Werkelijk rendement box 3 bij personeelsobligaties
Personeelsobligatie
Een personeelsobligatie is een niet-verhandelbare obligatie die door een onderneming tegen speciale voorwaarden aan werknemers wordt aangeboden. Als de rente op deze obligatie op het moment van aankoop door een werknemer hoger is dan marktconform, heeft de werknemer een rentevoordeel dat belast is als loon uit de dienstbetrekking.
Let op!Dit rentevoordeel kan door de werkgever ook aangewezen worden in de vrije ruimte. De werkgever neemt dan belasting voor zijn rekening. Als en voor zover op jaarbasis de vrije ruimte wordt overschreden betaalt de werkgever 80% eindheffing.
Box 3
De personeelsobligatie behoort tot box 3. Hierbij is de vraag hoe het werkelijke rendement in box 3 voor de tegenbewijsregeling moet worden berekend. De Belastingdienst heeft aangegeven dat alleen de marktconforme rente bij de werknemer als rendement in aanmerking hoeft te komen bij de bepaling van het totale werkelijke rendement in box 3. Het rentevoordeel blijft in box 3 dus buiten aanmerking.
Motie
Deeltijdwerkers die op jaarbasis minder verdienen dan het minimumloon en een loonsverhoging hebben die lager is dan de algemene loonontwikkeling, hebben in 2025 te maken met negatieve inkomensgevolgen. Dit wordt veroorzaakt door koopkrachtmaatregelen uit het Belastingplan 2025. In een aangenomen motie verzocht de Tweede Kamer het kabinet om deze negatieve inkomensgevolgen vanaf 2026 ongedaan te maken.
Aanpassing arbeidskorting
Het kabinet vindt het zelf ook belangrijk dat de koopkracht van iedereen, dus ook de laagste inkomens, zowel in 2025 als in 2026 positief is. Het kabinet voert de aangenomen motie daarom uit door in het Belastingplan 2026 de indexatie van de eerste twee inkomensgrenzen in de arbeidskorting zo aan te passen dat lage inkomens in 2026 meer recht op arbeidskorting krijgen. Vooral deeltijdwerkers met een uurloon op of rond het minimumloon gaan er hierdoor iets op vooruit.
Financiering aanpassing
Om de aanpassing in de arbeidskorting voor lage inkomens te financieren, wordt het Belastingplan 2026 ook op de volgende punten aangepast:
- de verhogingen van de arbeidskorting van € 25 en € 27 gaan niet door,
- het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting wordt 0,05% minder verlaagd (de eerste schijf komt daarmee in 2026 uit op 35,75%),
- de komende jaren wordt het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting in geleidelijke stapjes nog minder verlaagd (tot 0,09% minder in 2035), en
- het hoogste tarief in de inkomstenbelasting (49,5%) is verschuldigd vanaf een lager inkomen dan eerder in het Belastingplan 2026 opgenomen.
Personeelslening
Als een werknemer geld leent van zijn werkgever, moet de werkgever in principe een zakelijke rente berekenen. Een zakelijke rente is een rente die op het moment van aangaan van de leningsovereenkomst marktconform is. Berekent de werkgever een lagere rente, dan heeft de werknemer een rentevoordeel dat belast is als loon uit de dienstbetrekking.
Let op! De werkgever kan ervoor kiezen om een rentevoordeel van een werknemer aan te wijzen in de vrije ruimte. De werkgever neemt dan belasting voor zijn rekening. Indien en voor zover op jaarbasis de vrije ruimte wordt overschreden betaalt de werkgever 80% eindheffing. Aanwijzen in de vrije ruimte mag niet als het rentevoordeel betrekking heeft op een lening voor een eigen woning waarvan de rente aftrekbaar is in de inkomstenbelasting.
Box 3
Als de personeelslening tot box 3 behoort, ontstaat de vraag hoe in dat geval het werkelijke rendement in box 3 voor de tegenbewijsregeling moet worden berekend. De Belastingdienst geeft aan dat de werknemer zowel de daadwerkelijk betaalde rente als het rentevoordeel als negatief rendement in aanmerking kan nemen bij de bepaling van het totale werkelijke rendement in box 3.
Verleggingsregeling inhouding loonheffingen
Als een werknemer van een buitenlands concernonderdeel in Nederland komt werken, kan het zijn dat het buitenlandse concernonderdeel als formele werkgever in Nederland inhoudingsplichtig is. Een Nederlands concernonderdeel kan dan, op verzoek, de loonheffingen inhouden en afdragen.
Gezamenlijk verzoek
Voor de verleggingsregeling is een gezamenlijk verzoek nodig van het Nederlandse én het buitenlandse concernonderdeel. In dit verzoek moeten onder meer de NAW-gegevens, het loonheffingsnummer van het Nederlandse én (voor zover aanwezig) het buitenlandse concernonderdeel worden opgenomen. Verder moet het verzoek de gewenste ingangsdatum van de beschikking voor de verleggingsregeling bevatten.
Let op! U kunt om een algemene beschikking, maar ook om een beschikking voor een of meer specifieke werknemers verzoeken. In het laatste geval moet u ook de NAW-gegevens en het BSN van de werknemer(s) in het verzoek opnemen.
Nieuw: gezamenlijke verklaring
Nieuw in de versie van het Handboek Loonheffingen van oktober 2025 is de voorwaarde dat u bij het gezamenlijk verzoek ook een gezamenlijk ondertekende verklaring voegt. In deze verklaring moeten het Nederlandse én het buitenlandse concernonderdeel beiden akkoord gaan met het verleggen van de inhoudingsplicht.
Het Nederlandse concernonderdeel moet verder verklaren dat het alle verplichtingen die samenhangen met de verleggingsregeling volledig en zonder voorbehoud zal nakomen. Tot slot moet het buitenlandse concernonderdeel verklaren dat het alle gegevens verstrekt die nodig zijn voor het vaststellen van het in Nederland belastbare loon van de werknemer(s).
Tip! Het is mogelijk om voor meerdere buitenlandse concernonderdelen tegelijk een verzoek in te dienen.