t
0344 647 000
|

Speciale eenheid binnen Ministerie SZW voor toelating uitzendbureaus

Toelatingseisen

Om toegelaten te kunnen worden, moeten uitleners kunnen aantonen dat zij relevante wet- en regelgeving naleven en een VOG kunnen overleggen die niet ouder is dan drie maanden. Wanneer van bestuurder, vennoot, maat of beheerder wordt gewisseld, moet een nieuwe VOG worden aangevraagd. Ook moet er voldoende financiële zekerheid worden gesteld, € 100.000 voor reguliere uitleners en € 50.000 voor startende uitleners die een voorlopige aanvraag indienen. Genoemde bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. Organisaties die gebruikmaken van uitzendbureaus (inleners), mogen alleen zakendoen met toegelaten uitzendbureaus.

SNA-keurmerk

Uitleners kunnen zich op de Wet toelating ter beschikking stellen arbeidskrachten (WTTA) voorbereiden door het SNA-keurmerk van de Stichting Normering Arbeid (SNA) te behalen. Als ze in het bezit zijn van een SNA-keurmerk hoeven ze eenmalig geen inspectierapport voor het verplichte normenkader te overleggen en komen ze pas aan de beurt als de overige bedrijven zijn gecontroleerd. Voor uitleners die al een SNA-keurmerk hebben heeft de SNA een module WTTA ontworpen. In deze module staan de normelementen vermeld die wel in het verplichte normenkader van het toelatingsstelsel zijn opgenomen, maar niet in het SNA-keurmerk.

Speciale eenheid

De minister van SZW heeft aangeven dat er een nieuwe eenheid binnen het ministerie van SZW komt die gaat bepalen of uitzendbureaus worden toegelaten tot de markt voordat ze personeel uitlenen. Bij aanvaarding van het hierboven genoemd wetsvoorstel moeten uitzendbureaus eerst toegelaten zijn voordat ze personeel uitlenen. Het vergunningsstelsel moet een belangrijke bijdrage leveren bij het aanpakken van misstanden in de uitleensector en de uitbuiting van arbeidsmigranten.

Deze nieuwe toelatende instantie zal besluiten of een uitzendbureau al dan niet wordt toegelaten op de markt. Ook kan de instantie uitzendbureaus schorsen of zelfs de toelating intrekken als sprake is van ernstige misstanden.

Let op! Uiterlijk dit voorjaar (2025) moet duidelijk worden wanneer de wet in werking kan treden.

WKR

Alles wat u uw werknemers vergoedt, verstrekt of ter beschikking stelt, vormt in principe loon. Uw werknemers betalen hierover dan loonbelasting. U kunt er echter ook voor kiezen om dit loon aan te wijzen als eindheffingsloon. Dit wordt ook wel de werkkostenregeling of WKR genoemd. Heel kort omschreven gelden voor bepaalde zaken nog vrijstellingen of zogenaamde nihilwaarderingen en het restant valt dan in uw vrije ruimte.

Let op! U kunt niet alles aanwijzen in uw vrije ruimte. Voor sommige zaken is dat gewoon niet toegestaan, bijvoorbeeld de bijtelling voor het privégebruik van een auto. Ook als de aanwijzing niet aan de gebruikelijkheidstoets voldoet, mag u niet aanwijzen in de vrije ruimte en moet u het loon individueel belasten bij uw werknemer.

Vrije ruimte

De vrije ruimte bedroeg in 2024 1,92% van uw totale loonsom tot en met € 400.000 en 1,18% daarboven. Wees u in 2024 meer aan dan deze vrije ruimte, dan betaalt u over dit meerdere 80% eindheffing. Deze eindheffing geeft u uiterlijk aan in uw tweede aangifte loonheffingen van 2025. Als u per maand aangifte doet, is de deadline hiervoor 31 maart 2025. Doet u per 4 weken aangifte, dan is de deadline 23 maart 2025.

Let op! Heeft u uw WKR over 2024 op orde? Houd er rekening mee dat niet alle WKR-kosten uit de salarisadministratie volgen. Een deel van deze kosten moet u waarschijnlijk halen uit uw financiële administratie. Beoordeel nu al de hoogte van de aangewezen kosten in de vrije ruimte in 2024, zodat de afrekening in de tweede aangifte loonheffingen 2025 straks soepel kan verlopen. Heeft u daarbij hulp nodig, dan helpen wij u uiteraard graag.

