Vanaf 2025 bepaalde agrarische goederen en diensten tegen 21% btw
Paarden
Voor de levering van paarden en andere dieren die bestemd zijn voor de slacht of opfok of voor gebruik in de landbouw geldt nu nog 9% btw, maar vanaf 1 januari 2025 21% btw. Dit tarief gaat ook gelden voor het slachtafval en goederen die bestemd zijn voor de voortplanting.
Andere landbouwdieren
Ook de levering van rundvee, schapen, geiten en varkens vindt vanaf 1 januari 2025 plaats tegen 21% btw. Het maakt daarbij niet uit wat de bestemming is. Dus niet alleen voor hobbydieren gaat het btw-tarief omhoog van 9 naar 21% btw, maar ook voor de dieren die bestemd zijn voor de bereiding van voedingsmiddelen of voor gebruik in de landbouw. Hetzelfde geldt overigens voor het slachtafval en de goederen die bestemd zijn voor de voortplanting. Ook daarvoor geldt vanaf volgend jaar het 21% btw-tarief.
Teelt ook duurder
De levering van teeltplanten voor groenten en fruit en land- en tuinbouwzaden (waaronder graszaden en zaden voor sierteeltproducten) is vanaf 2025 ook belast tegen 21% btw. Hetzelfde geldt voor suikerbieten, suikerbietplanten, granen en peulvruchten.
Tip! De btw voor granen en peulvruchten die bestemd zijn als voedingsmiddelen voor menselijke consumptie blijft wel 9%, ook in 2025. Dat geldt echter niet voor granen die gebruikt worden als voer voor dieren. Daarvoor geldt vanaf volgend jaar een btw-tarief van 21%.
Veevoeders
Ook veevoeders zijn vanaf volgend jaar belast tegen 21% btw. Denk hierbij aan bijvoorbeeld (meng)voerders voor konijnen, paarden en pelsdieren.
Opfok- en opkweekdiensten ook naar 21% btw
Niet alleen leveringen krijgen te maken met een verhoging van btw. Ook diensten met betrekking tot het opfokken van dieren en het opkweken van planten zijn vanaf 2025 belast tegen 21% btw.
Let op! De lijst met agrarische goederen waarvoor de btw omhoog gaat van 9 naar 21% btw is nog langer. Zo zal ook de levering van rondhout, vlas en wol vanaf 2025 belast zijn tegen 21% btw. Levert u agrarische goederen, beoordeel dan of uw leveringen volgend jaar nog tegen 9% kunnen of tegen 21% btw.
Tip! Heeft u een bedrijf dat handelt in een van de bovengenoemde producten en/of diensten, pas dan tijdig uw administratie aan zodat u goed bent voorbereid op het nieuwe btw-tarief per 1 januari 2025.
Bezwaar en beroep
Tegen de boete kunt u afzonderlijk bezwaar aantekenen en eventueel bij de rechter in beroep gaan.
Voor de behandeling van bezwaar en beroep staat een maximale redelijke tijdsduur. Als die tijd wordt overschreden, is er aanleiding de boete te verminderen. Met hoeveel moet een boete dan worden verminderd?
Dividendbelasting te laat betaald
In een zaak bij het gerechtshof Amsterdam had een bv dividend uitgekeerd en de verschuldigde dividendbelasting te laat betaald. Hiervoor is bepaald dat dit een verzuimboete oplevert van 3% van de niet-betaalde belasting met een maximum van € 5.514. De inspecteur had de boete conform deze regeling opgelegd, wat resulteerde in een boete van € 1.561.
Afwijken kan
Het Hof stelde dat de boete inderdaad conform de regels was opgelegd, maar dat hiervan kan worden afgeweken, afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Het Hof vond dat in de betreffende situatie een lagere boete op zijn plaats was, onder andere omdat de bv niet bekend was met de dividendbelasting en de boete voor de bv een forse financiële aderlating betekende. Het Hof stelde de boete dan ook vast op € 1.000.
Vuistregels bij overschrijding redelijke termijn
In hetzelfde arrest geeft het Hof vuistregels voor het verminderen van een boete als de rechtszaak hierover te lang duurt. Tot nu toe gold het uitgangspunt dat een boete slechts verminderd werd als deze minstens € 200 bedroeg. Het Hof acht een boetebedrag van € 1.000 echter beter op zijn plaats als nieuwe limiet. Dat betekent dus dat minder snel tot vermindering zal worden overgegaan.
Wat is redelijke termijn?
