Hoe waardeer je vorderingen en schulden in box 3?
Waarde in het economische verkeer
De wet bepaalt dat vorderingen en schulden in box 3 gewaardeerd moeten worden op de waarde in het economische verkeer. De Belastingdienst heeft aangegeven dat de waarde in het economische verkeer bij van vorderingen en schulden normaal gesproken gelijk is aan de nominale waarde hiervan, als sprake is van zakelijke condities.
Contante waarde bij vaste rente
Betreft het een vordering of schuld met een vaste rente? Dan is de waarde in het economische verkeer gelijk aan de contante waarde als de marktrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de vaste rente.
Goedkeuring Belastingdienst
Het berekenen van de waarde in het economische verkeer is administratief bewerkelijk. Bovendien geven banken altijd de nominale waardes door aan de Belastingdienst. Om die reden keurt de Belastingdienst goed dat je in box 3 uitgaat van de nominale waarde in plaats van de waarde in het economische verkeer.
Voorwaarden goedkeuring
Deze goedkeuring geldt alleen als je consistent kiest voor de nominale waarde. Dit betekent dat je de nominale waarde gebruikt voor de berekening van het forfaitair rendement maar ook voor de berekening van het werkelijke rendement volgens de tegenbewijsregeling box 3.
Let op!De goedkeuring geldt totdat de Wet werkelijk rendement box 3 in werking treedt. Dit is voorzien per 1 januari 2028.
Kerstarrest
De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement.
Om uitvoering te geven aan het rechtsherstel, voerde de wetgever voor de jaren 2017 tot en met 2022 de Wet rechtsherstel box 3 (hierna: Herstelwet) in. Elke belastingplichtige van wie de aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond, kreeg rechtsherstel volgens deze Herstelwet.
Dit gold niet voor belastingplichtigen van wie de aanslag IB op 24 december 2021 wel al onherroepelijk vaststond. Voor deze belastingplichtigen, de zogenaamde niet-bezwaarmakers, is de massaalbezwaarplusprocedure (MB+-procedure) ingevoerd.
MB+-procedure
De uitspraak van de Hoge Raad van 25 juni 2026 is gedaan in twee proefprocedures die onderdeel zijn van die MB+-procedure. In de MB+-procedure stond de vraag centraal of mensen die niet of te laat bezwaar maakten tegen box 3 toch hun box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 mogen berekenen op basis van werkelijk rendement.
De Hoge Raad oordeelde in mei 2022 al dat deze mensen dat niet mogen, omdat zij niet of te laat bezwaar indienden. De koepel- en belangenorganisaties (Bond voor Belastingbetalers, Consumentenbond, NOB, RB en SRA) meenden dat in de uitspraak van de Hoge Raad nog niet met alles rekening was gehouden. Daar ging de MB+-procedure over.
Uitspraak Hoge Raad
De Hoge Raad heeft uitgesproken geen reden te zien om terug te komen op de uitspraak van mei 2022, ook niet op basis van de argumenten die eerder nog niet aan de orde waren gekomen. De Hoge Raad is van oordeel dat er ook geen sprake is van discriminatie ten opzichte van belastingplichtigen die wel op tijd bezwaar maakten. Ook het evenredigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn niet geschonden, aldus de Hoge Raad.
Dit betekent dat de Hoge Raad bij zijn standpunt blijft dat niet-bezwaarmakers geen recht op teruggaaf van box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 hebben.
Wat betekent dit voor jouw aanslagen IB?
De twee uitspraken van 25 juni 2026 zijn niet alleen van belang voor de betreffende belastingplichtigen, maar voor elke belastingplichtigen die is aangesloten bij de MB+-procedure.
Stonden ook jouw aanslagen IB op 24 december 2021 onherroepelijk vast en diende je daarna een verzoek om ambtshalve vermindering in? Dan zijn deze verzoeken onderdeel van de MB+-procedure. De Hoge Raad heeft daarover op 25 juni 2026 beslist dat deze verzoeken niet gehonoreerd hoeven te worden. Je krijgt daarom definitief geen teruggaaf box 3 over deze jaren.
