t
0344 647 000
|

Voorkom belastingrente Vpb 2024 met VA vóór 1 mei of aangifte vóór 1 juni 2025

Belastingrente

De Belastingrente voor de vennootschapsbelasting bedraagt in 2025 9%. Als de Belastingdienst met dagtekening vanaf 1 juli 2025 een (voorlopige) aanslag Vpb 2024 oplegt, wordt belastingrente over de periode die begint op 1 juli 2025 en eindigt zes weken na dagtekening van de (voorlopige) aanslag berekend.

Let op! Als de Belastingdienst te lang doet over het opleggen van de (voorlopige) aanslag, kan het zijn dat de periode eerder eindigt. De periode eindigt namelijk altijd uiterlijk 14 weken na een verzoek om een voorlopige aanslag en 19 weken na ontvangst van de aangifte.

Voorkomen belastingrente

U kunt deze belastingrente voorkomen. Hiervoor moet u vóór 1 juni 2025 uw aangifte Vpb 2024 juist en volledig indienen of vóór 1 mei 2025 verzoeken om een juiste en volledige voorlopige aanslag Vpb 2024. In die gevallen zal de Belastingdienst geen belastingrente berekenen.

Let op! Dit is anders als de aanslag afwijkt van het verzoek om een voorlopige aanslag of van de ingediende aangifte. In die gevallen zal de Belastingdienst namelijk wel belastingrente berekenen vanaf 1 juli 2025. Het is daarom belangrijk dat uw aangifte juiste en volledig is en het verzoek om een voorlopige aanslag zo goed mogelijk is ingeschat.

Heeft de (voorlopige) aanslag een dagtekening vóór 1 juli 2025, dan berekent de Belastingdienst ook geen belastingrente. Dit geldt dus ook als de aangifte is ingediend vanaf 1 juni 2025 of de voorlopige aanslag is aangevraagd vanaf 1 mei 2025.

Belastingrente bij gebroken boekjaar

Heeft u een gebroken boekjaar, dan berekent de Belastingdienst belastingrente over een periode die zes maanden na afloop van het boekjaar aanvangt. Ook bij een gebroken boekjaar kunt u de belastingrente voorkomen. U moet dan uw aangifte juist en volledig indienen binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar of verzoeken om een voorlopige aanslag binnen vier maanden na afloop van het boekjaar.

Bezwaar belastingrente

Over de vraag of de Belastingdienst een dergelijk hoge belastingrente mag opleggen, loopt voor de vennootschapsbelasting inmiddels een massaalbezwaarprocedure. Als u op tijd bezwaar maakt tegen de belastingrente op een aanslag vennootschapsbelasting, kunt u aansluiten bij deze procedure. Dit betekent dat de Belastingdienst nog geen uitspraak doet maar wacht op het uiteindelijke oordeel van de Hoge Raad.

Belastingrente

De Belastingrente voor de inkomstenbelasting bedraagt in 2025 6,5%. Als de Belastingdienst met dagtekening vanaf 1 juli 2025 een (voorlopige) aanslag IB 2024 oplegt, wordt belastingrente berekend over de periode die begint op 1 juli 2025 en eindigt zes weken na dagtekening van de (voorlopige) aanslag.

Let op! Als de Belastingdienst te lang doet over het opleggen van de (voorlopige) aanslag, kan het zijn dat de periode eerder eindigt. De periode eindigt namelijk altijd uiterlijk 14 weken na een verzoek om een voorlopige aanslag en 19 weken na ontvangst van de aangifte.

Voorkomen belastingrente

U kunt deze belastingrente voorkomen. Hiervoor moet u vóór 1 mei 2025 uw aangifte IB 2024 juist en volledig indienen of vóór 1 mei 2025 verzoeken om een juiste en volledige voorlopige aanslag IB 2024. In die gevallen zal de Belastingdienst geen belastingrente berekenen.

Let op! Dit is anders als de aanslag afwijkt van het verzoek om een voorlopige aanslag of de ingediende aangifte. In die gevallen zal de Belastingdienst namelijk wel belastingrente berekenen vanaf 1 juli 2025. Het is daarom belangrijk dat uw aangifte juist en volledig is en het verzoek om een voorlopige aanslag zo goed mogelijk is ingeschat.

Heeft de (voorlopige) aanslag een dagtekening vóór 1 juli 2025, dan berekent de Belastingdienst ook geen belastingrente. Dit geldt dus ook als de aangifte is ingediend vanaf 1 mei 2025 of de voorlopige aanslag is aangevraagd vanaf 1 mei 2025.

Bezwaar belastingrente

Over de vraag of de Belastingdienst een dergelijk hoge belastingrente mag opleggen, loopt voor de vennootschapsbelasting inmiddels een massaalbezwaarprocedure. Als u op tijd bezwaar maakt tegen de belastingrente op een aanslag vennootschapsbelasting, kunt u aansluiten bij deze procedure. Dit betekent dat de Belastingdienst nog geen uitspraak doet, maar wacht op het uiteindelijke oordeel van de Hoge Raad.

Deze massaalbezwaarprocedure geldt momenteel niet voor bezwaren tegen de belastingrente op aanslagen inkomstenbelasting. De Belastingdienst zal dergelijke bezwaren daarom afwijzen. Mogelijk dat nog besloten wordt om deze bezwaren toch op te nemen in een massaal bezwaar procedure. Daar is op dit moment echter nog niets over bekendgemaakt.

