t
0344 647 000
|

Onbelaste reiskostenvergoeding blijft €0,23/km

Doeltreffend en doelmatig

Het onderzoek is in opdracht van het Ministerie van Financiën verricht. De onderzoekers komen tot de conclusie dat de onbelaste reiskostenvergoeding van €0,23/km doeltreffend en waarschijnlijk doelmatig is.

Alternatieven

In de reactie wordt ingegaan op een aantal aspecten van de vergoeding. Zo wordt ingegaan op het doel van de regeling en op het gebruik ervan. Ook wordt in het onderzoek aandacht besteed aan enkele alternatieven, zoals het verhogen of verlagen van het bedrag van de belastingvrije vergoeding.

Variabele autokosten

Opmerkelijk is dat de regeling als doelmatig wordt aangemerkt omdat de onbelaste reiskostenvergoeding de variabele autokosten van een middenklasse auto veelal dekt. Het feit dat werknemers ook met vaste autokosten te maken krijgen en hiervoor geen belastingvrije vergoeding kunnen ontvangen, wordt afgedaan met een verwijzing naar keuzes uit het verleden.

Aanbevelingen

In de reactie wordt ook ingegaan op de aanbevelingen van het rapport, maar dit leidt tot weinig nieuws. Zo wordt aanbevolen te voorkomen dat een vergoeding voor zakelijke kosten belast wordt als loon. De staatssecretaris neemt deze over, evenals de aanbeveling de regeling periodiek te evalueren. Ook wordt bezien of de communicatie inzake de samenloop van de onbelaste reiskosten- en thuiswerkvergoeding geïntensiveerd kan worden. Deze samenloop blijkt in de praktijk ingewikkeld te worden gevonden. De staatssecretaris onderschrijft ook de wens om het inzicht te vergroten inzake het gedrag van werkgevers voor wat betreft wijzigingen van de vergoeding.

Hoofdregel toekomstige box 3: vermogensaanwasbelasting

Hoofdregel in het voorgestelde nieuwe box 3-stelsel is om het totale werkelijke rendement in box 3 te belasten volgens een vermogensaanwasbelasting. Dit houdt in dat ook de niet-gerealiseerde waardeontwikkeling van het vermogen in een jaar in box 3 belast wordt.

Uitzonderingen onder vermogenswinstbelasting

Er zijn ook uitzonderingen voorgesteld. Zo worden onroerende zaken en aandelen in innovatieve startups en scale ups in het voorstel belast volgens een vermogenswinstbelasting. Dit betekent dat alleen bij realisatie (bijvoorbeeld bij verkoop) de vermogenswinst in box 3 belast wordt.

2027?

Om de beoogde ingangsdatum van 1 januari 2027 te kunnen halen, moest nog in mei beslist worden of de procedure voor het nieuwe box 3-stelsel kon worden voortgezet. Dit zou eigenlijk beslist worden na een debat op 22 mei. Dit debat is echter uitgesteld naar 11 juni. Om die reden is een motie ingediend waarin de regering verzocht wordt om het voorbereidingsproces voort te zetten. Nu de Tweede Kamer deze motie op 28 mei 2024 heeft aangenomen, kan de regering door met dit voorbereidingsproces en lijkt invoering per 1 januari 2027 dus nog mogelijk.

Let op! De aanname van de motie betekent niet dat ook zeker is dat de datum van 2027 gehaald wordt. De staatssecretaris meldde eerder al in een brief dat het huidige voorstel veel van de systemen van de Belastingdienst vraagt en daarom hoogstwaarschijnlijk niet volledig in 2027 geïmplementeerd kan worden. Daarnaast kunnen de uitkomsten van arresten van de Hoge Raad over het huidige box 3-stelsel veel van de systemen vragen en voor nog meer vertraging zorgen.

Definitieve aanslag IB 2023

Eerder lieten wij u al weten dat de Belastingdienst definitieve aanslagen inkomstenbelasting (IB) 2023 met box 3 vermogen dat alleen bestaat uit bank- en spaartegoeden niet aanhoudt. Dit betekent dat u mogelijk al een definitieve aanslag IB 2023 heeft ontvangen of binnenkort ontvangt.

Bezwaar vanwege lager werkelijk rendement?

