t
0344 647 000
|

Minder korting op brandstofaccijns per 2026

Accijnskorting

De Tweede Kamer heeft een voorstel tot wetswijziging aan genomen om de brandstofaccijnskorting in 2026 met € 448 miljoen te verlagen. In plaats van een totale accijnskorting van € 1.716 miljoen, wordt de korting daardoor € 1.268 miljoen. De verlaging van de brandstofaccijnskorting wordt evenredig over benzine, diesel en LPG verdeeld (zie onderstaande tabel).

 Accijns 2026 (euro per liter)  Benzine  Diesel  LPG
 Oorspronkelijke voorstel  € 0,7891  € 0,5163  € 0,1862
 Na wetswijziging Tweede Kamer  € 0,8447  € 0,5523  € 0,1993
 Verschil (hogere accijns)  € 0,0556  € 0,036  € 0,0131

Al met al wordt de accijns op benzine door dit voorstel ongeveer 5,5 eurocent hoger, de accijns op diesel 3,6 eurocent en op LPG 1,3 eurocent.

Vrijgekomen budget naar OV

De Tweede Kamer wil dat het vrijgekomen budget wordt ingezet om bezuinigen op en verschraling van het OV te voorkomen.

Let op! Het voorstel tot wetswijziging is nog niet definitief. De Eerste Kamer moet hier namelijk ook nog mee instemmen.

Btw-ondernemer of niet?

Voor de heffing van btw bij verhuur van een vakantiewoning is dus van belang of u hiervoor al dan niet als btw-ondernemer wordt aangemerkt. De verhuur moet dan zodanig zijn dat sprake is van exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen. De vraag is wanneer hiervan sprake is. Die vraag is niet in alle gevallen eenvoudig te beantwoorden en afhankelijk van de feiten en omstandigheden.

Duurzaam

Van belang daarbij is met name of de verhuur van de vakantiewoning erop gericht is om duurzaam opbrengst hieruit te krijgen. Daarvan zal bij een incidentele verhuur van de vakantiewoning geen sprake zijn. Vraag daarbij is uiteraard wanneer de verhuur incidenteel is. Daar zijn helaas geen harde cijfers voor beschikbaar.

Let op! In een ver verleden was er een goedkeuring dat er geen sprake was van btw-ondernemerschap als de vakantiewoning was aangeschaft met het oogmerk om deze in de eerste plaats zelf te gebruiken. Goedgekeurd was dat er in ieder geval vanuit gegaan mocht worden dat er sprake was van btw-ondernemerschap als de vakantiewoning minstens 140 dagen per jaar verhuurd werd. Het besluit waarin deze goedkeuring was opgenomen, is echter medio 2009 al ingetrokken. Voor de beoordeling of wel of niet sprake is van btw-ondernemerschap, kunt u daarom geen gebruikmaken van deze getalsmatige beoordeling.

Vooroverleg

Twijfelt u of u wel of niet btw-ondernemer bent voor de verhuur van uw vakantiewoning? U kunt door middel van een verzoek tot vooroverleg de Belastingdienst vragen een standpunt hierover in te nemen. Verschilt u van mening, dan kunt u de zaak altijd voorleggen aan de belastingrechter door in beroep te gaan tegen de beslissing van de Belastingdienst over al dan niet in rekening gebrachte btw.

Btw-vrijgesteld of btw-belast

Bent u btw-ondernemer voor de verhuur van uw vakantiewoning, dan moet nog bepaald worden of er sprake is van een btw-vrijgestelde verhuur of een btw-belaste verhuur is. Over het algemeen zal de verhuur btw-belast zijn (nu nog met 9% btw, vanaf 1 januari 2026 met 21% btw). Dat kan anders zijn als het verhuur van een woning betreft voor een langere periode aan één persoon.

Tip! Overleg over uw eigen situatie met één van onze adviseurs.

Voor- of nadeel?

Het in rekening moeten brengen van btw lijkt nadelig, maar kent ook een voordelige kant. Het betekent immers ook dat de btw die bij aanschaf van de vakantiewoning mogelijk betaald is en de btw over de exploitatiekosten (zoals onderhoud, energie, schoonmaakkosten en bemiddelingsfee), aftrekbaar is. Welk deel ervan aftrekbaar is, hangt weer af van de mate van btw-belaste verhuur en het eigen gebruik.

Voorbeeld
U koopt in 2025 een vakantiewoning voor € 121.000 (inclusief btw). De vakantiewoning wordt in 2025 voor 70% btw-belast verhuurd en staat dan niet aan u ter beschikking. Voor 30% wordt de vakantiewoning door u zelf gebruikt. Van de btw bij aankoop van € 21.000 kunt u dan in 2025 € 14.700 (70%) terugvragen in uw btw-aangifte.

Let op!Als de verhouding tussen de btw-belaste verhuur en het eigen gebruik in de jaren wijzigt, kan het zijn dat u een deel van de afgetrokken btw op de aanschaf van de vakantiewoning terug moet betalen of dat u een deel van de niet-afgetrokken btw alsnog in aftrek kunt brengen.

9% of 21%?

Als de verhuur van uw vakantiewoning btw-belast is, brengt u in 2025 9% btw in rekening. Houd er rekening mee dat dit percentage vanaf 2026 21% bedraagt.

