Verbetering koopkracht deeltijd-minimumloners
Motie
Deeltijdwerkers die op jaarbasis minder verdienen dan het minimumloon en een loonsverhoging hebben die lager is dan de algemene loonontwikkeling, hebben in 2025 te maken met negatieve inkomensgevolgen. Dit wordt veroorzaakt door koopkrachtmaatregelen uit het Belastingplan 2025. In een aangenomen motie verzocht de Tweede Kamer het kabinet om deze negatieve inkomensgevolgen vanaf 2026 ongedaan te maken.
Aanpassing arbeidskorting
Het kabinet vindt het zelf ook belangrijk dat de koopkracht van iedereen, dus ook de laagste inkomens, zowel in 2025 als in 2026 positief is. Het kabinet voert de aangenomen motie daarom uit door in het Belastingplan 2026 de indexatie van de eerste twee inkomensgrenzen in de arbeidskorting zo aan te passen dat lage inkomens in 2026 meer recht op arbeidskorting krijgen. Vooral deeltijdwerkers met een uurloon op of rond het minimumloon gaan er hierdoor iets op vooruit.
Financiering aanpassing
Om de aanpassing in de arbeidskorting voor lage inkomens te financieren, wordt het Belastingplan 2026 ook op de volgende punten aangepast:
- de verhogingen van de arbeidskorting van € 25 en € 27 gaan niet door,
- het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting wordt 0,05% minder verlaagd (de eerste schijf komt daarmee in 2026 uit op 35,75%),
- de komende jaren wordt het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting in geleidelijke stapjes nog minder verlaagd (tot 0,09% minder in 2035), en
- het hoogste tarief in de inkomstenbelasting (49,5%) is verschuldigd vanaf een lager inkomen dan eerder in het Belastingplan 2026 opgenomen.
Belastingrente vennootschapsbelasting
Als uw bedrijf belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, kan in een aantal situaties belastingrente in rekening worden gebracht. Dit is bijvoorbeeld het geval als de (voorlopige) aanslag van uw bedrijf niet voor 1 juli van het volgende jaar kan worden opgelegd en u niet voor 1 mei om een voorlopige aanslag vroeg of voor 1 juni uw aangifte indiende en in situaties dat er van de aangifte wordt afgeweken.
Evenredigheidsbeginsel
Rechtbank Noord-Nederland heeft op 7 november 2024 uitgesproken dat met een belastingrente van destijds 8% het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Dit beginsel komt er in het kort op neer dat de nadelige gevolgen van een maatregel niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel van de maatregel. Volgens de rechtbank is het nadeel van een hoog rentepercentage voor ondernemers onevenredig hoog ten opzichte van de te bereiken doelen van de Belastingdienst, die volgens de rechtbank onduidelijk zijn.
Mening derden
De Hoge Raad heeft in deze zaak ook voor het eerst de mening van derden over deze kwestie gevraagd. Geïnteresseerden konden commentaar geven op het geschil via de site van de Hoge Raad. Hierop zijn 149 reacties ontvangen.
Mening A-G
In zijn advies aan de Hoge Raad heeft de A-G aangegeven dat ook naar zijn mening het rentepercentage van 8% te hoog is. Hij is van mening dat het percentage onverbindend is omdat het percentage alleen het rentenadeel voor de Belastingdienst mag compenseren. Het destijds geldende percentage van 8% was in dat opzicht te hoog. Daarnaast voegt hij toe dat met de regeling inzake het hoge rentepercentage het motiverings- en evenredigheidsbeginsel zijn geschonden.
Hoogte belastingrente
De A-G heeft ook nagedacht over de vraag op welk percentage de belastingrente dan wel moet worden vastgesteld. De A-G geeft na andere overwegingen aan dat het hem een redelijke uitkomst lijkt om de belastingrente zowel voor de vennootschapsbelasting als voor andere belastingen vast te stellen op het percentage van de wettelijke niet-handelsrente. Die rente bedroeg in 2022 2%, van 1 januari tot 1 juli 2023 4%, daarna tot 1 januari 2024 6%, in heel 2024 7% en vanaf 1 januari 2025 weer 6%.
