t
0344 647 000
|

Advieswijzer Fiets van de zaak

Bijtelling voor de ter beschikking gestelde fiets

Eigendom van de werkgever

 Voor de bijtelling van de fiets van de zaak geldt een forfait van 7% van de consumentenadviesprijs als de werkgever ‘ook voor privégebruik’ een fiets ter beschikking stelt aan de werknemer. Dit betekent dat de fiets eigendom blijft van de werkgever of door de werkgever wordt geleaset. De regeling geldt ook als de werknemer de fiets zelf leaset en alle kosten van de werkgever vergoed krijgt. Als de werknemer deze fiets gebruikt voor zijn woon-werkverkeer of voor zakelijke ritten, kan er voor die ritten geen sprake meer zijn van een onbelaste reiskostenvergoeding. De werknemer gebruikt dan immers voor deze ritten geen privévervoermiddel.

Het kan voorkomen dat de fiets gebruikt wordt voor woon-werkverkeer, maar dat op sommige dagen gebruikgemaakt wordt van een privévervoermiddel, zoals de auto. Voor de auto kan op de dagen waarop met het privévervoermiddel wordt gereisd een onbelaste vergoeding worden verstrekt. Omdat dit nogal administratief bewerkelijk is, is goedgekeurd dat werkgever en werknemer individueel afspraken maken over hoeveel dagen per week met de eigen auto wordt gereisd en hoeveel dagen per week met de fiets. Op basis van de afspraken kan een (vaste) onbelaste reiskostenvergoeding worden verschaft. De afspraken moeten zijn afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van de werknemer en moeten reëel zijn. Een incidentele afwijking hoeft echter niet te leiden tot een aanpassing van de vergoeding.Als de werkgever een fiets ter beschikking stelt, kunnen werkgever en werknemer samen kiezen voor een cafetariaregeling. De werknemer levert dan brutoloon in en krijgt in ruil daarvoor de fiets ter beschikking gesteld. Fiscaal levert dat een besparing op, omdat de werknemer voor de fiets slechts belast wordt voor het bedrag van het forfait van 7%. Voor een cafetariaregeling gelden specifieke eisen, met name voor het realiteitsgehalte ervan.

Let op!Betalingen aan derden komen niet in mindering op de bijtelling, maar kunt u wel onbelast vergoeden. Dat geldt ook voor de kosten van elektra, als de werknemer de elektrische fiets thuis oplaadt. Geeft u hiervoor een vaste vergoeding, onderbouw de kosten dan zo goed mogelijk en laat de werknemer enkele maanden bijhouden wat het verbruik aan elektra voor de elektrische fiets is.

Eigendom van de werknemer

Het komt ook voor dat de werkgever een fiets aan de werknemer verstrekt of de aanschafkosten van een privéfiets vergoedt. In dat geval is de fiets eigendom van de werknemer. De verstrekking of vergoeding is dan belast loon. Via de werkkostenregeling kan de fiets belastingvrij worden verstrekt. Is er geen vrije ruimte meer, dan betaalt de werkgever 80% belasting via de eindheffing.
De forfaitaire bijtelling voor privégebruik geldt niet als de fiets verstrekt wordt of als de aanschafkosten van een privéfiets vergoed worden. De werknemer gebruikt dan immers zijn eigen fiets voor zakelijke ritten en woon-werkverkeer. Hiervoor is een onbelaste reiskostenvergoeding van € 0,23 (2026) per kilometer wél mogelijk.

Tip! In tegenstelling tot de bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak, kan de werkgever de bijtelling voor de fiets onder de werkkostenregeling laten vallen. Dat kan voordelig zijn als er nog vrije ruimte in de WKR beschikbaar is die nog niet is ingevuld met andere secundaire arbeidsvoorwaarden. De medewerker krijgt dan op zijn loonstrook geen inhouding meer voor de loonheffing over de bijtelling van zijn fiets.

Let op!De vrije ruimte in de werkkostenregeling bedraagt in 2026 2% over de eerste € 400.000 van de loonsom en 1,18% over het meerdere daarvan.

Dga is werknemer

De regels voor werknemers gelden ook voor de dga van een bv. De dga wordt fiscaal gezien namelijk als werknemer aangemerkt.

Ook voor de zelfstandig ondernemer

De waardering van het voordeel van een fiets van de zaak op 7% geldt ook voor zelfstandig ondernemers. Effectief werkt dit hetzelfde als voor werknemers, zij het dat de 7%-bijtelling in dit geval bij de winst wordt opgeteld. Voor ondernemers geldt dat het bedrag van de bijtelling nooit meer kan bedragen dan de totale kosten van de fiets in het jaar.

