Villatax strijdig met Europees recht?
WOZ-waarde is bepalend
Voor woningen vanaf € 75.000 geldt het EWF van 0,35%, voor woningen met een WOZ-waarde vanaf € 1.350.000 geldt een hoger EWF van 2,35% over het meerdere.
Strijd met Europees recht?
Al langer vragen met name bezitters van duurdere woningen zich af of dit hogere forfait in strijd is met het Europese recht. Ze voeren onder meer aan dat er strijdigheid is met het gelijkheidsbeginsel en dat er geen redelijke verhouding meer is tussen het gehanteerde middel van de heffing en het beoogde doel.
Rechtbank volgt Hof
In een zaak die eind oktober vorig jaar speelde voor Gerechtshof Amsterdam, kwam het Hof tot de conclusie dat het hoge forfait niet in strijd is met het Europese recht. Het hogere forfait is mede ingevoerd vanwege het beleggingsaspect dat voor duurdere woningen zou gelden, naast het bestedingsaspect in de vorm van het woongenot. Een vergelijkbare zaak werd behandeld door Rechtbank Den Haag en ook die komt tot de conclusie dat er geen strijd is met het Europese recht.
Hoge forfait beperkt aftrek
In deze zaak handelde het om een woning met een WOZ-waarde van € 1.683.000. In het jaar betreffende jaar (2023) kwam het EWF uit op € 15.550. Vanwege dit hoge forfait was van de betaalde hypotheekrente van € 24.533 slechts een bedrag van € 8.983 aftrekbaar.
Toegenomen belang vanwege afbouw Wet Hillen
De discussie rond het hoge forfait staat de laatste tijd extra in de belangstelling vanwege de versnelde afbouw van de aftrek volgens de Wet Hillen. Bezitters van een eigen woning met een geringe hypotheek kunnen namelijk niet het hele rentebedrag in aftrek op het EWF brengen, als het EWF hoger is dan de aftrekbare hypotheekrente. Het niet-aftrekbare bedrag zou oorspronkelijk pas in 2048 zijn terugbracht naar nihil, maar in het Belastingplan 2026 is dit vervroegd naar 2041. Vanaf dit jaar gaat men in deze situatie dus minder profiteren van de aftrek van de hypotheekrente, ook als met te maken heeft met de villatax.
Toegenomen belang vanwege beperking aftrek tot 30 jaar
In dit kader is ook van belang dat de aftrek van hypotheekrente van de eigen woning beperkt is tot maximaal 30 jaar. Bij leningen die vóór 2001 zijn afgesloten, begint deze termijn op 1 januari 2001. Aftrek van hypotheekrente is na 30 jaar dan niet meer mogelijk, terwijl voor duurdere woningen wel de villatax van kracht blijft.
Wachten op Hoge Raad
Vanwege het grote belang van de uitspraken is het vrijwel zeker dat deze worden voorgelegd aan de Hoge Raad. Pas dan zal duidelijk worden of de villatax in stand kan blijven.
Wat voorafging: massaal bezwaar en Hoge Raad
Naar aanleiding van een uitspraak waarin een rechtbank oordeelde dat de belastingrente op een aanslag Vpb te hoog was, werden er veel bezwaarschriften ingediend. Dit was aanleiding om tijdige bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb aan te wijzen als massaal bezwaar. Een paar maanden later werden ook de tijdige bezwaren tegen de hoogte van de belastingrente op een aanslag IB en overige belastingmiddelen aangewezen als massaal bezwaar.
De Hoge Raad oordeelde vervolgens op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor overige belastingen geldt.
Collectieve uitspraken
Bij een aanwijzing massaal bezwaar doet de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak, maar één collectieve uitspraak op bezwaar. Op 25 februari 2026 deed de Belastingdienst deze collectieve uitspraken voor zowel de Vpb als de IB en overige belastingen.
Inhoud collectieve uitspraak op bezwaar Vpb
Zoals verwacht, verklaart de Belastingdienst alle bezwaren tegen de belastingrente Vpb in de massaalbezwaarprocedure gegrond. Dit betekent dat de Belastingdienst alle bezwaren over het belastingrentepercentage voor de Vpb gaat toewijzen vanaf het jaar 2022.
