Extra verhoging minimumloon met 1,2% gaat niet door
Verhogingen tot en met 2023
In de jaren 2020 tot en met 2023 is het minimumloon al meerdere keren gestegen. Waar dit minimumloon in januari 2020 nog € 1.653,60 per maand bedroeg, was dit per 1 juli 2022 al gestegen naar € 1.756,20 per maand. Per 1 januari 2023 volgde een forse stijging van (afgerond) 10,15% naar € 1.934,40 per maand, gevolgd door een stijging van (afgerond) 3,13% per 1 juli 2023 naar € 1.995 per maand.
Van wettelijk minimummaandloon naar wettelijk minimumuurloon
Per 1 januari 2024 is in plaats van een minimummaandloon een minimumuurloon geïntroduceerd. Dit betekent dat het minimummaandloon geen vast bedrag meer is, maar afhankelijk is van het aantal uren in een voltijdsdienstverband. Vanaf 1 januari 2024 is voor iedereen dus het minimumuurloon gelijk, maar kan het minimummaandloon verschillen. Bij een voltijdsdienstverband van 36 uur is dit dus lager dan bij een voltijdsdienstverband van 38 uur.
Verhogingen per 1 januari 2024
De reguliere indexatie van het minimumloon bedroeg per 1 januari 2024 3,75%. Het minimumloon kwam daarmee uit op € 13,27 per uur. Voor een 36-urige werkweek betekent dit een minimummaandloon van € 2.069,40, voor een 38-urige werkweek van € 2.185,13 en voor een 40-urige werkweek van € 2.300,13 vanaf 1 januari 2024. Dit betekent dat het minimummaandloon per 1 januari 2024 ten opzichte van 1 juli 2023 gestegen is met (afgerond):
- 3,73% voor een 36-urige werkweek,
- 9,53% voor een 38-urige werkweek, en
- 15,29% voor een 40-urige werkweek.
Reguliere indexatie per 1 juli 2024
Door een voorgenomen reguliere indexatie zal het minimumuurloon per 1 juli 2024 nog een keer met afgerond 3,09% verhoogd worden.
Extra verhoging met 1,2%
Bovenop die reguliere indexatie is in het wetsvoorstel Wet verhoging minimumloon 2024 een extra verhoging per 1 juli 2024 met 1,2% opgenomen. De Tweede Kamer nam dit voorstel op 19 maart 2024 aan.
Op 9 april 2024 werd echter bekend dat dit voorstel geen meerderheid in de Eerste Kamer heeft. BBB-senator Heijnen maakte op die datum bekend dat de BBB het voorstel niet steunt. Er is dan een meerderheid in de Eerste Kamer tegen het voorstel De extra verhoging van het minimumloon met 1,2% zal daarom niet doorgaan.
Ingebrekestelling
Als u tegen een beslissing van de inspecteur in bezwaar wilt gaan, moet dit binnen zes weken. Heeft u dit netjes gedaan en is de zes-weken-termijn voorbij, dan moet ook de inspecteur hierna binnen zes weken beslissen op uw bezwaar. Deze termijn kan in beginsel met zes weken verlengd worden. Heeft u dan nog geen beslissing ontvangen, dan dient u de inspecteur te laten weten dat u alsnog binnen twee weken antwoord wilt hebben. U stelt daarmee de inspecteur in gebreke. Ontvangt u binnen deze twee weken nog geen beslissing, dan kunt u in beroep bij de rechter.
Dwangsom
Als u de inspecteur in gebreke stelt, kunt u tevens direct een dwangsom te eisen. Een formulier om de inspecteur in gebreke te stellen én een dwangsom te eisen, treft u aan op de site van de Belastingdienst.
Omvang dwangsom
Blijft de inspecteur nalatig, dan kan een dwangsom behoorlijk oplopen. Als de inspecteur namelijk na twee weken nog steeds niet beslist heeft, bedraagt de dwangsom de eerste 14 dagen € 23 per dag, de daarop volgende 14 dagen € 35 per dag en de daarop volgende 14 dagen € 45 per dag. Een dwangsom kan dus oplopen tot maximaal 14 x € 23 + 14 x € 35 + 14 x € 45 = € 1.442.