Wel of geen privégebruik

De forfaitaire bijtelling is niet van toepassing als de werknemer de (deel)fiets alleen voor zakelijke ritten gebruikt en dus niet mee naar huis neemt. Wordt de fiets ook voor woon-werkverkeer gebruikt, dan geldt er een wettelijke fictie: de fiets wordt geacht ‘ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld indien de fiets ook voor woon-werkverkeer ter beschikking is gesteld’. Of de fiets ook daadwerkelijk privé wordt gebruikt, is voor deze regeling niet belangrijk. Anders dan bij een auto kan er bij gebruik van de fiets voor woon-werkverkeer dus geen ‘tegenbewijsregeling’ (rittenregistratie) gebruikt worden om aannemelijk te maken dat de fiets niet privé wordt gebruikt.

Let op!Ook als de fiets alleen privé wordt gebruikt en niet voor woon-werkverkeer, bijvoorbeeld omdat dit gezien de afstand niet mogelijk is, is de bijtellingsregeling van toepassing.

Tip! Worden deelfietsen die op de zaak of op een ander uitgiftepunt gestald staan ook voor woon-werkverkeer gebruikt, dan geldt voor die fiets de forfaitaire bijtelling. Lastig punt bij zo’n deelfiets is dan wel dat je als werknemer niet het hele jaar het exclusieve gebruiksrecht van de deelfiets hebt. In de wet is hier geen specifieke regeling voor getroffen. Per situatie zal dan gekeken moeten worden hoe de bijtelling berekend moet worden. Overleg met de Belastingdienst over deze deelfietsen is dan aan te raden.

De bijtelling is niet van toepassing als de fiets niet structureel thuis wordt gestald. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

  • Fietsen die niet meer dan 10% van de tijd bij het woonadres worden gestald. Van ‘stallen’ is sprake als een werknemer de fiets voor het huis kan zetten en de sleutel mee naar binnen kan nemen.
  • Deelfietsen die op kantoor of bij een hub worden opgehaald.
  • Dienstfietsen die alleen incidenteel mee naar huis gaan.

De bijtelling is wel van toepassing als de werknemer tijdens de rit naar huis omrijdt voor een privéboodschap. Het bovenstaande heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 en geldt ook voor de ondernemer met een fiets van de zaak.

Definitie van een fiets

Er bestaat geen wettelijke definitie van een fiets. Voor de loonbelasting telt daarom als fiets wat in het gewone spraakgebruik als fiets wordt gezien. De elektrische fiets of e-bike doet daar dus ook automatisch in mee.

Gewone brom- en snorfietsen vallen buiten de bijtellingsregeling voor fietsen. Wel valt door een wettelijke uitbreiding van het begrip ‘fiets’ in de loon- en inkomstenbelasting de speedpedelec onder het forfait van 7%. Een speedpedelec is een fiets met elektrische trapondersteuning met een maximale snelheid tussen de 25 en de 45 km per uur.

Fiscaal kunnen in deze regeling ook sportieve fietsen zoals een racefiets of mountainbike ingezet worden als fiets van de zaak.

Bijtelling over de consumentenadviesprijs

De in Nederland door de fabrikant of importeur publiek kenbaar gemaakte consumentenadviesprijs geldt als uitgangspunt voor de waarde waarover de bijtelling van 7% wordt berekend. Als er voor de fiets geen consumentenadviesprijs bekend is, moet de consumentenadviesprijs van de vergelijkbaarste fiets gehanteerd worden.

Deze waarde geldt zowel voor een nieuwe als voor een gebruikte fiets.

Tip! Het is daarom vaak aantrekkelijk de fiets na een aantal jaren door de werknemer in privé over te laten nemen. De werkgever mag voor wat betreft de overnameprijs uitgaan van de prijs bij aanschaf minus een afschrijving van 20% per jaar. Dit betekent dat de fiets na vijf jaar gratis door de werknemer zou kunnen worden overgenomen. De bijtelling van 7% vervalt vanaf dat moment. Voor zakelijk gefietste kilometers, inclusief woon-werkverkeer, kan dan een onbelaste vergoeding van € 0,23 (2026) per km worden verstrekt. Daarnaast kan de werkgever voor de overnameprijs van de fiets desgewenst een renteloze lening verstrekken.

Voor gebruikte fietsen zal het niet altijd makkelijk zijn om de oorspronkelijke consumentenadviesprijs te achterhalen. De gezamenlijke fietsimporteurs en fabrikanten hebben daarom via de Stichting Digitaal Samenwerken Tweewielerbranche een onlinetool beschikbaar gesteld op de website www.bijtellingzakelijkefiets.nl.