De Hoge Raad doet waarschijnlijk in augustus/september 2024 een belangrijke uitspraak. De kans bestaat dat de Hoge Raad gaat beslissen dat de box 3-heffing moet plaatsvinden op basis van uw werkelijke rendement uit uw vermogen als dit lager is dan het rendement dat volgt uit de wettelijke bepalingen.

Om die reden is het verstandig om bij ontvangst van een definitieve aanslag uw werkelijke rendement te (laten) vergelijken met het rendement in uw aanslag. Is dit werkelijke rendement (veel) lager, dan kunt u alleen uw rechten veilig stellen als u binnen zes weken na ontvangst van de definitieve aanslag IB 2023 in bezwaar komt.

Bezwaar vanwege mogelijke strijd met Europees recht

Het forfaitaire rendement voor bank- en spaartegoeden in box 3 voor het jaar 2023 is in 2024 met terugwerkende kracht naar 1 januari 2023 vastgesteld op 0,92%. Mogelijk is deze vaststelling achteraf in strijd met Europees recht.

Het zou kunnen dat de Hoge Raad in de toekomst beslist dat het forfaitaire rendementspercentage over 2023 niet hoger mag zijn dan 0,01%. De kansen hierop zijn moeilijk in te schatten. Als de Hoge Raad tot zo’n oordeel komt, kunt u waarschijnlijk alleen nog een beroep daarop doen als u binnen zes weken na ontvangst van de definitieve aanslag IB 2023 in bezwaar komt.

Bezwaar?

Of het daadwerkelijk zin heeft om in bezwaar te gaan tegen uw definitieve aanslag IB 2023 is afhankelijk van uw persoonlijke situatie. Hoe groot is bijvoorbeeld het verschil tussen uw werkelijke rendement en het wettelijke rendement? En hoe groot is het verschil in rendement berekend tegen 0,92% en tegen 0,01%? Wat betekent dit voor de hoogte van uw aanslag IB 2023?

Aan de hand van onder meer deze vragen kunt u beoordelen of in bezwaar gaan zinvol is. Neem contact op met een van onze adviseurs voor overleg over uw persoonlijke situatie.

Jubelton

Tot en met 2022 bestond er onder voorwaarden een eenmalige vrijstelling in de schenkbelasting van ruim € 100.000 voor schenkingen ten behoeve van een eigen woning. De vrijstelling is in 2023 fors verlaagd en per 2024 helemaal afgeschaft.

Kruislings schenken

Tijdens het bestaan van de vrijstelling is regelmatig aan de orde geweest of er meerdere malen van kon worden geprofiteerd door middel van kruislings schenken. Daarbij spreken verschillende partijen bijvoorbeeld af dat aan elkaars kinderen schenkingen worden gedaan ten behoeve van de eigen woning. Op die manier zou niet alleen de eigen schenking zijn vrijgesteld, maar ook die schenking die verkregen werd door de derde partij waarmee de afspraak was gemaakt om kruislings te schenken.

In strijd met de wet

Het gerechtshof komt in bovengenoemde zaak tot de conclusie dat kruislings schenken in strijd is met doel en strekking van de wet en dus niet leidt tot een dubbele vrijstelling. In deze zaak had een moeder aan haar twee kinderen ieder € 100.000 geschonken ten behoeve van een eigen woning. Tevens had ze met een zakenrelatie afgesproken dat deze haar kinderen ook ieder € 100.000 zou schenken en dat de moeder in ruil hiervoor aan de vier kinderen van de zakenrelatie ieder € 50.000 ten behoeve van een eigen woning zou schenken.

Schenking door moeder

Het gerechtshof gaat er op basis van de wetsgeschiedenis vanuit dat bij dit soort constructies de vrijstelling niet meermaals van toepassing is. Het gerechtshof gaat er daarom vanuit dat de schenking door de zakenrelatie in feite moet worden gezien als een schenking door de eigen moeder. Omdat die de jubelton al had benut, is de schenking door de zakenrelatie niet vrijgesteld. De Belastingdienst wordt dan ook in het gelijk gesteld.

De beslissing is in lijn met het beleid van de wetgever, die eerder al had aangegeven deze constructie niet te zullen accepteren.