Minister reageert op acceptatieplicht contant geld
Acceptatieplicht
De Tweede Kamer wil de acceptatieplicht voor contant geld invoeren omdat er op steeds meer plaatsen alleen nog digitaal betaald kan worden, terwijl niet iedereen dit wil of de mogelijkheid heeft om digitaal te betalen. Daarbij krijgt de regering wel de mogelijkheid om uitzonderingssituaties vast te leggen als dit vanwege de uitvoerbaarheid of veiligheid nodig is.
Reactie minister
Minister Heijnen wijst er in een reactie op dat over het voorstel verplicht advies aan de ECB gevraagd wordt. Ook wijst hij erop dat bestuursrechtelijke geldschulden niet onder de acceptatieplicht vallen, maar dat hij er voorstander van is dat ook bij de overheid zoveel mogelijk contant betaald moet kunnen worden, bijvoorbeeld voor de aanschaf van een paspoort.
Uitzonderingen
Voor wat betreft eventuele uitzonderingen op de acceptatieplicht denkt de minister bijvoorbeeld aan periodieke betalingen voor energie of verzekeringen. Anderzijds vindt de minister de lagere kosten, snelheid, efficiency en het lagere risico op diefstal door het personeel geen gegronde redenen voor het maken van een uitzondering.
Veiligheid vereist nader onderzoek
Het weigeren van contant geld vanwege veiligheidsaspecten zal nader dienen te worden onderzocht, aldus Heijnen. Bij een hoog risico op overvallen acht hij een weigering om cash te accepteren aanvaardbaar, maar het is onwenselijk als dit aspect door iedereen als argument kan worden ingeroepen voor een uitzonderingssituatie.
Nader overleg
De minister kondigt nader overleg aan, waarbij onder meer ondernemers- en consumentenorganisaties zullen worden betrokken. Ook zal hij de financiële gevolgen van de acceptatieplicht hierbij betrekken.
Belastingdienst: maaltijden zijn privé
Een ondernemer werkte voor zijn onderneming een groot gedeelte van het jaar ver weg van zijn woonplaats. Daarom huurde hij een verblijfsruimte dichtbij dat werk. De Belastingdienst erkende dat deze huurkosten ten behoeve van zijn onderneming werden gemaakt en stond aftrek van deze kosten van de winst toe.
De ondernemer moest echter ook eten en koos ervoor om de maaltijden niet zelf te bereiden, maar uit eten te gaan. De kosten hiervan wilde hij ook in aftrek brengen van zijn winst, maar de Belastingdienst, de rechtbank en het gerechtshof stonden dat niet toe. Zij vonden dat de noodzaak om te eten ook aanwezig was als de ondernemer gewoon thuis verbleef. De kosten waren daarom geen ondernemingskosten maar privékosten.
Hoge Raad: maaltijden in beginsel zakelijk
De Hoge Raad is het daar niet mee eens. De Hoge Raad vindt dat als de verblijfkosten zakelijk zijn, de kosten voor maaltijden dat in beginsel ook zijn. Alleen als het belopen van die kosten uitsluitend in de privésfeer zou zijn gelegen, kan dit anders zijn. Het enkele feit dat de kosten van uit eten gaan hoger zijn dan eten wat thuis bereid en genuttigd wordt, betekent echter nog niet dat het belopen van die kosten uitsluitend in de privésfeer gelegen is.
De ondernemer kon de kosten van het eten buiten de deur daarom gewoon in aftrek brengen.
Wel wettelijke correctie privé
Voor de aftrek van onder meer de kosten van voedsel is in de wet echter wel een correctie opgenomen voor het privé-element. De kosten van voedsel, drank en genotmiddelen, representatie, congressen, seminars, studiereizen en dergelijk komen tot een bedrag van € 5.600 per jaar daarom niet in aftrek van de winst. In plaats van een niet aftrekbaar bedrag van € 5.600, kan de ondernemer er echter ook voor kiezen om 80% van deze kosten in aftrek te brengen. De ondernemer uit de zaak die speelde bij de Hoge Raad kon daarom niet alle kosten voor het uit eten gaan in aftrek brengen, maar hield rekening met deze correctie.
Wat betekent dit voor u?
Als u ook in verband met uw onderneming een verblijfsruimte ver weg van uw thuis huurt, kunt u naast de huurkosten, dus ook de kosten van uw maaltijden in aftrek brengen. In het arrest van de Hoge Raad ging het om kosten van eten buiten de deur, maar uit het arrest lijkt opgemaakt te kunnen worden dat dit ook geldt voor de kosten van het in de verblijfsruimte zelf bereiden van de maaltijden.