Btw aftrekbaar onder voorwaarden

Naast het effect op de loonbelasting kan de mate van gebruik voor woon-werkverkeer indirect ook van belang zijn voor de btw-aftrek op de fiets. De btw op de aankoop of de leasetermijnen is tot maximaal € 130 aftrekbaar.

Aan deze aftrek zijn in het BUA (Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting) wel voorwaarden verbonden. Die houden in dat de werkgever in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren aan de werknemer niet eerder een fiets heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld. Daarnaast mag de werkgever voor deze btw-aftrek vanaf het verstrekken of ter beschikking stellen van de fiets tot het einde van het kalenderjaar en in elk van de twee volgende kalenderjaren niet voor 50% of meer van het aantal dagen een reiskostenvergoeding verstrekken of op een andere manier voorzien in woon-werkverkeer.

Praktisch bezien betekent dit dus bijvoorbeeld géén btw-aftrek als de medewerker naast de fiets ook een auto van de zaak heeft, maar bijvoorbeeld wel btw-aftrek als de medewerker alle dagen per fiets reist en geen reiskostenvergoeding meer krijgt.

De aftrekbeperking van de btw tot maximaal € 130 geldt niet voor de zakelijke fiets van de ondernemer zelf. Deze zal daarom het privégebruik zo goed mogelijk moeten schatten en kan vervolgens dit deel van de btw niet aftrekken.

Eigen bijdrage voor privégebruik

De bijtelling voor het privégebruik van de ter beschikking gestelde fiets van de zaak betreft het bedrag dat bij de werknemer wordt belast voor het privé kunnen gebruiken van de fiets. Feitelijk gaat het daarbij om vaststelling van loon in natura. Voor zover de werknemer zelf de kosten van die fiets betaalt in de vorm van een vergoeding voor privégebruik, is er geen sprake van een belast voordeel en daarom ook niet van fiscaal loon in natura. In de wet is het zo geregeld dat de bijtelling belast wordt ‘voor zover deze uitgaat boven de vergoeding die de werknemer voor het gebruik voor privédoeleinden is verschuldigd’.

Tip! Belangrijk is dan wel dat de werkgever de bijdrage van de werknemer juridisch en administratief de vorm geeft van een vergoeding voor privégebruik en dat dit administratief via de loonstrook verwerkt wordt.

Betaalt de werknemer een eigen bijdrage voor de ter beschikking gestelde fiets, dan is die bijdrage belast met btw. Voor de btw-aftrek van maximaal € 130 moet vervolgens worden beoordeeld of de inkoopprijs minus de eigen bijdrage hoger of lager is dan € 749 inclusief btw. Als het saldo niet hoger is dan dit bedrag, komt de voor de inkoop/lease van de fiets aan de ondernemer in rekening gebrachte btw volledig voor aftrek in aanmerking.

Als de inkoopprijs of het totaal van de leasetermijnen na aftrek van de eigen bijdrage van de werknemer hoger is dan € 749 inclusief btw, is de aftrek van btw uitgesloten voor het bedrag dat uitkomt boven € 749.

Investeringsaftrek

Op zakelijke, al dan niet ter beschikking gestelde fietsen kunt u in aanmerking komen voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Op elektrische bakfietsen of cargobikes (bakfiets voor vrachtvervoer) krijgt u daarnaast 36% milieu-investeringsaftrek (MIA), beide over 90% van het bedrag van de investering. Is de bakfiets of cargobike ook voorzien van zonnepanelen, dan bedraagt de MIA 45% en de Vamil 75%, ook nu over 90% van het investeringsbedrag. 

Verder kunt u 45% MIA en 75% Vamil krijgen voor een oplaadkluis voor het laden van lithium-ion accu’s bestemd voor het laden van lithium-ion accu’s van elektrische fietsen en brom- of snorfietsen. Ook kunt u 45% MIA krijgen en 75% Vamil voor een draadloos oplaadpunt voor het elektrisch laden en al dan niet ontladen van accu’s van uitsluitend eigen of voor eigen gebruik ingezette elektrische (bak)fietsen en speed-pedelecs met een oplaadpunt dat slimme oplaadfuncties ondersteunt. Bovengenoemde investeringsaftrek geldt ook bij operationele lease, waarbij de leasemaatschappij de aftrek toepast. Er geldt wel een aantal aanvullende voorwaarden. Zo moet onder andere het gewicht van de bakfiets of cargobike minstens 75 kilo bedragen. De MIA en Vamil gelden ook voor een eventuele aanhangwagen en wisselaccu.

