t
0344 647 000
|

Wanneer hoort een garage bij uw woning?

Voorwaarden voor aanhorigheid

Volgens een arrest uit 1993 van de Hoge Raad dient een garage als een aanhorigheid aangemerkt te worden als deze hoort bij de woning, in gebruik is bij de woning en dienstbaar is aan de woning. Wanneer een garage bij een woning hoort, is door de Hoge Raad aangegeven in een arrest uit 1980.

Behorend bij de woning?

Of een garage bij een woning hoort, is volgens dit arrest afhankelijk van diverse factoren, zoals de afstand van de garage tot de woning, de bouwkundige situatie en de bereikbaarheid vanuit het woonhuis of de tuin van het woonhuis. Voor wat betreft de bouwkundige situatie kan met name een rol spelen of de garage met de woning in een bouwblok of in hetzelfde wooncomplex is gelegen.

Aanhorigheid of niet?

In een zaak die speelde voor rechtbank Zeeland-West-Brabant ging het om de vraag of de twee garages die een belastingplichtige bezat, als aanhorigheid bij zijn woning konden worden aangemerkt en dus moesten worden belast in box 1. De beide garages lagen op 75 meter loopafstand van de woning en uit een luchtfoto bleek dat ze ook op een ander perceel dan de woning lagen.

Rechtbank: geen aanhorigheid

De rechtbank vond dat er op grond van bovengenoemde omstandigheden geen sprake was van een aanhorigheid. Bovendien kon de eigenaar van de woning en de garages niet aannemelijk maken dat de garages in gebruik waren bij de woning en hieraan dienstbaar waren. De rechtbank was dan ook van mening dat de garages terecht als vermogen in box 3 belast waren, zoals eerder was opgelegd door de inspecteur.

Tegenbewijsregeling box 3

Vorig jaar oordeelde de Hoge Raad dat u in box 3 het – door de Hoge Raad gedefinieerde – werkelijke rendement in aanmerking mag nemen als dit lager is dan het wettelijk vastgestelde rendement. De Hoge Raad gaf aanwijzingen hoe dit werkelijke rendement berekend moet worden. De tegenbewijsregeling box 3 is gebaseerd op de aanwijzingen van de Hoge Raad. Een belastingplichtige met een werkelijk rendement dat lager is dan het wettelijk vastgestelde rendement kan mogelijk een beroep doen op deze tegenbewijsregeling.

Let op! Om een beroep te doen op de tegenbewijsregeling, moet u verplicht gebruikmaken van het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR).

Werkelijke rendement

Voor een beroep op de tegenbewijsregeling moet u dus uw werkelijke rendement berekenen. In dit verband is aan de Belastingdienst gevraagd op welke wijze het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van een minderjarige kind aan de ouder(s) moet worden toegerekend,  als dat kind in de loop van het kalenderjaar meerderjarig wordt.

Toerekening box 3 kind aan ouder

Het wettelijk vastgestelde rendement is gebaseerd op de rendementsgrondslag aan het begin van een kalenderjaar. De rendementsgrondslag van een minderjarig kind wordt toegerekend aan de ouder(s) die het gezag uitoefent/uitoefenen. Dit betekent dat als een kind op 1 januari nog minderjarig is, zijn rendementsgrondslag wordt toegerekend aan de ouder(s). Het is daarbij niet relevant of dat kind al dan niet meerderjarig wordt in het kalenderjaar.

Toerekening werkelijke rendement kind aan ouder

Het meerderjarig worden van een kind in het kalenderjaar is echter wel relevant voor de berekening van het werkelijke rendement in het kader van de tegenbewijsregeling. Voor de toerekening van het werkelijke rendement is namelijk niet de peildatum van 1 januari van belang. Het gaat om het werkelijke rendement gedurende het hele kalenderjaar, inclusief rendement van bezittingen en schulden die op de peildatum van 1 januari nog niet in het bezit van het kind waren.

Wordt het kind in de loop van het kalenderjaar meerderjarig, dan wordt alleen het werkelijke rendement van het kind tot aan de verjaardag van het kind toegerekend aan de ouder(s).