In een onlangs gepubliceerde zaak waar het één opdrachtgever betrof, ging het om de vraag of sprake was van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht.

Wat speelde er?

Een Belgische salesmanager had in 2021 een ‘consulting agreement’ gesloten met een bv met een looptijd van een jaar, die vervolgens stilzwijgend werd verlengd. Hij verwierf twee jaar later 5% van de aandelen in de vennootschap. Op enig moment ontstond er een conflictsituatie. De bv beëindigde vervolgens de overeenkomst vanwege bedreiging en chantage. De salesmanager op zijn beurt liet het er niet bij zitten en vorderde een gefixeerde schadevergoeding bestaande uit loon over de niet in acht genomen opzegtermijn, omdat hij van oordeel was dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.

Geen arbeidsovereenkomst

De rechtbank oordeelde echter dat de overeenkomst niet voldeed aan de criteria voor een arbeidsovereenkomst. De salesmanager had namelijk aanzienlijke vrijheid in de uitvoering van zijn werkzaamheden en bepaalde zelf zijn werktijden. Bovendien liep hij een commercieel risico omdat hij als opdrachtnemer ook aansprakelijk was; hij bezat immers 5% van de aandelen. Verder kon hij, als hij niet werkte, geen aanspraak maken op de overeengekomen beloning. De afgesproken beloning lag bovendien tweemaal hoger dan het loon dat een commercieel manager in dienst van de bv zou hebben ontvangen.

Daar kwam bij dat hij zijn diensten via eigen vennootschappen factureerde en dat hij aandeelhouder was van de opdrachtgever. De bv had voor hem ook geen verzekeringen afgesloten waarop hij een beroep zou kunnen doen als hij bijvoorbeeld tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden schade aan een derde zou toe brengen.

De rechtbank oordeelde daarom dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst, maar van een overeenkomst van opdracht. Het verzoek van de salesmanager werd afgewezen.

Belang voor de praktijk

Slechts één opdrachtgever is wellicht een sterke indicatie dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar dat is zeker niet in alle gevallen zo. De uitspraak van de rechtbank laat dat zien, maar betekent echter ook weer niet dat alle werkenden met één opdrachtgever hier automatisch een beroep op kunnen doen.

Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht is immers afhankelijk van alle feiten en omstandigheden en het oordeel dat een rechter over dit samenstel van feiten en omstandigheden geeft. Het blijft dus maatwerk.

Verklaring betalingsgedrag

Een inlener of doorlener aan wie u personeel uitleent of de aannemer door wie u als onderaannemer wordt ingeschakeld kan u vragen om een Verklaring betalingsgedrag te overleggen. Met zo’n verklaring kunt u aantonen dat u aan uw aangifte- en betalingsverplichtingen voor de loonheffingen en/of btw voldoet. Dit is voor de inlener, doorlener of aannemer van belang, omdat aansprakelijk gesteld kan worden als u niet aan deze verplichtingen voldoet.

Tip! Lees op de website van de Belastingdienst meer over de Verklaring betalingsgedrag voor een uitlener en over de Verklaring betalingsgedrag voor een onderaannemer.

Ook in andere gevallen kan iemand u vragen aan te tonen dat u aan uw aangifte- en betalingsverplichtingen voldoet, bijvoorbeeld bij een aanbestedingsprocedure of een vergunningsaanvraag. Lees meer over deze Verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen op de website van de Belastingdienst.

Online aanvragen

Het online aanvragen van een Verklaring betalingsgedrag doet u met Digid. Aanvragen met eHerkenning is helaas nog niet mogelijk. Daarvoor moet u dus nog de pdf van de website van de Belastingdienst downloaden en deze schriftelijk indienen. In de loop van 2025 wordt het online aanvragen met eHerkenning wel mogelijk gemaakt.

Tip! Als u al periodiek een Verklaring betalingsgedrag van de Belastingdienst ontvangt, hoeft u niet in actie te komen. Het is dus niet nodig om dit nogmaals online aan te vragen.

Antwoord binnen 1 week

De Belastingdienst streeft ernaar om binnen één week op uw online aanvraag te beslissen. De Verklaring betalingsgedrag wordt dan naar het bij de Belastingdienst bekende woon- of vestigingsadres gezonden.