Dit oordeelde Rechtbank Noord-Holland die een casus behandelde waarin de Belastingdienst stelde dat de borgstelling onzakelijk was en verliesneming niet mogelijk was.

Borgstelling en regresvordering

In de praktijk gebeurt het zeer regelmatig dat een dga zich jegens de bank borg moet stellen voor (een deel van) de schulden die zijn bv aangaat. Op het moment dat de bv die schulden dan niet meer kan afbetalen aan de bank, wordt de dga als borg door de bank aangesproken om die schulden alsnog te voldoen. De dga krijgt dan een zogenaamde regresvordering op de bv: hij kan de door hem betaalde bedragen ter aflossing van de schulden van de bv weer verhalen op de bv. De bv heeft echter over het algemeen dan geen financiële middelen meer, met als gevolg dat de waarde van de regresvordering vaak lager is dan het nominale bedrag of zelfs nul is. 

Afwaardering regresvordering

De regresvordering van de dga op de bv valt onder de regeling van het ter beschikking stellen van vermogen (box 1). De vraag die in de praktijk dan vaak speelt is of de dga een verlies kan nemen vanwege de aanspraak als borg. De Belastingdienst stelt zich bijna altijd op het standpunt dat dit niet mogelijk is omdat de borgstelling van een dga voor schulden van zijn bv naar het oordeel van de Belastingdienst in vrijwel alle gevallen onzakelijk is. Er is, in de ogen van de Belastingdienst, bijvoorbeeld geen willekeurige derde te vinden die een dergelijke borgstelling zou aangaan tegen een vergoeding of het is vanaf het begin voor de dga al duidelijk dat hij op de borg zal worden aangesproken.

Gevolg is dat de dga van de Belastingdienst geen verlies vanwege de gedaalde waarde van de regresvordering mag nemen.

Rechtbank Noord-Holland

Vaak zal de Belastingdienst door een rechter in het gelijk worden gesteld. Er zijn echter situaties denkbaar waarin een borgstelling van een dga voor zijn bv wel degelijk zakelijk kan zijn. Het is bovendien aan de Belastingdienst om aan te tonen dat de borgstelling onzakelijk is. Dat moet de Belastingdienst doen door aannemelijk te maken dat er geen derde is die onder dezelfde omstandigheden bereid zou zijn een dergelijke borgstelling aan te gaan. Slaagt de Belastingdienst niet in deze bewijslast, dan is de borgstelling zakelijk.

Zo verliep ook de casus die voorlag bij rechtbank Noord-Holland. De dga in die casus stond borg voor schulden die bij een bv ontstaan waren door de overname van een onderneming. De borgstelling bedroeg in dit geval een relatief klein deel van de totale schuld. Er was in deze casus ook een derde (in casu de verkoper van de onderneming) bereid geweest garant te staan voor een deel van de borgstelling. Er was naar het oordeel van de rechtbank verder geen reden om aan te nemen dat leningen die de bank aan de bv verstrekte onzakelijk waren. Dit alles bij elkaar maakte dat de rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst niet aannemelijk maakte dat sprake was van een onzakelijke borgstelling. De dga kon daarom een verlies nemen ter grootte van het bedrag waarvoor hij was aangesproken als borg.

In de praktijk

Voorgaande uitspraak betekent niet dat hiermee elke borgstelling zakelijk is en een eventueel verlies aftrekbaar. Een en ander is sterk afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden en de beoordeling daarvan door de Belastingdienst en uiteindelijk de rechter.

Houd er verder rekening mee dat wellicht hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank en dat een gerechtshof mogelijk dus nog anders kan oordelen.

Betere voorbereiding

Door iets meer tijd te nemen kan een aanvraag voor de subsidie beter worden voorbereid. Zo kan een aanvraag vooraf worden besproken met een adviseur van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO). Zodoende kan de kwaliteit van de aanvraag verbeterd worden, met een grotere kans op succes.

SDE++

Met de subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) worden grootschalige duurzame energieprojecten gesubsidieerd. Doel is dat hiermee hernieuwbare energie wordt opgewekt en/of de CO2-uitstoot wordt verminderd. In 2025 is voor de SDE++ € 8 miljard beschikbaar.

Aparte budgetten

Binnen de SDE++ zijn aparte budgetten beschikbaar voor technieken die nu nog minder rendabel zijn, maar wel stimulering verdienen omdat ze belangrijk zijn in het kader van de verduurzaming. Het betreft technieken die lagetemperatuurwarmte, hogetemperatuurwarmte en moleculen (groen gas en waterstof) produceren. Voor ieder project is maximaal € 750 miljoen subsidie beschikbaar.

Wijzigingen 

De SDE++ is op een aantal punten gewijzigd. Zo zijn er nieuwe subsidiemogelijkheden op het gebied van de afvang van CO2 uit de lucht, voor het terugwinnen van waterstof uit restafval en zijn er nieuwe subsidiemogelijkheden inzake zonnepanelen. Anderzijds zijn er ook subsidiemogelijkheden geschrapt. Dit betreft onder andere daglichtkassen en installaties voor aardwarmte. Meer informatie vindt u bij RVO.nl.

Aanvragen

De subsidie kan worden aangevraagd bij de RVO. Dit kan vanaf 7 oktober 2025 9.00 uur tot en met 6 november 2025 17.00 uur.