t
0344 647 000
|

Sjoemelen met urenregistratie reden voor ontslag op staande voet?

Casus

De werknemer was werkzaam als manager arbeid en stuurde een grote groep, voornamelijk uitzendkrachten, aan. De werkgever hanteert een aan- en afmeldsysteem om de werktijden te registreren. Op basis van de registratie wordt het loon aan de arbeidskrachten betaald. De werknemer moest er onder meer op toezien dat deze registratie correct was. De werkgever kwam er vervolgens achter dat de werknemer zijn eigen uren niet correct had geregistreerd, wat voor de werkgever reden vormde hem op staande voet te ontslaan.

Procedure

De werknemer voerde aan dat het ontslag niet onverwijld was gegeven. De rechter gaf aan dat het moment waarop de werkgever feitelijk op de hoogte was bepalend is en niet het moment waarop de werknemer op de hoogte kon zijn van het vergrijp. De werkgever had voldoende voortvarend gehandeld door direct na zijn vermoeden camera’s op te hangen en de werknemer vervolgens te confronteren met zijn bevindingen.  

Camera’s waren gerechtvaardigd

Er is geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs omdat de werkgever een gerechtvaardigd belang had bij het ophangen van de camera’s. Hij had immers niet op een andere wijze kunnen achterhalen of de werknemer de urenregistratie wel correct deed. Bovendien is de werkgever niet disproportioneel te werk gegaan. Hij heeft slechts gedurende een beperkte periode camera’s opgehangen op plekken die nodig waren voor het onderzoek. 

Bedrijfsreglement

De werknemer had het bedrijfsreglement voor akkoord ondertekend,  hij wist derhalve wat de regels waren voor het aan- en afmelden. Verder hecht de rechter er belang aan dat het hier om een leidinggevende ging die geacht wordt een voorbeeldfunctie te vervullen. 

Ontslag op staande voet terecht

Alles bij elkaar opgeteld maakte dat het ontslag op staande voet, ondanks de persoonlijke omstandigheden zoals de lange en goede staat van dienst van de werknemer, ook in hoger beroep in stand blijft. 

Te strikt?

Diverse lagere rechters vonden deze ‘voor rekening en risico benadering’ van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) te strikt en nuanceerden deze. De rechtbanken oordeelden dat deze lijn niet in alle gevallen  recht doet aan de belangen van de werkgever. Zij zochten aansluiting bij de ‘vergewisplicht’ zoals die voor bestuursorganen zelf geldt als zij derden inschakelen bij de besluitvorming en welke is terug te vinden in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

CRvB houdt stand

Helaas  voor u als werkgever, de CRvB blijft bij zijn ‘voor rekening en risico benadering’, zo is onlangs weer gebleken in een loonsanctiezaak. Het ging hier over mogelijk gemiste re-integratiekansen door een verkeerde inschatting van de bedrijfsarts. De werkgever had betoogd dat hem niet kan worden verweten dat het oordeel van de bedrijfsarts niet juist was en verwees daarbij onder andere op de gewijzigde lijn in de lagere rechtspraak. 

Wet biedt geen aanknopingspunten

De CRVB is het niet met de werkgever eens. Het  argument is dat het niet te rijmen is met het uitgangspunt dat de re-integratie op grond van de WIA op de werkgever rust én de werkgever hiervoor de volledige (eind)verantwoordelijkheid draagt. Volgens de Raad biedt de wetgeschiedenis geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever heeft beoogd de medisch-inhoudelijke aspecten uit te sluiten van die verantwoordelijkheid. 
Volgens de Raad blijkt dit ook uit het feit dat de wetgever inmiddels het wetsvoorstel om het medisch advies van de bedrijfsarts bij de poortwachtertoets leidend te maken heeft ingetrokken. 

Toch te strikt in deze zaak

De werkgever in deze zaak had nog geluk. De CRvB oordeelde namelijk dat het loonsanctiebesluit onzorgvuldig is. De verzekeringsarts van het UWV heeft namelijk het advies van de bedrijfsarts te strikt getoetst en de bedrijfsarts is binnen zijn professionele bandbreedte is gebleven.

