t
0344 647 000
|

Het belasten van inkomsten uit daytrading

Winst of resultaat uit overige werkzaamheden?

Onlangs werd voor de rechtbank Noord-Holland een procedure gevoerd over de vraag of positief behaalde resultaten met daytrading belast zijn in box 1. In de betreffende zaak ging het om een daytrader die met zijn voormalige werkgever een samenwerkingsovereenkomst inzake daytrading was aangegaan. Hiermee behaalde hij positieve resultaten die varieerden van € 137.000 tot meer dan € 800.000 per jaar. 

Volgens de inspecteur diende dit resultaat te worden aangemerkt en belast als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden (row). Volgens de daytrader diende het vermogen belast te worden in box 3.

Bron van inkomen

De rechtbank stelde dat het resultaat belast zou zijn als winst of row als er sprake zou zijn van een bron van inkomen. Hiervoor is vereist dat er deelname is aan het economische verkeer, gericht op het behalen van voordeel en dat dit voordeel ook redelijkerwijs te verwachten is. Partijen verschilden van mening over de vraag of aan de laatste eis, dus dat een voordeel redelijker wijs te verwachten is, werd voldaan.

Voordeel redelijkerwijs te verwachten?

Ondanks de forse positieve resultaten gedurende vele jaren, komt de rechtbank tot de conclusie dat niet redelijkerwijs te verwachten was dat de daytrader voordeel zou behalen met zijn handelen. De rechtbank acht daytrading speculatief van aard, in een open markt, waarbij koersbewegingen niet te voorspellen zijn. De verrichte hoeveelheid arbeid is bovendien niet van invloed op het resultaat.

Resultaat staat los van speculatieve karakter

De positieve resultaten staan volgens de rechtbank ook los van het speculatieve karakter van daytrading. Ook het samenwerkingsverband met zijn ex-werkgever maken niet dat koersen beter voorspeld kunnen worden, aldus de rechtbank. Ook was er hierdoor geen sprake van lagere transactiekosten.

Collega’s minder succesrijk

De daytrader voerde tevens aan dat enkele collega’s een stuk minder succesvol waren geweest en enkelen zelfs een resultaat hadden behaald van enkele tonnen negatief. De rechtbank was het dan ook met hem eens dat het resultaat onbelast diende te blijven en er belastingheffing in box 3 diende te volgen.

Winst nertsenhandel verzwegen

In een zaak die speelde voor rechtbank Zeeland-West-Brabant, had de dga van een bv – die handelde in nertsenvellen – een deel van de winst verzwegen. Dit deel was op een buitenlandse bankrekening gestort en ook het saldo op deze bankrekening was verzwegen voor de fiscus. Na ontdekking hiervan leverde dit navorderingsaanslagen op, voor zowel voor de dga als voor zijn partner. Ook werden aan beiden vergrijpboetes opgelegd wegens opzet.

Navorderingsaanslagen partner terecht

De rechtbank stelde vast dat de navorderingsaanslagen voor zowel de dga als zijn partner terecht waren opgelegd. De partner stelde weliswaar dat ze niet van de verzwegen inkomsten op de hoogte was, maar dat is volgens de rechtbank niet van belang. Indien belastingplichtigen niet anders kiezen, wordt dit volgens de wet voor de helft aan beide partners toegerekend.

Boete partner dga onterecht

De rechtbank stelde echter ook vast dat de vergrijpboetes voor de partner van de dga wel onterecht was opgelegd. De inspecteur kon namelijk niet hard maken dat de partner op de hoogte was geweest van het bestaan van de buitenlandse bankrekening. Deze bankrekening stond ook alleen op naam van haar partner. Bovendien hield ze zich niet bezig met de feitelijke bedrijfsvoering of de administratie, noch met haar aangifte. 

Pas na brief inspecteur

Ze gaf aan pas op de hoogte te zijn gekomen van de verzwegen bankrekening, nadat ze hierover van de inspecteur een brief had ontvangen. De inspecteur had dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de partner al eerder dan het moment van correspondentie op de hoogte was en de inkomsten dus bewust verzwegen had. Voor de dga zelf stond wel vast dat deze op de hoogte was. 

Boetes geschrapt

De rechtbank schrapte voor de partner van de dga dan ook de opgelegde vergrijpboetes.

Uitzendregeling

De uitzendregeling is van toepassing als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • U of uw fiscale partner is al minimaal één jaar eigenaar van de woning. Deze woning vormt ook al minimaal één jaar uw hoofdverblijf op het moment dat u tijdelijk ergens anders gaat wonen in verband met een uitzending of overplaatsing.
  • Na afloop van de uitzending of overplaatsing gaat u weer in de woning wonen.
  • U gaat tijdens de uitzending of overplaatsing niet in een andere eigen woning als hoofdverblijf wonen.
  • Er mogen in principe geen anderen in uw woning wonen in de periode dat u elders woont.

Let op! Om gebruik te kunnen maken van de uitzendregeling, moet u een verzoek doen om deze toe te passen.

Personen die wel in uw woning mogen wonen

Buiten de wet om is goedgekeurd dat bepaalde personen toch in uw woning mogen wonen, zonder dat dit in de weg staat aan toepassing van de uitzendregeling. Voorwaarde is dat zij geen huur of een andere vergoeding aan u betalen. Het gaat om de volgende personen:

  • De kinderen van u, uw fiscale partner of een persoon die direct voorafgaand aan uw uitzending of overplaatsing uw fiscale partner is.
  • Uw fiscale partner of een persoon die door uw uitzending of overplaatsing niet meer kwalificeert als uw fiscale partner.
  • Personen die al minimaal één jaar tot uw huishouden horen op het moment dat u tijdelijk ergens anders gaat wonen (bijvoorbeeld een hulpbehoevende ouder).

Opname in wet en uitbreiding

De goedkeuring dat deze personen toch in uw woning mogen wonen tijdens toepassing van de uitzendregeling, wordt opgenomen in de wet. Daarbij vindt een uitbreiding van de goedkeuring plaats. Naast kinderen, wordt in de wet opgenomen dat ook andere bloed- en aanverwanten in de rechte neergaande lijn in de woning mogen wonen tijdens toepassing van de uitzendregeling. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook uw kleinkind of achterkleinkind in uw woning kan wonen tijdens uw uitzending.

Fiscale verzamelwet 2026

De aanpassingen zijn opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2026, welke onlangs aan de Tweede Kamer is aangeboden. De Tweede en Eerste Kamer moeten nog instemmen met dit wetsvoorstel. De aanpassingen zijn daarom nog niet definitief.

Vermogensrecht of niet?

Voor het Hof en de Hoge Raad was met name in geschil of cryptovaluta zijn aan te merken als vermogensbestanddelen die tot de rendementstoeslag behoren in box 3. De betreffende belastingplichtige vond van niet, omdat cryptovaluta volgens het burgerlijk wetboek niet tot de vermogensrechten behoren. Ook voerde belastingplichtige  aan dat er bij cryptovaluta geen sprake is van een schuld aan degene die de cryptovaluta bezit.

Ruimere betekenis

Volgens het Hof is echter uit de wetsgeschiedenis gebleken dat vermogensrechten fiscaal gezien een ruimere betekenis hebben. Ook vertegenwoordigen cryptovaluta een economische waarde en kunnen ze verhandeld worden door verzending van de ene naar de andere wallet. Tevens kunnen ze ook  worden verzilverd en leveren de verkoper dan een opbrengst op.

Het Hof komt dan ook tot de conclusie dat cryptovaluta terecht zijn belast in box 3. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan.