De Omnibus-wet, wat betekent dit mogelijk voor u?
Ondernemingen met meer dan 1000 medewerkers
Het aantal ondernemingen dat onder de CSRD (Corporate Sustainability Reporting Directive) zal vallen, zal drastisch verminderen. Aangenomen was dat naast het criterium van 1.000 medewerkers, ook een omzetgrens van 450 miljoen euro zou gelden. Het voorstel is dat dit wordt beperkt tot alleen ondernemingen met meer dan 1.000 medewerkers. Dit zal nog steeds tot een forse afname van het aantal CSRD-plichtige ondernemingen leiden, maar minder fors dan waarvan werd uitgegaan. Desondanks wordt met deze maatregel een aanzienlijke (toekomstige) administratieve lastenverlichting voor tal van ondernemingen gerealiseerd.
Rapportageplicht van 2025 naar 2027
Voor ondernemingen die oorspronkelijk voor het eerst over het jaar 2025 zouden moeten rapporteren, geldt een uitstel van het eerste verslagjaar met twee jaar naar 2027. Omdat ook de te rapporteren informatie nog wordt aangepast, zal het voor hen lastig zijn om zich nu al voor te bereiden.
Let op! Het Europees Parlement heeft op 3 april 2025 ingestemd met het uitstel naar 2027. Over de overige wijzigingen moet nog worden gestemd.
Een CSRD-plichtige zakenrelatie?
In de praktijk blijkt dat veel mkb-ondernemingen rechtstreekse zakenrelaties hebben die wel CSRD-plichtig zijn. Deze zogenaamde ‘tier-1’ leveranciers hebben een rechtstreekse relatie en zullen daardoor moeten voldoen aan de uitvraag van hun zakenpartner, de CSRD-plichtige onderneming. Mkb-ondernemers waar dit voor geldt, zullen moeten kunnen rapporteren op basis van de VSME-standaard ((Voluntary small and medium enterprise).
Naast de ketenverantwoording zal ook een deel van de ondernemingen uit intrinsieke motivatie over hun duurzaamheidsprestaties willen rapporteren. Ook voor deze ondernemingen is de VSME-standaard beschikbaar.
Het toepassen van de VSME-standaard is aanzienlijk minder uitgebreid en minder complex dan de ESRS-standaarden (European Sustainability Reporting Standards). De EFRAG (European Financial Reporting Advisory Group) heeft toegezegd om hiervoor tooling beschikbaar te stellen, onder meer in Excel.
Tip! Heeft u moeite de verantwoording op basis van deze standaard zelfstandig op te stellen, neem dan contact met ons op. Wij adviseren en/of helpen u graag.

Zero-emissiezones
In zero-emissiezones mogen op termijn alleen nog bedrijfswagens en vrachtwagens zonder CO2-uitstoot rijden. De meest vervuilende fossiel aangedreven voertuigen mogen vanaf 1 januari 2025 al niet meer in deze zones rijden. In 14 gemeenten bestaat sinds 1 januari 2025 al een zero-emissiezone. Tot en met 2030 komen daar nog minimaal 15 gemeenten bij.
Overgangsrecht, vrijstelling en ontheffing
Voor schonere emissieklassen gelden overgangsregelingen die gefaseerd aflopen richting het jaar 2030. Bepaalde voertuigen zoals kraanwagens, hoogwerkers en straatvegers zijn tot 1 januari 2030 wettelijk vrijgesteld van de zero-emissiezones. Die vrijstelling vervalt als het voertuig 13 jaar oud wordt.
Let op! Voor bepaalde auto’s is het verder nog mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij het RDW.
Afspraken
Om de invoering van de zero-emissiezones soepel te laten verlopen zijn op verzoek van de Tweede Kamer door gemeenten, brancheorganisaties en staatssecretaris Jansen van Infrastructuur en Waterstaat afspraken gemaakt.
Boetevrije periode
Zo is afgesproken dat elke gemeente een boetevrije periode van minimaal zes maanden instelt. Dit betekent dat pas vanaf 1 juli 2025 de eerste boetes uitgedeeld worden. Elke gemeente kan overigens zelf bepalen om deze boetevrije periode te verlengen.
Uitstel bestelauto’s emissieklasse 6
Verder is een wetswijziging afgesproken waarmee bestelauto’s met emissieklasse 6 een jaar langer uitstel krijgen. Met dit jaar uitstel loopt de overgangsregeling voor deze bestelauto’s niet tot 1 januari 2028, maar tot 1 januari 2029. Zo’n 46 procent van de bedrijfsbussen profiteert hiervan.
Landelijke afspraken
Het kabinet werkt tenslotte aan een nieuw convenant met gemeenten en brancheorganisaties. In dit convenant komen afspraken over ontheffingen voor ondernemers die de overstap naar een elektrisch voertuig (nog) niet kunnen maken in verband met netcongestie en/of bedrijfseconomische redenen. Deze ontheffingen gaan dan landelijk gelden en dus niet per gemeente.
Het is de bedoeling dat het convenant nog in het eerste kwartaal van 2025 getekend wordt.
Hulp bij aangifte (Huba)
De Belastingdienst staat belastingplichtigen op veel manieren bij als je niet in staat bent zelf de aangifte inkomstenbelasting in te vullen. De website van de Belastindienst biedt antwoord op vele vragen, maar je kunt ook bellen met de belastingtelefoon, videobellen of langskomen op een belastingkantoor in de buurt.
Ten onrechte zelfstandigen- en startersaftrek
Onlangs kwam voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant de vraag aan de orde wat het gevolg is als de Belastingdienst een fout maakt tijdens de hulp bij aangifte. In het betreffende geval ging het om een belastingplichtige die inkomen uit arbeid had, maar ook een onderneming was gestart. In die onderneming waren nog geen activiteiten verricht. Een medewerker van de Belastingdienst die de aangifte invulde, kende de ondernemer – later bleek ten onrechte – toch de zelfstandigen- en startersaftrek toe.
Terugbetalen
De ondernemer kreeg derhalve in eerste instantie via haar voorlopige aanslag ruim € 3.000 aan belasting terug, maar dat werd twee jaar later via haar definitieve aanslag weer teruggedraaid. De ondernemer was van mening dat de fout niet zijn schuld was en stapte naar de rechter.
Aanslag blijft, belastingrente niet
Voor de rechter werd duidelijk dat er sprake was van een ‘kenbare fout’. Het bedrag van de winst uit onderneming week namelijk dermate af van de werkelijke winst dat de ondernemer had moeten beseffen dat dit niet klopte. De ondernemer had er dan ook niet op mogen vertrouwen dat de aangifte zou worden gevolgd.
De rechtbank was wel van mening dat er sprake was van onzorgvuldig handelen door de Belastingdienst. Daarom werd de in rekening gebrachte belastingrente van € 146 geschrapt.
Tip! Ook als u de hulp van de Belastingdienst inroept, is het altijd verstandig de aangifte goed te controleren.
Wet excessief lenen
Sinds 2023 wordt fors lenen bij de eigen bv ontmoedigd door de Wet excessief lenen. Kort samengevat betekent dit dat dga’s die meer dan € 500.000 lenen bij hun eigen bv(‘s), over het meerdere (dus boven de € 500.000) belasting moeten betalen.
Let op! Lenen partners of bloed- en aanverwanten in de rechte lijn ook van de bv(‘s) van de dga, dan tellen die leningen (deels) ook mee voor de grens van € 500.000.
Stallen van gelden bij dga
De Belastingdienst heeft een standpunt naar buiten gebracht over het stallen van gelden door een bv bij de dga. Dit gebeurt in de praktijk bijvoorbeeld als de dga een hogere rente ontvangt dan de bv, of als de bv optimaal gebruik wil maken van het depositogarantiestelsel. Door het stallen van gelden bij de dga worden de gelden over meerdere banken verdeeld. Op die manier kan meerdere keren geprofiteerd worden van het depositogarantiestelsel. Dit stelsel garandeert dat bij betalingsmoeilijkheden van een bank, per bank een bedrag van maximaal € 100.000 is gegarandeerd.
Bij het stallen van gelden door een bv bij de dga blijft de bv over het algemeen economisch de eigenaar van de gelden. Alleen de juridische eigendom ligt bij de dga.
Telt mee voor excessief lenen
De Belastingdienst is van mening dat de gestalde gelden worden aangemerkt als leningen van de bv aan de dga die meetellen voor de Wet excessief lenen, omdat de gelden ook daadwerkelijk gestort zijn op de bankrekening(en) van de dga.
Ook zonder economische eigendom
Het maakt daarbij niet uit dat de dga niet de economische eigendom van de gelden heeft. Ook zonder die economische eigendom worden de gestalde gelden aangemerkt als leningen van de bv aan de dga die meetellen voor de grens van € 500.000 volgens de Belastingdienst. Wanneer door de gestalde gelden het totaal aan schulden van de dga aan de bv dus boven de € 500.000 uitkomt, moet de dga hierover belasting betalen.