t
0344 647 000
|

Ook laag btw-tarief voor kunst via 3D-printer

3D-printer

In een zaak die speelde bij rechtbank Noord-Holland was sprake van een kunstenares die beeldjes vervaardigde van zwangere vrouwen of alleen van hun buik. Bij de vervaardiging ervan gebruikte zij een 3D-printer. Daarbij bewerkte zij de scans met digitale software, overeenkomstig de wensen van de klant. De beeldjes werden van verschillende materialen vervaardigd, zoals van koper en staal. Na de print werden de beeldjes door de kunstenares afgewerkt.

Kunst of niet?

Voor de rechtbank speelde de vraag of er al dan niet sprake was van kunst. De inspecteur stelde van niet, onder andere omdat de beeldjes niet helemaal van de hand van de kunstenares waren en een commercieel karakter hadden.

Voorwaarden laag btw-tarief

De rechtbank stelde vast dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat standbeelden en beeldhouwwerken onder het lage btw-tarief vallen als het gaat om:

  • een origineel standbeeld of beeldhouwwerk
  • dat geheel van de hand van de kunstenaar is, én 
  • geen commercieel karakter heeft. 

Volgens de rechtbank voldeden de beeldjes aan deze eisen.

Geen massaproductie

Dat er sprake was van originele beeldjes stond buiten kijf. Uit eerdere rechtspraak was duidelijk dat de tweede voorwaarde, dat het kunstwerk geheel van de hand van de kunstenaar moet zijn, betekende dat er geen sprake mag zijn van massaproductie. Het gebruik van een 3D-printer staat hieraan volgens de rechtbank niet in de weg, omdat er bij iedere soort kunst nu eenmaal gebruik wordt gemaakt van werktuigen. 

Ook geen commercieel karakter

Ook aan de derde voorwaarde werd voldaan, omdat er geen sprake was van een commercieel karakter. Hiervan is namelijk sprake als een product naar maatschappelijke opvattingen uiterlijke gelijkenis vertoont met industriële of ambachtelijke producten waarvoor het algemene btw-tarief geldt. Ook dit was hier niet aan de orde. De rechtbank stelde de kunstenares dan ook in het gelijk.

Aankoop via verkapt dividend

In een zaak voor Gerechtshof Amsterdam nam een dga de auto van zijn bv over tegen een prijs van € 15.000, terwijl de waarde van de auto € 75.000 bedroeg. Voor de rest van de waarde werd voor de dividendbelasting verkapt dividend in aanmerking genomen. De bv berekende alleen btw over € 15.000, maar de Belastingdienst legde aan de bv een naheffingsaanslag btw op over het meerdere van € 60.000.

In een andere zaak voor Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch werd een auto met een waarde van € 29.750 aan de dga verkocht voor € 2.624. Ook nu werd voor de rest (€ 27.126) van de waarde verkapt dividend in aanmerking genomen voor de dividendbelasting. De bv droeg over € 29.750 btw af, maar ging tegen de btw-afdracht over € 27.126 in bezwaar.

Gerechtshoven oordelen verschillend

Op de vraag of over de werkelijke waarde of over de lagere overeengekomen prijs btw moest worden afgedragen, kwamen de gerechtshoven niet tot hetzelfde oordeel. Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat in de casus die daar voorlag sprake was van misbruik van recht en stelde de Belastingdienst in het gelijk. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat er in de casus die daar voorlag, geen sprake was van misbruik van recht en stelde de bv in het gelijk.

Wanneer misbruik van recht?

Misbruik van recht kan worden aangenomen als in strijd met doel en strekking van de wet een belastingvoordeel wordt behaald én het doel van de transactie waarmee dit voordeel wordt behaald ook is om dit voordeel te behalen. Als er een ander wezenlijk doel is, zal niet snel sprake zijn van misbruik van recht, ook niet als daarbij toch een belastingvoordeel wordt behaald.

Gerechtshof Amsterdam: misbruik van recht

Gerechtshof Amsterdam vond dat in de voorliggende casus aan deze definitie was voldaan. De zakelijke motieven die de bv bij het gerechtshof aanvoerde, verklaarden niet waarom de auto tegen een abnormaal lage vergoeding was verkocht. Naar het oordeel van het gerechtshof was het doel van de transactie dan ook gelegen in het belastingvoordeel van de lagere btw voor de dga. In deze casus speelde mee dat tussen de aankoop van de auto door de bv en de verkoop aan de dga tegen de lage vergoeding slechts een paar maanden gelegen was. Daarnaast verkocht de bv ook in latere jaren nog verschillende auto’s binnen korte tijd na aankoop aan de dga voor telkens een abnormaal lage vergoeding.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch: géén misbruik van recht

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat in de voorliggende casus geen sprake was van misbruik van recht. De stelling van de Belastingdienst dat de auto overgedragen was tegen een abnormaal lage vergoeding was hiervoor onvoldoende. In die casus had de bv eind 2015 de auto gekocht en eind 2020 (vijf jaar later dus) verkocht aan de dga. Het hoofddoel van de verkoop was volgens de bv de toekomstige stijging van het bijtellingspercentage in de loonheffing, waardoor het niet langer aantrekkelijk was om de auto in de bv aan te houden. De Belastingdienst kon ook niet aannemelijk maken dat het btw-belastingvoordeel het hoofddoel was.