Let op! Ontvangt u in 2025 al vooruitbetaling voor verhuur die in 2026 plaatsvindt? Dan moet u daarover in 2025 al 21% btw berekenen.

Wat speelt er?

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed eind september 2025 twee uitspraken over pensioenpremies en btw. De eindconclusie in deze twee uitspraken was dat het uitvoeren van een pensioenregeling niet onder een btw-vrijstelling valt. Gevolg was dat het betreffende pensioenfonds recht had op btw-aftrek, maar ook dat de volledige pensioenpremie belast was met btw.

Let op!Gerechtshof Amsterdam oordeelde in februari 2023 anders. In die uitspraak was de btw-vrijstelling wel van toepassing.

Kostenverhogend

Door de uitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zouden pensioenpremies belast moeten worden met btw. Dit is zeer ongunstig voor bedrijven die geen recht hebben op aftrek van btw, bijvoorbeeld bedrijven die alleen maar btw-vrijgestelde prestaties verrichten. De btw werkt voor deze bedrijven kostenverhogend.

Beroep in cassatie

Tegen de uitspraak van gerechtshof Amsterdam loopt al beroep in cassatie. In afwachting van een oordeel van de Hoge Raad hanteert de Belastingdienst het uitgangspunt dat de pensioenuitvoering één btw-vrijgestelde dienst is. Dit betekent dat pensioenfondsen geen btw hoeven te berekenen over de pensioenpremies. Voor bedrijven die geen recht hebben op aftrek van btw, treedt daarom op dit moment nog geen kostenverhoging op door de btw.

Wettelijke acceptatieplicht contante betalingen

De wettelijke acceptatieplicht betekent dat consumenten contant moeten kunnen betalen aan niet-consumenten. In onder meer winkels en horecagelegenheden wordt het wettelijk verplicht deze contante betalingen door consumenten te accepteren. Het gaat hierbij om contante betalingen tot € 3.000.

Uitzonderingen

Voor bepaalde activiteiten of vanwege de veiligheid komen er uitzonderingen op de wettelijke acceptatieplicht. In het ‘Besluit uitzonderingen acceptatie contant geld’ zijn deze uitzonderingen opgenomen.

Niet gelijktijdig persoonlijk aanwezig

Zo wordt er een uitzondering voor de wettelijke acceptatieplicht voorgesteld voor situaties waarbij degene die moet betalen en degene aan wie wordt betaald niet allebei tegelijk persoonlijk aanwezig zijn. Denk hierbij aan verkoop via een onbemande verkoopautomaat, betalingen bij een parkeerautomaat, bij een onbemand tankstation of een onbemande tolpoort.

Let op! Deze uitzondering geldt niet als er een natuurlijke persoon aanwezig is die werkzaamheden verricht voor degene aan wie betaald wordt. Als er bijvoorbeeld in een supermarkt een beveiliger of vakkenvuller aanwezig is, maar er zijn alleen zelfscankassa’s, moet er minimaal één zelfscankassa toch contant geld accepteren.

Overeenkomst op afstand

Verder wordt een uitzondering voor de wettelijke acceptatieplicht voorgesteld bij aankopen op afstand, denk aan online, per postorder of telefonisch.

Periodieke betalingen

Ook periodieke betalingen, zoals de betaling van huur, energie, abonnementen of een verzekeringspremie, vallen erbuiten.

Buiten de verkoopruimte

Vanwege de veiligheid wordt voorgesteld om betalingen die plaatsvinden buiten een verkoopruimte, bijvoorbeeld wanneer er moet worden afgerekend aan de deur aan een maaltijdbezorger, uit te zonderen van de wettelijke acceptatieplicht.

Let op! Een mobiele verkoopruimte, zoals een marktkraam, valt niet onder deze uitzondering.

In het openbaar vervoer

Ook de verkoop van vervoersbewijzen in het openbaar vervoer wordt, vanwege de veiligheid, uitgezonderd van de wettelijke acceptatieplicht.

Niet van 22.00 uur tot 6.00 uur

Om veiligheidsredenen wordt verder voorgesteld om betalingen tussen 22.00 uur en 6.00 uur uit te zonderen van de wettelijke acceptatieplicht. Dit is uiteraard voor horecaondernemers van belang.

Uitzondering bij wezenlijk veiligheidsbelang

De ontvanger van contant geld mag vanwege een wezenlijk veiligheidsbelang ook tijdelijk contant geld weigeren. 

Let op! Deze uitzondering geldt dan echt tijdelijk. Alleen bij ondernemingen met minder dan vier werkzame personen kan hiervoor een permanente uitzondering gelden.

Ook geen wettelijke acceptatieplicht

In onder meer de volgende situaties geldt er (nu ook al) geen acceptatieplicht van contant geld:

  • Betalingen tussen privépersonen.
  • Betalingen tussen niet-consumenten.
  • Betalingen met meer dan 50 muntstukken.

Let op! Het Besluit waar de bovengenoemde uitzonderingen zijn opgenomen ligt van 14 november 2025 tot en met 2 januari 2026 ter internetconsultatie. Wilt u hierop reageren, dan kan dit via deze link.

Ingangsdatum nog onbekend

Het is nog onbekend vanaf wanneer de wettelijke acceptatieplicht en de uitzonderingen daarop ingaan. De ingangsdatum zal per koninklijk besluit bekendgemaakt worden.