Hoogte belastingrente Vpb
De belastingrente Vpb gaat berekend worden naar het percentage dat geldt voor de overige belastingen (waaronder de IB), zie onderstaande tabel.
| Periode | Belastingsrente Vpb was | Belastingsrente Vpb wordt |
| 1-1-2022 t/m 30-06-2023 | 8% | 4% |
| 1-7-2023 t/m 31-12-2023 | 8% | 6% |
| 1-1-2024 t/m 31-12-2024 | 10% | 7,5% |
| 1-1-2025 t/m 31-12-2025 | 9% | 6,5% |
| Vanaf 1-1-2026 | 7,5% | 5% |
Let op! In de IT-systemen van de Belastingdienst zijn inmiddels al de lagere belastingrentepercentages opgenomen. Aanslagen Vpb met een dagtekening na 7 februari 2026 worden daarom al met de lagere belastingrentepercentages berekend.
Automatisch bericht
Maakt u (of wij namens u) tijdig bezwaar tegen de belastingrente op een aanslag Vpb, dan ontvangt u binnen zes maanden een vermindering van de belastingrente van de Belastingdienst. Deze vermindering wordt berekend volgens de percentages in de derde kolom van de tabel.
Let op!Ontving u een aanslag Vpb met belastingrente met een dagtekening van 17 januari 2026 tot en met 7 februari 2026, dan hoeft u zelf geen actie te ondernemen. U hoeft dus geen bezwaar te maken. De Belastingdienst zal uit eigen beweging de belastingrente opnieuw berekenen met de lagere percentages.
Nog wel actie vereist
Voor aanslagen Vpb met belastingrente met een dagtekening van 5 december 2025 tot en met 16 januari 2026 is misschien nog wel actie vereist. De Belastingdienst verlaagt voor deze aanslagen namelijk de belastingrente niet uit zichzelf. Is er daarom nog geen bezwaar ingediend, dien dan een verzoek in om ambtshalve vermindering.
Let op!Heeft de aanslag Vpb met belastingrente een dagtekening vóór 5 december 2025 en is daartegen geen tijdig bezwaar ingediend? Dan is er helaas niets meer mogelijk. Een verzoek om ambtshalve vermindering voor deze aanslagen wijst de Belastingdienst namelijk af. Dit is anders als het een voorlopige aanslag betreft. Tegen de belastingrente op een voorlopige aanslag Vpb kunt u namelijk een verzoek tot vermindering uiterlijk tot zes weken na de dagtekening van de definitieve aanslag Vpb indienen.
Inhoud collectieve uitspraak op bezwaar IB en overige belastingen
De Belastingdienst verklaart alle bezwaren tegen de belastingrente IB en overige belastingen in de massaalbezwaarprocedure ongegrond. Dit betekent dat de Belastingdienst alle bezwaren over het belastingrentepercentage voor de IB en overige belastingen afwijst. U krijgt hier niet zelf een bericht over.
Let op! Had u uitstel van betaling voor de belastingrente, dan krijgt u van de Belastingdienst nog wel een bericht dat het uitstel van betaling wordt ingetrokken.
Forfaits box 3 2025
De definitieve forfaits voor banktegoeden en schulden worden altijd pas na afloop van het jaar vastgesteld. Bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB 2025 gedurende 2025 rekende de Belastingdienst daarom met voorlopige forfaits. Voor banktegoeden bedroeg dit voorlopige forfait 1,44%. Dit forfait is nu voor 2025 definitief bepaald op 1,37%. Voor schulden rekende de Belastingdienst bij de voorlopige aanslag met het voorlopige forfait van 2,61%. Het definitieve forfait is nu vastgesteld op 2,70%.
Let op!Het definitieve forfait voor overige bezittingen was al langer bekend. Dit bedraagt voor 2025 5,88%.
Tegenbewijsregeling
Als uw werkelijke rendement in 2025 lager was dan het forfaitaire rendement, dan kunt u in 2025 een beroep doen op de tegenbewijsregeling. U betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over uw werkelijke rendement. Dit beroep op de tegenbewijsregeling kunt u meteen doen bij het indienen van de aangifte IB 2025. U hoeft hiervoor dus geen apart OWR-formulier in te vullen, zoals dat voor de jaren tot en met 2024 wel nodig is.