Tip! Om voor de MIA en willekeurige afschrijving in aanmerking te komen, moet de investering binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting(en) zijn aangemeld bij de RVO.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

 

Als de Eerste Kamer op een later moment ook instemt met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, wordt vanaf 2028 in box 3 het werkelijke rendement op uw vermogen belast.

Gerealiseerd rendement

Het werkelijke rendement betreft de zogenaamde reguliere voordelen, bijvoorbeeld de rente op bank- en spaarrekeningen, dividenden op beleggingen en huuropbrengsten. Onder het werkelijke rendement vallen echter ook verkoopwinsten en -verliezen op beleggingen en overige bezittingen.

Ook ongerealiseerd rendement

Naast gerealiseerde rendementen tellen ook ongerealiseerde rendementen mee. De jaarlijkse waardeontwikkelingen van uw beleggingen en overige bezittingen behoren dus ook tot uw werkelijke rendement vanaf 2028. Voor deze bezittingen geldt een zogenaamde vermogensaanwasbelasting.

Bij uitzondering vermogenswinstbelasting

Voor onroerende zaken omvat het werkelijke rendement – naast het directe rendement zoals de huuropbrengst – ook gerealiseerde winsten of verliezen, bijvoorbeeld door verkoop van de onroerende zaak. U hoeft bij onroerende zaken vanaf 2028 echter niet de jaarlijkse waardeontwikkeling tot uw werkelijke rendement te rekenen. Voor onroerende zaken geldt namelijk als uitzondering een vermogenswinstbelasting. Zo’n zelfde uitzondering geldt voor aandelen in start-ups en scale-ups.

Let op!De Tweede Kamer heeft de regering de opdracht gegeven om een passende en afgebakende definitie van familiebedrijven uit te werken en te bekijken hoe aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting in plaats van een vermogensaanwasbelasting belast kunnen worden in het nieuwe box 3-stelsel.

Vastgoedbijtelling

Voor onroerende zaken die minder dan 90% van het jaar verhuurd worden, geldt een zogenaamde vastgoedbijtelling van 3,35% van de WOZ-waarde, als dit hoger is dan de werkelijke huurinkomsten. Dit betekent dat ook als de onroerende zaak in het geheel niet verhuurd wordt, bijvoorbeeld een vakantiewoning voor eigen gebruik, er toch altijd een rendement van 3,35% van de WOZ-waarde in aanmerking moet worden genomen.

Let op!De vastgoedbijtelling ligt onder het vergrootglas van de Tweede Kamer. Zo heeft de Tweede Kamer de regering verzocht het vastgoedbijtellingspercentage waar mogelijk voor 1 januari 2028 al te actualiseren, een aanvullend onderzoek te doen naar de rendementen op specifiek vakantiewoningen en een verkenning te doen naar een uitvoerbare tegenbewijsregeling.

Kostenaftrek

Bij het berekenen van uw werkelijke rendement mag u vanaf 2028 rekening houden met kosten zoals de betaalde rente, de kosten van een bankrekening, de kosten bij aan- en verkoop van uw beleggingen en overige bezittingen en de onderhouds- en andere periodieke kosten van uw onroerende zaken.

Tarief

Het voorgestelde tarief in box 3 vanaf 2028 bedraagt 36%. U betaalt dan 36% belasting over uw werkelijke rendement, verminderd met een heffingsvrij inkomen van € 1.800.

Let op! Heeft u in een jaar een negatief rendement, dan mag u dat in aftrek brengen op positieve rendementen in de volgende kalenderjaren. Er gaat wel een verliesdrempel van € 500 gelden. De eerste € 500 aan negatief rendement is dus niet verrekenbaar.

Verschil huidig box 3-stelsel

In het huidige box 3-stelsel wordt nog een forfaitair rendement – onderverdeeld in bank- en spaartegoeden, schulden en overige bezittingen – belast. Als uw werkelijke rendement lager is, kunt u een beroep doen op de tegenbewijsregeling. In het nieuwe stelsel vanaf 2028 wordt in box 3 alleen nog het werkelijke rendement belast.

De wijze waarop het werkelijke rendement vanaf 2028 berekend wordt, wijkt ook af van de wijze waarop het werkelijke rendement in de jaren tot en met 2027 onder de tegenbewijsregeling berekend wordt.

Vanaf 2028?

Voorwaarde om de beoogde ingangsdatum van het nieuwe box 3-stelsel te halen, was dat de Tweede Kamer uiterlijk 15 maart 2026 zou instemmen. Dat is gelukt. Houd er wel rekening mee dat de Eerste Kamer dus ook nog in moet stemmen. Hiervoor is op dit moment nog geen uiterste datum bekend.

