Keuze woning bij duurzaam gescheiden echtgenoten bepalend voor renteaftrek
Duurzaam gescheiden
Echtgenoten die duurzaam gescheiden zijn, zijn in beginsel fiscaal nog steeds elkaars partner. Wel kunnen ze voor maximaal twee jaar twee woningen als eigen woning bestempelen. Daarna is niet meer relevant of de echtgenoten nog samenleven en kan er slechts één woning een eigen woning zijn. Dit blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Keuze maken
De echtgenoten moeten samen een keuze maken welke woning als eigen woning moet worden aangemerkt. Die keuze geldt voor beiden en is bepalend voor onder meer de aftrek van de hypotheekrente. De keuze kan niet meer worden herzien, ook niet als de ene partner een andere keuze maakt. In dat geval is de eerst binnengekomen aangifte bepalend. Wordt geen keuze gemaakt, dan is voor geen enkele woning aftrek van hypotheekrente mogelijk.
Niet dezelfde keuze
In bovenvermelde zaak hadden twee duurzaam gescheiden levende echtgenoten beiden een eigen woning. Ze hadden ieder hun woning in hun aangifte voor 100% aangemerkt als eigen woning. Dit betekende dat geen onderlinge verhouding was gekozen voor wat betreft de aftrek van de hypotheekrente. De aangifte van de man was als eerste ingediend. Daarom werd de aftrek van de hypotheekrente van zijn woning aan ieder van de echtgenoten voor 50% toegedeeld.
Overleg was lonend geweest
Uit de uitspraak blijkt dat de echtgenoten beter even hadden kunnen overleggen. De aftrekbare hypotheekrente bedroeg bij de man namelijk € 3.253 en bij de vrouw € 6.497. Een keuze voor de woning van de vrouw had dan ook bij beiden ruim € 1.600 meer aftrek opgeleverd.
Uitzendregeling
De uitzendregeling is van toepassing als u voldoet aan de volgende voorwaarden:
- U of uw fiscale partner is al minimaal één jaar eigenaar van de woning. Deze woning vormt ook al minimaal één jaar uw hoofdverblijf op het moment dat u tijdelijk ergens anders gaat wonen in verband met een uitzending of overplaatsing.
- Na afloop van de uitzending of overplaatsing gaat u weer in de woning wonen.
- U gaat tijdens de uitzending of overplaatsing niet in een andere eigen woning als hoofdverblijf wonen.
- Er mogen in principe geen anderen in uw woning wonen in de periode dat u elders woont.
Let op! Om gebruik te kunnen maken van de uitzendregeling, moet u een verzoek doen om deze toe te passen.
Personen die wel in uw woning mogen wonen
Buiten de wet om is goedgekeurd dat bepaalde personen toch in uw woning mogen wonen, zonder dat dit in de weg staat aan toepassing van de uitzendregeling. Voorwaarde is dat zij geen huur of een andere vergoeding aan u betalen. Het gaat om de volgende personen:
- De kinderen van u, uw fiscale partner of een persoon die direct voorafgaand aan uw uitzending of overplaatsing uw fiscale partner is.
- Uw fiscale partner of een persoon die door uw uitzending of overplaatsing niet meer kwalificeert als uw fiscale partner.
- Personen die al minimaal één jaar tot uw huishouden horen op het moment dat u tijdelijk ergens anders gaat wonen (bijvoorbeeld een hulpbehoevende ouder).
Opname in wet en uitbreiding
De goedkeuring dat deze personen toch in uw woning mogen wonen tijdens toepassing van de uitzendregeling, wordt opgenomen in de wet. Daarbij vindt een uitbreiding van de goedkeuring plaats. Naast kinderen, wordt in de wet opgenomen dat ook andere bloed- en aanverwanten in de rechte neergaande lijn in de woning mogen wonen tijdens toepassing van de uitzendregeling. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook uw kleinkind of achterkleinkind in uw woning kan wonen tijdens uw uitzending.
Fiscale verzamelwet 2026
De aanpassingen zijn opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2026, welke onlangs aan de Tweede Kamer is aangeboden. De Tweede en Eerste Kamer moeten nog instemmen met dit wetsvoorstel. De aanpassingen zijn daarom nog niet definitief.
Eén huis, of niet?
In een zaak die onlangs speelde voor de rechtbank Noord-Holland ging het om de vraag wanneer een deel van een woning tot box 1 behoort en wanneer tot box 3. In de betreffende zaak bestond een groot herenhuis uit drie afzonderlijkje verdiepingen. De onderste was in het verleden verhuurd geweest en werd nu door de eigenaar gebruikt die zelf op de bovenste verdieping woonde. De middelste verdieping was verhuurd aan zijn dochter.
Aanhorigheid?
De eigenaar was van mening dat alleen de aan zijn dochter verhuurde etage tot box 3 behoorde. De onderste etage beschouwde hij als een aanhorigheid van de door hem zelf bewoonde bovenste etage. Daarom was hij van mening dat ook de onderste etage als eigen woning moest worden aangemerkt en in box 1 thuishoorde.
Wanneer aanhorigheid?
Volgens eerdere rechtspraak is sprake van een aanhorigheid als een bouwwerk behoort bij een gebouw, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is. Volgens de rechtbank was dat hier niet het geval. De etages hadden namelijk een eigen opgang, adresaanduiding, WOZ-objectnummer en een eigen WOZ-waarde. Ook waren ze elk voorzien van een eigen keuken, badkamer en sanitair. Dit betekent dat de appartementen los van elkaar verkocht zouden kunnen worden en afzonderlijk van elkaar zouden kunnen worden gebruikt als zelfstandige wooneenheden. Ook was de onderste etage in het verleden verhuurd geweest en na een verbouwing afzonderlijk als woning te gebruiken.
Eigen gebruik niet relevant
De rechtbank stond ook stil bij het feit dat de eigenaar de onderste etage na de verhuur weer zelf is gaan gebruiken. Ook dit feit leidde echter niet tot een ander oordeel. De navordering blijft dan ook in stand.
Opslag voor ondernemersfonds
In een zaak die voorlag bij het Hof Amsterdam had een gemeente aanslagen OZB opgelegd. De aanslagen voor niet-woningen waren daarbij verhoogd met een opslag ter financiering van de kosten van een ondernemersfonds.
Teruggave opslag
De gemeente had ervoor gekozen om bepaalde groepen ondernemers de mogelijkheid te bieden deze opslag terug te vragen. De optie was met name bedoeld voor ondernemers die niet met het ondernemersfonds mee wilden doen, omdat ze er naar hun mening geen profijt van zouden hebben.
Tariefdifferentiatie
Hoewel de teruggave van de opslag werd uitgevoerd door een derde partij, was er volgens het Hof toch sprake van een tariefdifferentiatie die verder ging dan wettelijk is toegestaan. Zo mag bijvoorbeeld wel voor woningen een ander tarief worden gehanteerd en mag voor niet-woningen voor eigenaren een ander tarief worden gehanteerd dan voor huurders.
Onverbindend
Het Hof komt dan ook tot de conclusie dat de gemeentelijke verordening deels onverbindend is. Dit betekent dat de OZB-aanslag bij de procederende ondernemer met de opslag werd verminderd.