In belastingzaken geldt dat de behandeling van bezwaar en beroep samen in beginsel maximaal twee jaar mag duren. Voor hoger beroep staat nog eens twee jaar, net als voor beroep in cassatie. Deze termijnen kunnen worden verlengd als de langere tijdsduur aan de belastingplichtige is te wijten.
Minder boete bij langere duur
Daarnaast geeft het Hof aan welke boetevermindering moet volgen als de behandeling van een procedure te lang duurt. Het Hof hanteert hiervoor een vermindering volgens onderstaande tabel:
| overschrijding | vermindering | Maximale vermindering |
| 0 tot 6 maanden | 5% | € 2.500 |
| 6 tot 12 maanden | 10% | € 2.500 |
| 1 tot 2 jaar | 15% | € 10.000 |
| Meer dan 2 jaar | 20% | € 20.000 |
Omdat in de behandelde zaak de termijn met 0 tot 6 maanden was overschreden, werd de boete van € 1.000 met 5%, ofwel met € 50 verminderd tot € 950.
Voor- en nadelen
De fiscale eenheid kent als belangrijk voordeel dat de deelnemers geen btw betalen over onderlinge leveringen. Dit is voordelig als zonder fiscale eenheid de btw bij de koper niet (volledig) aftrekbaar zou zijn, bijvoorbeeld omdat deze onderneming vrijgestelde prestaties verricht. Ook hoeft er maar één btw-aangifte te worden gedaan. Een nadeel is dat alle deelnemers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de fiscale eenheid te betalen btw.
Geschillenregeling
Onlangs moest de rechtbank Zeeland-West-Brabant oordelen of een geschillenregeling een fiscale eenheid voor de btw tussen bedrijven in de weg kan staan. In de berechte zaak ging het om een stichting die 51% van de aandelen en het stemrecht bezat in een bv. Een meerderheid dus, maar die werd beperkt door een ingestelde geschillenregeling.
Arbiters
Bepaald was dat bij geschillen tussen de stichting en de bv die de overige aandelen bezat, een geschillencommissie werd ingesteld om deze geschillen te beslechten. De geschillencommissie bestond uit drie arbiters, waarvan beide aandeelhouders er één mochten benoemen. Beide gekozen arbiters mochten samen de derde arbiter benoemen.
Wil opleggen?
Volgens de rechtbank volgde uit de gekozen constructie inzake geschillenbeslechting dat de ene aandeelhouder niet aan de andere zijn wil kon opleggen bij belangrijke beslissingen. Dit betekende dat er geen sprake was van financiële verwevenheid en dat er dus ook geen fiscale eenheid gevormd kon worden. De naheffingsaanslag voor de btw die hierop gebaseerd was, bleef dan ook in stand.
Zakelijk belang en bijbehorende rente
In een zaak die speelde voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant, handelde het om de vraag of de tussen twee partijen afgesproken rente wel zakelijk was. De inspecteur vond van niet en had daarom naheffingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd.
Bewijslast ligt bij de inspecteur
De rechtbank stelde om te beginnen vast dat de bewijslast voor de vraag of de gehanteerde rente al dan niet zakelijk was, bij de inspecteur lag. De inspecteur verwees om te beginnen naar de omvang van de lening, die € 22,5 miljoen bedroeg. Deze lening werd belegd in effecten, er werd jaarlijks slechts voor een bedrag van € 250.000 afgelost en bovendien ontbraken er zekerheden. De afgesproken rente van 4,25% achtte hij dan ook niet reëel, reden waarom de inspecteur was uitgegaan van een rente van 10%.
Hogere rente
Hieromtrent had hij aangevoerd dat in zakelijke gevallen een rentepercentage gehanteerd zou moeten worden dat men zelf anders via beleggingen met eenzelfde risico zou kunnen behalen, vermeerderd met een aantal opslagen. De inspecteur was voor het rentepercentage uitgegaan van ongeveer 5%, vermeerderd met een aantal opslagen zoals gehanteerd door banken. Nu ook zekerheden ontbraken, stelde de inspecteur dat het door hem gehanteerde percentage van 10% zeker niet te hoog was.
Inspecteur moet hoogte rente ook motiveren
De rechter was het met de inspecteur eens dat een rente van 4,25% gezien de vermelde feiten te laag was, maar stelde ook dat er door de inspecteur onvoldoende inzicht was gegeven in het gehanteerde rentepercentage van 10%. Onduidelijk was hoe de inspecteur exact op dit percentage was uitgekomen en waarom dat percentage in genoemde situatie van toepassing was.
Alles overwegend stelde de rechtbank het rentepercentage daarom vast op 6%.