Wijziging naar volledige vermogenswinstbelasting

Het nieuwe box 3-stelsel vanaf 2028 is omstreden. De Tweede Kamer stemde met tegenzin in, met name vanwege de vermogensaanwasbelasting. Ook de nieuwe coalitie heeft in het coalitieakkoord opgenomen dat zij het nieuwe box 3-stelsel van een vermogensaanwasbelasting willen omvormen naar een vermogenswinstbelasting. 

De Tweede Kamer heeft de regering de opdracht meegegeven om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029, een box 3-stelsel gebaseerd op vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief dekkingsopties. Naast deze opdracht gaf de Tweede Kamer de regering nog andere opdrachten mee over verschillende onderdelen van het nieuwe box 3-stelsel.

Wanneer doet u aangifte?

Heeft u van uw ouders een schenking ontvangen, dan is deze in 2025 tot en met een bedrag van € 6.713 vrijgesteld van belasting. Was de schenking meer dan € 6.713, dan doet u aangifte schenkbelasting.

Gaat het niet om de schenking van uw ouders maar van een ander, dan geldt voor 2025 een vrijstelling van belasting voor een bedrag tot en met € 2.690 per schenker. Ontving u meer dan € 2.690 van dezelfde schenker, dan moet u aangifte schenkbelasting doen.

Eenmalig verhoogde vrijstellingen

Voor kinderen van 18 jaar tot 40 jaar die een schenking van hun ouders ontvangen, geldt voor 2025 eenmalig een verhoogd vrijgesteld bedrag van € 32.195. Wordt het geld aantoonbaar gebruikt voor een dure studie, dan bedroeg de hoogte in 2025 € 67.064. 

Let op! Doet u een beroep op een schenking van een van deze eenmalige verhoogde vrijstellingen, dan moet u altijd aangifte schenkbelasting doen.

Hoe aangifte schenkbelasting doen?

U kunt online uw aangifte schenkbelasting indienen. U logt in met uw DigiD en vult de benodigde gegevens in. U hoeft geen rekening te houden met de vrijstellingen, want dit doet het programma automatisch. U krijgt geen berekening te zien van de te betalen schenkbelasting.

Tip! U kunt op de site van de Belastingdienst berekenen hoe hoog de te betalen schenkbelasting is. U dient de noodzakelijke gegevens in te vullen, waaronder de omvang van het ontvangen bedrag. Ook is van belang wie de schenkbelasting betaalt. Vervolgens berekent het programma de te betalen belasting.

Voorbeeld
U ontving in 2025 van uw ouders een schenking van € 10.000. Er wordt geen beroep gedaan op de eenmalig verhoogde vrijstelling. De te betalen schenkbelasting bedraagt dan € 328. Van het geschonken bedrag is namelijk € 3.287 (€ 10.000 -/- € 6.713) niet vrijgesteld. Hierover moet 10% schenkbelasting worden afgedragen.

Let op! Zorg dat uw aangifte schenkbelasting over 2025 vóór 1 maart 2026 bij de Belastingdienst is ingediend.

Waardeverschil € 45.000

Over bovenstaande vraag moest het gerechtshof Den Haag oordelen in een zaak die was aangespannen door een vrouw die de bovenste etage van een appartementencomplex bewoonde. De WOZ-waarde van haar appartement was voor het jaar 2023 vastgesteld op € 671.000, terwijl vrijwel identieke appartementen in hetzelfde complex op € 626.000 waren gewaardeerd.

Diverse voordelen

Volgens de gemeente was de hogere waarde gerechtvaardigd, omdat de ligging op de bovenste etage diverse voordelen bood. Zo was er vanwege deze ligging meer privacy, geen mogelijke overlast van bovenburen, een beter uitzicht en minder straatlawaai.

Verwaarloosbare verschillen

Volgens het Hof was er in deze casus echter sprake van verwaarloosbare verschillen tussen de appartementen onderling en kon er dus een beroep worden gedaan op de meerderheidsregel. Voor de waardebepaling is dan de WOZ-waarde van de meerderheid van andere, identieke woningen bepalend. De enkele ligging op de bovenste etage deed hier niet aan af. Er waren ook geen bijzondere voorzieningen, zodat er hier van een penthouse geen sprake was.

Verkoopcijfers

Het Hof hechtte ook waarde aan het feit dat uit verkoopcijfers bleek dat appartementen op de bovenste etage geen hogere waarde hadden. De vrouw werd dan ook in het gelijkgesteld en de waarde van haar appartement bepaald op € 626.000.