U moet uiteraard wel rekening houden met het niet aftrekbare bedrag van € 5.600 of maar 80% van de kosten in aftrek brengen.
Vragen?
Neem voor vragen contact op met onze adviseurs. Houd er verder rekening mee dat de staatssecretaris waarschijnlijk niet blij is met het oordeel van de Hoge Raad. Mogelijk betekent dit dat de wet op dit punt in de toekomst gewijzigd wordt.
Indexatie
Per 2025 worden ook de toetsingsinkomens en de maximumuurtarieven geïndexeerd. De toetsingsinkomens worden met 4,8% geïndexeerd, de maximumuurtarieven van dagopvang en buitenschoolse opvang met 4,5%, van gastouderopvang met 7,6%. Daardoor leidt een hoger inkomen ten opzichte van dit jaar niet automatisch tot minder kinderopvangtoeslag en wordt het maximumuurtarief minder snel overschreden.
Maximumuurtarief per soort kinderopvang
Voor de drie soorten kinderopvang, te weten de dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang, geldt in 2025 een maximumuurtarief van € 10,71, respectievelijk € 9,52 en € 8,10.
Let op! Er wordt nooit meer vergoed dan het maximumuurtarief. Ligt het tarief van de kinderopvang lager dan de maximumuurprijs? Dan wordt de toeslag uitgekeerd over dat lagere uurtarief.
Voorwaarden kinderopvangtoeslag
De hoogte van de kinderopvangtoeslag hangt dus onder meer af van de hoogte van het uurtarief van de kinderopvang en het inkomen van de ouder(s). Tevens wordt de hoogte van de toeslag bepaald op basis van het aantal gewerkte maanden van de minst werkende ouder. Daarbij krijgt de ouder per kalendermaand waarin de ouder of partner heeft gewerkt, kinderopvangtoeslag voor maximaal 230 uur (maximaal 2.760 uur per jaar).
Het kabinet heeft voor de verruiming van de kinderopvangtoeslag € 429 miljoen uitgetrokken.
Vrachtwagenheffing
Vrachtwagens vanaf 3.500 kilo uit binnen- en buitenland moeten vanaf 2026 bij gebruik van de Nederlandse snelwegen en van enkele N-wegen en gemeentelijke wegen een bedrag per kilometer betalen. Het bedrag per kilometer is afhankelijk van de uitstoot en het gewicht van de vrachtwagen. Hoe hoger de uitstoot en hoe hoger het gewicht, des te hoger het tarief zal zijn. Volgens een berekening uit 2023 zal het gemiddelde tarief € 0,167 per kilometer bedragen.
Let op! Als de vrachtwagenheffing in werking treedt, zal het Eurovignet verdwijnen en wordt de motorrijtuigenbelasting verlaagd.
Om de vrachtwagenheffing te realiseren zal apparatuur moeten worden geïnstalleerd, zodat de heffing elektronisch kan worden geheven. De wijzigingsvoorstellen van het Besluit vrachtwagenheffing hebben vooral betrekking op de privacyaspecten die met de inning van de heffing gemoeid zijn.
Voertuigdocumenten
Zo moeten van vrachtwagens voertuigdocumenten worden aangeleverd, onder meer om het tarief van de heffing vast te kunnen stellen. Ook moet er informatie worden aangeleverd met betrekking tot vrijgestelde vrachtauto’s, zodat die niet per ongeluk een sanctie ontvangen. Hetzelfde geldt voor auto’s die op een vrachtauto lijken, maar dit niet zijn, zoals bepaalde campers.
Geboortedatum
Uit de internetconsultatie blijkt dat in verband met de mogelijkheid om sancties op te leggen ook de geboortedatum van de chauffeur moet worden vastgelegd. Ook dit vereist een aanpassing, waarop gereageerd kan worden.
Reageren op de voorstellen
Geïnteresseerden kunnen tot en met 25 november 2024 reageren op de voorstellen. Er wordt met name gevraagd wat men vindt van de keuze van de documenten die men dient te overleggen voor het bepalen van het tarief van de heffing en wat men vindt van de wijzigingen met betrekking tot het verwerken van persoonsgegevens. Reageren op de internetconsultatie kan hier digitaal.