t
0344 647 000
|

Cyprusroute met payrollonderneming is toelaatbaar

Wat speelde er?

Een Nederlands transportbedrijf (bedrijf A) maakt sinds 2013 gebruik van chauffeurs die in dienst zijn van een bedrijf in Cyprus (bedrijf B). Bedrijf A doet om die reden geen aangifte loonheffingen meer in Nederland. 

Schijnconstructie?

De Belastingdienst is van oordeel dat dit onterecht is, omdat sprake is van een schijnconstructie (Cyprusconstructie) en bedrijf A feitelijk de werkgever is van de chauffeurs. De Belastingdienst merkt bedrijf A met terugwerkende kracht aan als inhoudingsplichtige. Omdat bedrijf A vanaf dat moment wel aangiften doet, maar deze niet betaalt, legt de Belastingdienst naheffingsaanslagen op met vergrijpboeten wegens primair opzet en subsidiair grove schuld. Vervolgens wordt hierover geprocedeerd.

Wat oordeelt de rechter?

De rechtbank schaart zich achter het standpunt van de Belastingdienst. Vervolgens gaat het bedrijf in hoger beroep. 

Het gerechtshof is van oordeel dat de chauffeurs op basis van payrolling door bedrijf B aan bedrijf A ter beschikking zijn gesteld. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een dienstbetrekking tussen bedrijf A en de chauffeurs. Het is inherent aan driehoeksrelaties, zoals bij uitzending en payrolling, dat het gezag wordt uitgeoefend door de inlenende werkgever, dus door bedrijf A. Het gerechtshof is van oordeel dat deze gestelde feitelijke gang van zaken past in de figuur van payrolling (en van uitzending in het algemeen) dat de inlener (bedrijf A) beslist of hij de inlening van werknemers wil voortzetten. Het is dan aan de uitlener/payroller (bedrijf B) om te beslissen welke gevolgen dat heeft voor de arbeidsrelatie tussen de uitlener en de werknemer; de inlener staat daarbuiten.

Geen schriftelijke overeenkomst

Het is op zich ongebruikelijk dat de payrollovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd, maar dat legt onvoldoende gewicht in de schaal om te constateren dat er geen sprake is van een dergelijke overeenkomst, aldus het gerechtshof. 

Ook niet van belang is dat bedrijf B in diverse andere procedures (met StiPP, de SVB, en de Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg) heeft ontkend een uitzendbureau, dan wel een payrollorganisatie te zijn. 

De uitkomst

Het resultaat is dan ook dat het gerechtshof alle opgelegde naheffingsaanslagen en boeten vernietigt.

Vanaf 21 jaar

Door een indexatie van 2,15% zal het wettelijk minimumuurloon voor een werknemer vanaf 21 jaar vanaf 1 januari 2026 € 14,71 per uur bedragen. Nu bedraagt het wettelijk minimumuurloon voor een werknemer van 21 jaar en ouder nog € 14,40 per uur.

Let op! De berekening van het indexatiepercentage is gebaseerd op het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector, in de gepremieerde en gesubsidieerde sector en bij de overheid.

Wettelijk minimumuurloon 15 tot en met 20 jaar

Door de stijging van het wettelijk minimumuurloon voor werknemers van 21 jaar en ouder, stijgt het wettelijk minimumuurloon voor jongere werknemers per 1 januari 2026 als volgt:

 Leeftijd  Percentage  Minimumuurloon
 21 jaar en ouder  100,0%  € 14,71
 20 jaar  80,0%  € 11,77
 19 jaar  60,0%  € 8,83
 18 jaar  50,0%  € 7,36
 17 jaar  39,5%  € 5,81
 16 jaar  34,5%  € 5,07
 15 jaar  30,0%  € 4,41

Let op! In de Voorjaarsnota 2025 was door het huidige kabinet afgesproken om het minimumjeugdloon voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar vanaf 2027 geleidelijk te verhogen. Het is nog niet bekend of het nieuwe kabinet deze plannen overneemt.

Wettelijk minimumuurloon bbl

Voor werknemers met een arbeidsovereenkomst in verband met een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) geldt voor werknemers in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar een ander percentage. Het wettelijk minimumuurloon voor deze werknemers is per 1 januari 2026 als volgt:

 Leeftijd  Percentage  Minimumuurloon
 21 jaar en ouder  100,0%  € 14,71
 20 jaar  61,5%  € 9,05
 19 jaar  52,5%  € 7,72
 18 jaar  45,5%  € 6,69
 17 jaar  39,5%  € 5,81
 16 jaar  34,5%  € 5,07
 15 jaar  30,0%  € 4,41

Let op! In juli 2025 maakte de minister van OC&W bekend dat hij de lagere percentages voor werknemers in de bbl met ingang van 1 januari 2027 wil afschaffen. Dit is nu een plan, dat verder nog niet concreet is.