Let op! Dit betekent ook dat je voor die jaren geen beroep kunt doen op de uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2024. In dit zogenaamde D-dag-arrest bepaalde de Hoge Raad dat de Herstelwet naar aanleiding van het Kerstarrest ook niet door de beugel kon. Sindsdien wordt rechtsherstel toegepast volgens de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten. Als deze MB+-procedure positief was afgelopen, hadden de niet-bezwaarmakers ook hierop een beroep kunnen doen. Dat is nu dus ook definitief van de baan.
Legitieme portie
Een kind kan na het overlijden van een ouder recht hebben op een legitieme portie, ook als de ouder het kind onterfd heeft. Het kind moet die legitieme portie dan wel opeisen. Als een kind zijn legitieme portie opeist, komt de waarde van deze legitieme portie in mindering op de tussen de erfgenamen te verdelen nalatenschap.
Nog niet opgeëiste legitieme portie
Maar wat nu als de legitieme portie nog niet is opgeëist? Mag je dan als erfgenaam bij de berekening van het box 3-vermogen er rekening mee houden dat de legitieme portie misschien nog zal worden opgeëist? De Belastingdienst vindt van niet. Er is dan namelijk nog geen opeisbare schuld van de erfgenamen aan het onterfde kind.
Later opgeëiste legitieme portie
En als de legitieme portie later wordt opgeëist, bijvoorbeeld na drie jaar als de nalatenschap al is verdeeld? Mogen de erfgenamen dan met terugwerkende kracht daar rekening mee houden in box 3? De Belastingdienst vindt dat vanaf het moment dat het onterfde kind de legitieme portie heeft opgeëist, deze als schuld in box 3 meetelt bij de erfgenamen. De erfgenamen kunnen echter niet met terugwerkende kracht ook rekening houden met deze schuld in eerder jaren.
Let op! Voor het onterfde kind geldt ook dat de legitieme portie meetelt in box 3 vanaf het moment dat hij deze heeft opgeëist.
Identiteit verifiëren
Verrichters van cryptodiensten moeten de identiteit van hun klanten verifiëren. Ook de woonplaats van de klant moet worden vastgesteld. Dit mag onder andere met behulp van de zogenaamde eigen verklaring.
Transacties
De gegevens die aan de Belastingdienst verstrekt moeten worden, hebben voornamelijk betrekking op de identiteit van de klanten en op de verrichte transacties. Bij de identiteit gaat het onder meer om de naw-gegevens en het bsn-nummer. De transactiegegevens moeten vergaand worden gespecificeerd, zodat per transactie is te achterhalen wat de omvang ervan was en of deze al dan niet winstgevend is geweest.
Let op! De cryptodienstverleners moeten deze gegevens vanaf 1 januari 2026 bijhouden en uiterlijk 31 januari 2027 aan de Belastingdienst doorgeven.
Onderlinge uitwisseling
De EU-lid staten zullen de opgevraagde gegevens onderling uitwisselen, zodat het ontgaan van belastingheffing zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Een Europese organisatie zorgt voor uitwisseling van de gegevens met landen die niet tot de EU behoren, voor zover er met deze landen een verdrag aanwezig is.
Informatieplicht
Aanbieders van cryptodiensten zijn verplicht hun klanten te informeren over de door hen aan de Belastingdienst verstrekte gegevens. Met betrekking tot het jaar 2026 moet dat uiterlijk op 31 januari 2027.
Let op! Vermogen in de vorm van cryptovaluta valt in de regel in box 3, tenzij het vermogen behoort tot het vermogen van een onderneming. Door de nieuwe wet krijgt de Belastingdienst dan ook meer grip op vermogen dat is belegd in cryptovaluta zoals de bitcoin, en wordt belastingontduiking tegengegaan.