Let op! Rechtbank Noord-Nederland heeft in een soortgelijke casus ook geoordeeld dat geen sprake was van misbruik van recht. In die casus had de bv als doel van de verkoop gegeven dat het afschrijvingspotentieel van de auto bereikt was en de fiscale bijtelling een aanzienlijke last voor de dga vormde. De rechtbank achtte deze verklaring geloofwaardig en oordeelde daarom dat het wezenlijke doel van de verkoop van de auto niet het besparen van btw was.

Wachten op uitspraak Hoge Raad

Het wachten is nu op de Hoge Raad. In ieder geval tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam is beroep in cassatie ingesteld. We houden u uiteraard op de hoogte.

Kantoor naast woning dga

In een zaak bij rechtbank Zeeland-West-Brabant handelde het om een bv die met een kantoor gevestigd was naast de woning van de dga. De dga had een hovenier opdracht gegeven de tuin aan te leggen, alsmede parkeerplaatsen inclusief bestrating. De werkzaamheden hadden zowel betrekking op de kantoorruimte als op de woning.

Zakelijk en privé gebruikt

Bij een boekencontrole bleek dat twee van de zes facturen op naam van de bv waren gezet voor in totaal ruim € 5.600. Volgens de inspecteur was echter voor een bedrag van € 2.698 ten onrechte de btw verrekend, aangezien het voor dit deel om privéuitgaven van de dga handelde. Dit leverde een naheffing met boete op, waarna de zaak voor de rechter kwam.

Bedrijfsmatig gebruikt?

Voor de rechtbank stond de vraag centraal of de geleverde diensten van de hovenier zakelijk werden gebruikt en of de bv als afnemer van deze diensten kon worden aangemerkt. Volgens de rechtbank was dit niet het geval. Zo was de offerte gericht aan en ondertekend door de dga. Bovendien bleken zowel het kantoor als de woning eigendom te zijn van de dga. Dat twee van de zes facturen aan de bv waren gericht, maakte nog niet dat er een rechtsbetrekking tussen de hovenier en de bv bestond. Van belang was ook dat een deel van de diensten tevens privé werd gebruikt, zoals de aanleg van de parkeerplaatsen. Tenslotte speelde een rol dat een specificatie van de zakelijke en privéwerkzaamheden ontbrak en dat hierover tussen de dga en de bv ook geen afspraken waren gemaakt. 

De rechtbank liet de naheffing inclusief boete dan ook in stand.

Verhoging btw-tarief

In het Belastingplan 2025 was het voornemen opgenomen het lage btw-tarief van 9% voor genoemde sectoren per 2026 te verhogen naar 21%. Onder druk van de Tweede Kamer is toegezegd de verhoging niet door te laten gaan en hiervoor naar alternatieve dekking te zoeken.

Alternatieven

Het kabinet stelt nu drie alternatieven voor. Deze voorstellen zijn:

  • het verhogen van de btw op enkele specifieke goederen en diensten van 9 naar 21%, of
  • een algemene verhoging van het lage en/of het hoge btw-tarief, of
  • een eerste stap richting één uniform btw-tarief.

Verhoging btw op enkele specifieke goederen en diensten

Er bestaat voor een aantal specifieke goederen en diensten momenteel een verlaagd btw-tarief. Dit varieert van schilderwerkzaamheden tot de toegang tot bioscopen. Dit btw-tarief zou voor deze goederen en diensten kunnen worden verhoogd van 9 naar 21%. Het kabinet geeft per onderdeel aan wat het budgettaire belang is. 

Verhoging bestaande tarieven

Een ander alternatief is een algehele verhoging van het lage btw-tarief, het hoge btw-tarief, of beide. Het kabinet geeft aan dat een verhoging van het lage btw-tarief een stap is in de richting van één uniform btw-tarief. Een nadeel van de verhoging van het lage btw-tarief is wel dat hierdoor de dagelijkse boodschappen in prijs zullen stijgen. 
Een verhoging van het hoge btw-tarief is in een motie al afgewezen door de Tweede Kamer.

Uniformering tarief

Een derde alternatief is een eerste stap te zetten naar één uniform btw-tarief. Het kabinet acht de stap om in één keer over te gaan naar één middentarief te groot. Wel zouden goederen en diensten, behalve voedingsmiddelen, tijdelijk kunnen worden overgebracht naar een nieuw middentarief. Echter is het opzetten van een nieuw tijdelijk middentarief uitvoeringstechnisch pas vanaf 2027 mogelijk.

Let op! De bovengenoemde alternatieven zullen allereerst worden besproken in de Tweede Kamer.