Let op! Het werkelijke rendement vanaf de verjaardag van het kind tot en met 31 december wordt aan niemand toegerekend, ook niet aan het kind. Het kind was immers op peildatum (1 januari) nog minderjarig en zal daarom in dat jaar nog geen box 3-aanslag opgelegd krijgen. Dat dit zo werkt is door de Belastingdienst ook bevestigd.

Meer informatie

Heeft u vragen over de toerekening van het werkelijke rendement van uw kind of een andere vraag over de tegenbewijsregeling box 3, neem dan contact op met een van onze adviseurs.

9% btw-tarief

Het 9% btw-tarief is van toepassing op de levering van hulpmiddelen zoals opgenomen in Tabel 1, post a.34 van de Wet OB. In deze post zijn invalidewagentjes, invalidekrukken, sta-op stoelen en hoog-laag bedden opgenomen. Deze hulpmiddelen mogen dan ook geleverd worden tegen 9% btw.

Toiletlift

Een toiletlift helpt iemand met verminderde spiercapaciteit bij het gaan zitten en weer opstaan van een toilet. De Belastingdienst is van mening dat het 9% btw-tarief niet van toepassing is op de levering van een toiletlift, omdat deze niet is opgenomen in de hiervoor benoemde post a.34.

Toiletlift niet gelijk aan sta-op stoel

De Belastingdienst vindt een toiletlift ook niet vergelijkbaar met een sta-op stoel omdat een toiletlift niet de functie van een stoel heeft. Het maakt daarbij naar de mening van de Belastingdienst niet uit dat een toiletlift een vergelijkbaar sta-op mechanisme heeft als een sta-op stoel en ook een hulpmiddel is voor mensen die niet zelfstandig kunnen opstaan.
Een toiletlift is ook niet vergelijkbaar met een invalidewagentje, invalidekrukken of een hoog-laag bed, aldus de Belastingdienst.

Daarom is post a.34 niet van toepassing. Omdat een toiletlift ook niet vergelijkbaar is met enig ander product of hulpmiddel uit een ander post van Tabel I is het 9% btw-tarief niet van toepassing.

Lijfrentes

Personen die onvoldoende of geen pensioen opbouwen, kunnen via de aanschaf van een lijfrente zelf zorgen voor extra inkomen op hun oude dag. Lijfrentepremies zijn in beginsel aftrekbaar, maar slechts tot het bedrag dat in relatie staat tot het huidige inkomen. 

Jaarruimte

Het bedrag aan lijfrentepremie dat u jaarlijks mag aftrekken, is afhankelijk van verschillende factoren. Met name uw inkomen is van belang en dus kunt u via de tool diverse inkomensbronnen opvoeren, zoals winst, uitkeringen en eventuele alimentatie inkomsten. Daarnaast is van belang of u het voorafgaande jaar al pensioen heeft opgebouwd. Ook dit kunt u via de tool  aangeven.

Reserveringsruimte

Via de tool  kan ook inzichtelijk worden gemaakt welke bedragen aan lijfrentes u de afgelopen tien jaar af had mogen trekken. Is niet het volledige bedrag aan de aankoop van lijfrentes besteed, dan kan deze ruimte, de zogenaamde reserveringsruimte, alsnog aan de aankoop van een aftrekbare lijfrente worden besteed. 

Gegevens nodig

De tool is eenvoudig in het gebruik, maar u dient uiteraard wel over de juiste inkomens- en pensioengegevens te beschikken. Uw inkomensgegevens kunt u afleiden uit uw aangiftes van de voorgaande jaren. Uw pensioenaangroei wordt jaarlijks verstrekt door uw pensioenfonds of -verzekeraar.

Tip! Heeft u vragen over de juiste inkomensgegevens? Neem dan even contact met uw adviseur, deze kan even met u meekijken en indien gewenst verder helpen.

Let op! Voor de omvang van de pensioenaangroei in 2024 gaat de tool uit van de  pensioenregeling zoals die op 30 juni 2023 al bestond en die na 2023 niet is aangepast aan de fiscale kaders van de Wet toekomst pensioenen. De aangroei voor een pensioenregeling tot de wet toekomst pensioenen en nadat deze is aangepast, verschillen. Beoordeel de pensioenregeling dus zorgvuldig.