Let op! Hoeveel het minimumloon in totaal gaat stijgen, wordt dit voorjaar pas bekend.

Ook uitkeringen omhoog

Omdat de uitkeringen zijn gekoppeld aan de hoogte van het minimumloon, gaan deze ook omhoog. Dit betreft onder andere de AOW, de WW en de bijstand.

Tweede stijging in 2024

De stijging per 1 juli is de tweede stijging van dit jaar. Op 1 januari werd het minimumloon al geïndexeerd met 3,75%. Ook werd per die datum het minimumuurloon ingevoerd, gebaseerd op een werkweek van 36 uur. Werknemers met een minimumloon die contractueel al voor 1 januari 2024 meer dan 36 uren per week werkten, gaan er daarom per 1 januari van dit jaar extra op vooruit.

Vrije ruimte en gerichte vrijstellingen werkkostenregeling

Een werkgever kan een werknemer, onder voorwaarden, onbelaste vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen geven door deze ten laste te brengen van de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Deze vrije ruimte bedraagt in 2024 1,92% over de eerste € 400.000 van de totale loonsom van de werkgever en 1,18% over het bedrag daarboven.

Voor sommige vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen gelden ook gerichte vrijstellingen. Als iets gericht is vrijgesteld, is het onder voorwaarden onbelast en hoeft dit niet ten laste van de vrije ruimte te komen, bijvoorbeeld de gerichte vrijstelling van € 0,23 per zakelijke kilometer.

Vrije ruimte in de inkomstenbelasting

In de inkomstenbelasting is een met de loonbelasting vergelijkbare wettelijke bepaling opgenomen. Doel van deze bepaling is om inwoners van Nederland met een buitenlandse werkgever die niet in Nederland inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting hetzelfde te behandelen als inwoners van Nederland met een Nederlandse werkgever.

De Hoge Raad oordeelde in 2022 al dat door deze wettelijke bepaling werknemers met een niet-inhoudingsplichtige werkgever de vrije ruimte in aftrek kunnen brengen op hun inkomen in de inkomstenbelasting. Deze werknemers kunnen in 2024 in principe zonder nadere voorwaarden 1,92% van hun aan Nederland toe te rekenen brutoloon aftrekken in de inkomstenbelasting. Dit geldt tot een brutoloon van maximaal € 400.000, daarboven is het 1,18%.

Let op! Dit kan niet als de buitenlandse werkgever in Nederland inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting. Dan gelden namelijk gewoon de regels die ook voor Nederlandse werkgevers gelden.

Gerichte vrijstelling in de inkomstenbelasting

Twee gerechtshoven en een A-G oordeelden over de vraag of een inwoner van Nederland met een buitenlandse werkgever die niet inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting, ook de zakelijke kosten waarvoor een gerichte vrijstelling geldt in aftrek mag brengen in de aangifte inkomstenbelasting. De Belastingdienst vindt dat dit, ondanks het oordeel van de Hoge Raad over de vrije ruimte, niet mag. De twee gerechtshoven en de A-G vinden dat dit wel mag.

Let op! Aftrek van zakelijke kosten waarvoor een gerichte vrijstelling geldt, kan niet zonder meer. Er moet namelijk wel aannemelijk zijn dat de zakelijke kosten gemaakt zijn, en door de werkgever aangewezen zouden zijn als gerichte vrijstelling in de situatie dat deze werkgever wel inhoudingsplichtig voor de loonbelasting in Nederland was. Verder moet getoetst worden of de zakelijke kosten binnen de voorwaarden en grensbedragen van de gerichte vrijstellingen blijven. Het moet ook gaan om kosten waarbij het zakelijke karakter overheerst. 

Laatste woord aan de Hoge Raad

Het laatste woord of ook aftrek van kosten waarvoor een gerichte vrijstelling geldt mogelijk is in de inkomstenbelasting, is aan de Hoge Raad. Als de Hoge Raad het oordeel van de gerechtshoven en het advies van de A-G volgt, kan een inwoner van Nederland met een niet-inhoudingsplichtige buitenlandse werkgever in de aangifte inkomstenbelasting, onder voorwaarden, ook een beroep doen op gerichte vrijstellingen.