Let op!Houd er wel rekening mee dat het werkelijke rendement berekend moet worden volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3. Daarbij tellen bijvoorbeeld ongerealiseerde waardestijgingen van onroerend goed en beleggingen ook mee, ook als u deze nog niet te gelde heeft gemaakt.
Forfaits box 3 2026
De voorlopige en definitieve forfaits voor 2026 zijn overigens ook al bekend. Voor banktegoeden is dit forfait voorlopig vastgesteld op 1,28%, voor schulden voorlopig op 2,70% en voor overige bezittingen definitief op 6,00%. Bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB 2026 rekent de Belastingdienst in het jaar 2026 met deze forfaits.
Let op! Is uw werkelijke rendement in 2026 lager dan het forfaitaire rendement, dan kunt u in 2026 ook een beroep doen op de tegenbewijsregeling.
Wettelijke regeling: e-mail mag onder voorwaarde
In de wet is opgenomen dat een bestuursorgaan zoals een heffingsambtenaar van een gemeente of een belastingambtenaar een bericht – en dus ook een uitspraak op bezwaar – per e-mail aan u mag verzenden. Voorwaarde is dat u zelf aangeeft dat u voldoende bereikbaar bent op dit e-mailadres.
Wanneer kenbaar?
De vraag is wanneer u heeft aangegeven dat u voldoende bereikbaar bent op een e-mailadres.
In de rechtspraak speelde een zaak waarin een burger bezwaar had gemaakt tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Hij had een daarvoor bestemd online contactformulier ingevuld en digitaal naar de heffingsambtenaar van de gemeente gestuurd. Hij was daarbij verplicht om zijn e-mailadres in te vullen. De heffingsambtenaar was van mening dat de burger hiermee had aangegeven dat hij voldoende bereikbaar was op dit e-mailadres. Hij verzond de uitspraken op bezwaar dan ook per e-mail. De burger merkte de uitspraken op bezwaar niet op en was daardoor ‘te laat’ om in beroep te gaan.
Oordeel Hoge Raad
Uiteindelijk kwam de vraag of de burger had aangegeven dat hij voldoende bereikbaar was op het e-mailadres bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde in zijn algemeenheid dat een burger dit ‘meer of minder’ uitdrukkelijk kan doen. Daarbij moet de burger ook aangeven voor welke berichten hij voldoende bereikbaar is per e-mail en op welk e-mailadres.
Het is afhankelijk van de feiten en omstandigheden of een uiting of gedraging van een burger aan deze voorwaarden voldoet. De Hoge Raad gaf in zijn arrest een aantal aanwijzingen.
- Als de ambtenaar over het e-mailadres van de burger beschikt, betekent dit nog niet dat de burger kenbaar heeft gemaakt voldoende bereikbaar te zijn hierop.
- Als een burger online een verzoek doet en daarbij een e-mailadres opgeeft, betekent dit ook nog niet dat de burger daarmee – stilzwijgend – kenbaar heeft gemaakt voldoende bereikbaar te zijn hierop.
De Hoge Raad kwam dan ook tot het oordeel dat de heffingsambtenaar niet had kunnen concluderen dat de burger had aangegeven voldoende bereikbaar te zijn op het e-mailadres. Hij had dit immers alleen maar ingevuld op het contactformulier zonder verdere verklaring daarbij.
Advies Hoge Raad
Aan het arrest van de Hoge Raad kan nog een advies aan de ambtenaar ontleend worden. De ambtenaar kan altijd aan een burger vragen uitdrukkelijk aan te geven of hij de (bezwaar)procedure per e-mail wil voortzetten, daarop bereikbaar is en welk e-mailadres hij wil gebruiken. In het online contactformulier had de gemeente daar ruimte voor kunnen inrichten.
Let op! Bij de totstandkoming van de wettelijke regeling is in het parlement toegelicht dat, indien zowel post als e-mail mogelijk is bij de overheidsinstantie, u mag kiezen tussen communicatie per post of langs elektronische weg (bijvoorbeeld per e-mail). U bent zo’n geval dus niet verplicht om in te stemmen met communicatie per e-mail.