Voor wie?

Kinderopvangorganisaties kunnen de subsidie aanvragen voor een praktijk(leer)plaats voor doorontwikkeling van groepshulpen. De subsidie biedt een tegemoetkoming in de loonkosten van groepshulpen. Het doel is dat door de subsidie meer groepshulpen worden aangenomen en dat zij kunnen doorgroeien in de kinderopvang.

Let op! In de nieuwe CAO is een groepshulp voortaan aangeduid als groepsondersteuner.

Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt maximaal € 10.056 per jaar per groepshulp en is afhankelijk van het aantal contracturen dat de groepshulp per week werkt. Een organisatie kan voor maximaal tien groepshulpen subsidie aanvragen.

Let op! Het beschikbare budget bedraagt in 2025 € 1.735.000. Ook in 2026 is de subsidie nog beschikbaar. Het beschikbare budget voor 2026 bedraagt € 1.775.000.

Voorwaarden

De subsidie kent een aantal voorwaarden:

  • De groepshulp moet een arbeidsovereenkomst van ten minste twaalf maanden hebben met een startdatum vanaf 1 augustus 2023 of later.
  • De groepshulp moet deelnemen aan scholing via praktijkleren in het mbo (mbo-bbl of mbo-derde leerweg (OVO/ODT) niveau 1 of 2). Deze scholing moet tussen 1 augustus 2023 en 31 oktober 2026 zijn gestart.
  • De kinderopvangorganisatie moet voor de groepshulp eerder ook subsidie hebben gekregen via de Subsidieregeling praktijkleren of praktijkleren in de derde leerweg.

Tip! Kijk voor alle voorwaarden hier.

Aanvragen

De subsidie is aan te vragen via RVO.nl. RVO neemt alle op tijd ingediende volledige aanvragen in behandeling. Bij overschrijding van het budget wordt de hoogte van de subsidie per groepshulp naar rato verlaagd.

Tip! Deed u een aanvraag voor de Subsidieregeling praktijkleren of praktijkleren in de derde leerweg voor een groepshulp, maar heeft u nog geen beslissing daarop ontvangen? Vraag dan ook altijd de subsidie voor groepshulpen in de kinderopvang al aan. Als u wacht op de beslissing op uw aanvraag op de subsidie praktijkleren (in de derde leerweg), bent u waarschijnlijk te laat om nog de subsidie voor groepshulpen in de kinderopvang aan te vragen.

Ouderschapsverlof

Met ouderschapsverlof kunnen ouders na de geboorte van een kind wennen aan de nieuwe gezinssituatie. Het verlof moet binnen een jaar na de geboorte worden opgenomen. Bij pleeg- en adoptiekinderen moet het verlof worden opgenomen binnen een jaar nadat het kind in het gezin is opgenomen en voordat het kind acht jaar oud is.

Zelf aanvragen

De werkgever moet het betaalde ouderschapsverlof aanvragen bij het UWV voor de betreffende werkgever Een niet voor de werknemersverzekeringen verzekerde dga moet echter zelf het betaalde ouderschapsverlof aanvragen via Mijn UWV. Het UWV beslist binnen vier weken op een ingediend verzoek. De uitkering van het UWV verloopt in dat geval rechtstreeks aan de dga en dus niet via de bv.

Ander bedrag

Werknemers hebben recht op negen weken betaald ouderschapsverlof. De uitkering voor hen bedraagt 70% van het dagloon, voor de niet voor de werkverzekeringen verzekerde dga’s geldt echter 70% van het minimumloon.

Geen invloed op hoogte gebruikelijk loon

Het bedrag aan betaald ouderschapsverlof dat de dga ontvangt, is niet van invloed op de hoogte van het gebruikelijk loon. Wel mag rekening worden gehouden met het feit dat de dga door het ouderschapsverlof minder uren werkt. Het gebruikelijk loon moet worden gebaseerd op de werkzaamheden over het gehele jaar. Wordt een deel van het jaar niet gewerkt, dan mag het gebruikelijk loon dienovereenkomstig lager worden vastgesteld. 

Let op! Dit moet wel aannemelijk gemaakt kunnen worden!