Nog steeds geen beslissing, wat nu?
Blijft ondanks de dwangsom een beslissing uit, dan kunt u dus in beroep. De rechter kan dan een beslissing nemen, maar het kan ook anders. Dat zagen we onlangs voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die het balletje weer bij de belastinginspecteur neerlegde. De rechtbank oordeelde hier dat de inspecteur na uitspraak alsnog binnen twee weken op het bezwaar moest beslissen. Als dit uitbleef zou een dwangsom verschuldigd zijn van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000.
Wat is ‘in de regel’?
De Belastingdienst geeft aan van mening te zijn dat er niet meer ‘in de regel’ naar het werk wordt gereisd of thuisgewerkt als dit meer dan twee maanden wordt onderbroken. Dit wordt beoordeeld per aanleiding, zoals ziekte of verlof, en op kalenderbasis. Een vergoeding kan dan niet meer onbelast worden uitbetaald.
Ouderschapsverlof na geboorteverlof
Verschillende verlofsoorten, zoals geboorteverlof en zorgverlof, zijn ieder te beschouwen als een aparte aanleiding. Dit kan anders zijn als verlofsoorten aaneengesloten worden opgenomen. Dit is in ieder geval zo bij zwangerschapsverlof gevolgd door bevallingsverlof. Dan is het totale verlof dus aan te merken als één aanleiding en zal een onbelaste kostenvergoeding minder lang kunnen worden doorbetaald.
Voorbeeld
Een fulltime werkneemster gaat zes weken met zwangerschapsverlof en daarna zes weken met bevallingsverlof. Daarna gaat ze tien weken lang twee dagen per week met bevallingsverlof. Het verlof valt binnen hetzelfde jaar. Ze reist in totaal zes plus zes weken helemaal niet naar het werk, dus langer dan twee maanden. Een onbelaste reiskostenvergoeding is dan niet mogelijk. De gespreide opname van het bevallingsverlof over tien weken wordt gezien als nieuwe aanleiding. Een onbelaste reiskostenvergoeding voor drie dagen per week is dan weer mogelijk.
Auto of vergoeding kosten
In de betreffende zaak was een dga van een bv in dienst bij een andere bv. Deze bv was met de bv van de dga overeengekomen dat aan hem een auto ter beschikking zou worden gesteld of dat de bv de kosten van de auto aan de bv van de dga zou vergoeden. Uiteindelijk werd voor deze laatste optie gekozen.
Geen bijtelling
Bij een boekencontrole bij de bv die de autokosten had vergoed, bleek dat deze bv geen bijtelling bij het loon had geteld vanwege het privégebruik van de auto. Dit leverde de bv een naheffing over een periode van vier jaren op van in totaal zo’n € 80.000. Daar bovenop werden boetes opgelegd.
Bijtelling zonder eigendom auto?
De bv ging tegen de naheffingen en boetes in bezwaar. Daarop werden de boetes vernietigd, maar de naheffingen bleven in stand. De rechter oordeelde dat dit terecht was. Volgens de rechtbank is voor het toepassen van de bijtelling niet relevant of de inhoudingsplichtige de ter beschikking gestelde auto in eigendom heeft.
Verhuur of lease
De rechtbank vergeleek de situatie met die van verhuur of lease. Ook als een werkgever aan zijn personeel een leaseauto ter beschikking stelt, moet er namelijk met de bijtelling rekening worden gehouden. De naheffingen bleven dan ook in stand.
Holdings en werkmaatschappijen
Net als in deze zaak is de vraag wie met de bijtelling rekening moet houden met name interessant voor holdings en werkmaatschappijen waarbij aan de dga een auto ter beschikking wordt gesteld. Duidelijk is dat dan in ieder geval bij één inhoudingsplichtige de bijtelling wordt toegepast in verband met het privégebruik van de auto. Uit de uitspraak wordt duidelijk dat dit in beginsel de werkgever moet zijn die de auto ter beschikking stelt of de kosten ervan vergoedt.
Tip! Overleg bij twijfel over de inhoudingsplichtige met een van onze adviseurs. Naheffingen en boetes zult u namelijk het liefst willen voorkomen.