de bijtelling in Nederland in beginsel geen onderscheid maakt in de leeftijd van de auto. Het Hof stelde de inspecteur dan ook in het gelijk.
Herinvesteringsreserve (HIR)
Als u boekwinst maakt op een bedrijfsmiddel, moet u hier in beginsel belasting over betalen. U kunt dit voorkomen door de boekwinst te reserveren in een HIR. Koopt u later een vervangend bedrijfsmiddel, dan kunt u de HIR afboeken op de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel. U kunt daardoor wel minder afschrijven op het nieuwe bedrijfsmiddel en betaalt daardoor op een later moment meer belasting. Op die manier kan de HIR ervoor zorgen dat u de belasting op de gerealiseerde boekwinst gespreid kunt betalen.
Voorwaarden
De HIR kent een aantal voorwaarden Een ervan bepaalt dat u een HIR in principe binnen drie jaar na het jaar van ontstaan ervan moet afboeken op een ander aangeschaft bedrijfsmiddel. Doet u dit niet, dan valt de HIR op het eind van dat jaar in de winst en betaalt u alsnog in één keer belasting over de boekwinst. De genoemde termijn van drie jaar geldt niet als er vertraging in de investering is opgetreden door bijzondere omstandigheden. Er is dan wel vereist dat er een begin van uitvoering van de investering is gemaakt.
Bijzondere omstandigheden?
In bovengenoemde zaak had een belastingplichtige een HIR gevormd en hiervoor niet tijdig een vervangende investering gedaan. De inspecteur wilde de HIR daarom na afloop van de voor de HIR geldende termijn toevoegen aan de winst. Belastingplichtige was het hiermee echter niet eens en stelde dat er sprake was van bijzondere omstandigheden die aan de herinvestering in de weg hadden gestaan.
Geen bouwvergunning
De vertraging was volgens belastingplichtige ontstaan omdat de gemeente geen bouwvergunning had afgegeven voor de geplande herinvestering in geconditioneerde schuren. Daarom had de ondernemer niet met de bouw ervan kunnen beginnen. Dat het weigeren van de bouwvergunning uiteindelijk onterecht bleek, deed niet ter zake. Ook had belanghebbende aangetoond dat er een begin van uitvoering van de investering was gemaakt. Er lagen namelijk getekende contracten voor de bouw van de schuren.
In dit geval betekende het ontbreken van een bouwvergunning dat de HIR daarom toch gehandhaafd kon blijven. De man werd dan ook in het gelijk gesteld.
Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)
De KIA is een fiscale tegemoetkoming bedoeld om investeringen door met name kleinere ondernemingen te bevorderen. De KIA bestaat uit een percentage van het bedrag aan investeringen. Dit percentage neemt bij een bepaald bedrag aan investeringen af. Boven een investeringsbedrag van € 387.850 (2024) bedraagt het percentage nul. De KIA kan op de winst in mindering worden gebracht, waardoor minder belasting hoeft te worden betaald.
Tip! Meer informatie over de KIA vindt u hier.
Bv neemt deel in vof’s
De Belastingdienst heeft aangegeven hoe de KIA moet worden berekend als een bv deelneemt in meerdere vof’s. Daarbij is de Belastingdienst ervan uitgegaan dat de vof’s in het jaar investeren, maar dat de bv daarnaast ook zelf investeert.
Voorbeeld
Een bv heeft een belang van 40% in twee vof’s. De ene vof investeert in het jaar voor € 100.000, de andere voor € 80.000. De bv investeert zelf voor € 50.000.
Het totaal aan investeringen bedraagt € 100.000 + € 80.000 + € 50.000 = € 230.000. Het aandeel van de bv hierin bedraagt 40% x € 100.000 + 40% x € 80.000 + € 50.000 = € 122.000. De KIA over € 230.000 bedraagt € 11.915. De bv heeft dan recht op een KIA van € 11.915 x (€ 122.000/€ 230.000) = € 6.321.
Samentelregeling
De Belastingdienst geeft aan dat genoemde uitkomst gebaseerd is op de zogenaamde samentelregeling (opgenomen in artikel 3.41 lid 3 Wet Inkomstenbelasting).