Massaal bezwaar
De bezwaren over de belastingrente zijn aangewezen als massaalbezwaarprocedure. Dit betekent dat degenen die in soortgelijke geschillen bezwaar maken of hebben gemaakt pas een uitspraak op dit bezwaar krijgen als de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan. Wil u aansluiten bij deze massaalbezwaarprocedure dan is het zaak om op tijd in bezwaar te gaan. De A-G heeft de Hoge Raad nu geadviseerd. Het is nog afwachten of de Hoge Raad dit advies wel of niet (deels) opvolgt.
Verbetering informatiepositie
Met het inzagerecht wordt de informatiepositie van belastingplichtigen en werkgevers verbeterd.
Zo wordt namelijk duidelijk welke feiten een rol hebben gespeeld bij het opleggen van een aanslag of het nemen van een beschikking, en kan beter beoordeeld worden of het zin heeft hiertegen in bezwaar te gaan.
Verlening inzage
Het inzagerecht betekent dat bij het bekendmaken van een aanslag of beschikking inzake Rijksbelastingen via de bestaande portalen van de Belastingdienst inzage wordt verleend in relevante stukken. Dit gebeurt in etappes per Rijksbelasting. Een verzoek hiertoe is niet nodig. Verder wordt geregeld dat stukken al beschikbaar kunnen worden gemaakt, voordat alle op de zaak betrekking hebbende stukken al beschikbaar zijn.
Beperkingen
Er wordt inzage verleend in stukken totdat de aanslag of beschikking vaststaat. Daarna blijven de huidige regels voor bezwaar en beroep gelden, waarin al een inzagerecht is opgenomen. Alleen als er aantoonbaar sprake is van gewichtige redenen, kan het inzagerecht geweigerd worden. Denk bijvoorbeeld aan inkomensgegevens van derden, die bij het vaststellen van een aanslag een rol hebben gespeeld. In dit geval kunnen deze gegevens op grond van de geheimhoudingsplicht niet bekend worden gemaakt. Wil men dergelijke stukken toch inzien, dan kan hiertoe een verzoek aan de inspecteur worden gedaan en dit bij afwijzing van het verzoek in beroep voorleggen aan de rechter. Ook is het mogelijk dat dan alleen de rechter de stukken ter inzage krijgt.
Informeren
Belastingplichtigen zullen op diverse manieren worden geïnformeerd over het nieuwe inzagerecht. Er zullen onder meer folders worden meegestuurd bij correcties op de aangifte. Ook de Belastingdienst zal er aandacht aan besteden. Uiteraard zullen wij u ook informeren zodra er meer bekend is.
Let op! Dit voornemen staat in de Fiscale verzamelwet en is al door de Tweede Kamer aangenomen, maar nog niet door de Eerste Kamer.
No cure, no pay
In een WOZ-zaak die behandeld werd door het gerechtshof Den Haag, werd door het Hof geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. De betreffende persoon was in de bezwaarfase namelijk in het ongelijk gesteld, waarna hij besloot in beroep te gaan. In beroep werd de WOZ-waarde van zijn woning lager vastgesteld.
Geen kosten voor het bezwaar
Betrokkene had in de bezwaarfase gebruikgemaakt van een bureau dat handelde op basis van no cure, no pay. Voor het beroep had de man een andere adviseur in de arm genomen. Het Hof maakte uit de feiten op dat het bureau (no cure, no pay) dat het bezwaar had ingediend, geen kosten in rekening kon brengen en dit ook niet had gedaan, omdat de man in het ongelijk was gesteld.
Wel kosten voor het beroep
In beroep was hij weliswaar wel in het gelijk gesteld, maar het tweede bureau kon voor de bezwaarfase geen kosten in rekening brengen, omdat het voor die fase geen activiteiten had verricht. Dit kon wel voor de beroepsfase van de zaak, en hiervoor was dan ook wel een kostenvergoeding toegekend.
Algemene Voorwaarden
Uit de Algemene Voorwaarden van de adviseur in de bezwaarfase bleek bovendien dat ook achteraf, als de zaak in beroep of hoger beroep alsnog werd gewonnen, niet alsnog kosten voor de bezwaarfase in rekening gebracht konden worden. Aannemelijk was dan ook dat de kosten voor de bezwaarfase nihil zouden blijven. Volgens het Hof was een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase dan ook terecht niet toegekend.