t
0344 647 000
|

Overwerk leidt vanaf 2025 minder snel tot alsnog hoge WW-premie

Eerder lage WW-premie

Om dit te realiseren vindt vanaf 2025  een herziening van de lage naar de hoge WW-premie omdat bij een werknemer meer dan 30% meer uren zijn verloond dan zijn contracturen, pas plaats als een werknemer een arbeidscontract heeft van gemiddeld minder dan 30 uur per week.  Die grens van 30 uur per week bedraagt nu nog  35 uur per week. 

Meer zekerheid en meer wendbaarheid

Dit is een van de afspraken die het kabinet vorig jaar heeft gemaakt met de werkgevers- en werknemersorganisaties in het kader van het arbeidsmarktpakket. Het doel is te zorgen voor meer zekerheid voor werknemers en meer wendbaarheid voor bedrijven.

Premiedifferentiatie

In de WW geldt sinds 2020 premiedifferentiatie. Dat houdt in dat werkgevers die werknemers vaste contracten aanbieden een lagere premie betalen dan bij flexibele contracten. De lage premie mag worden toegepast voor loon uit een arbeidsovereenkomst die voldoet aan de volgende drie voorwaarden: 

  1. de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd,
  2. de arbeidsovereenkomst is schriftelijk vastgelegd, en
  3. de arbeidsovereenkomst is geen oproepovereenkomst. 

Deze drie voorwaarden zijn ook wel bekend als de “Ja, Ja, Nee – voorwaarden”. 

  • Ja, de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. 
  • Ja, de arbeidsovereenkomst is schriftelijk vastgelegd. 
  • Nee, de arbeidsovereenkomst is geen oproepovereenkomst. 

Let op! Soms moet de lage WW-premie achteraf alsnog met terugwerkende kracht worden herzien naar een hoge WW-premie. Dit is dus het geval als een werknemer met een arbeidscontract van minder dan 35 uur (vanaf 2025 dus 30 uur) per week, in het kalenderjaar meer dan 30% meer uren verloond krijgt dan in het arbeidscontract staat. Dat is echter ook het geval als een nieuwe werknemer binnen 2 maanden ontslag neemt of wordt ontslagen.

Verhogingen tot en met 2023

In de jaren 2020 tot en met 2023 is het minimumloon al meerdere keren gestegen. Waar dit minimumloon in januari 2020 nog € 1.653,60 per maand bedroeg, was dit per 1 juli 2022 al gestegen naar € 1.756,20 per maand. Per 1 januari 2023 volgde een forse stijging van (afgerond) 10,15% naar € 1.934,40 per maand, gevolgd door een stijging van (afgerond) 3,13% per 1 juli 2023 naar € 1.995 per maand.

Van wettelijk minimummaandloon naar wettelijk minimumuurloon

Per 1 januari 2024 is in plaats van een minimummaandloon een minimumuurloon geïntroduceerd. Dit betekent dat het minimummaandloon geen vast bedrag meer is, maar afhankelijk is van het aantal uren in een voltijdsdienstverband. Vanaf 1 januari 2024 is voor iedereen dus het minimumuurloon gelijk, maar kan het minimummaandloon verschillen. Bij een voltijdsdienstverband van 36 uur is dit dus lager dan bij een voltijdsdienstverband van 38 uur.

Verhogingen per 1 januari 2024

De reguliere indexatie van het minimumloon bedroeg per 1 januari 2024 3,75%. Het minimumloon kwam daarmee uit op € 13,27 per uur. Voor een 36-urige werkweek betekent dit een minimummaandloon van € 2.069,40, voor een 38-urige werkweek van € 2.185,13 en voor een 40-urige werkweek van € 2.300,13 vanaf 1 januari 2024. Dit betekent dat het minimummaandloon per 1 januari 2024 ten opzichte van 1 juli 2023 gestegen is met (afgerond):

  • 3,73% voor een 36-urige werkweek,
  • 9,53% voor een 38-urige werkweek, en
  • 15,29% voor een 40-urige werkweek.

Reguliere indexatie per 1 juli 2024

Door een voorgenomen reguliere indexatie zal het minimumuurloon per 1 juli 2024 nog een keer met afgerond 3,09% verhoogd worden.

Extra verhoging met 1,2%

Bovenop die reguliere indexatie is in het wetsvoorstel Wet verhoging minimumloon 2024 een extra verhoging per 1 juli 2024 met 1,2% opgenomen. De Tweede Kamer nam dit voorstel op 19 maart 2024 aan.

Op 9 april 2024 werd echter bekend dat dit voorstel geen meerderheid in de Eerste Kamer heeft. BBB-senator Heijnen maakte op die datum bekend dat de BBB het voorstel niet steunt. Er is dan een meerderheid in de Eerste Kamer tegen het voorstel De extra verhoging van het minimumloon met 1,2% zal daarom niet doorgaan.

Wat is ‘in de regel’?

De Belastingdienst geeft aan van mening te zijn dat er niet meer ‘in de regel’ naar het werk wordt gereisd of thuisgewerkt als dit meer dan twee maanden wordt onderbroken. Dit wordt beoordeeld per aanleiding, zoals ziekte of verlof, en op kalenderbasis. Een vergoeding kan dan niet meer onbelast worden uitbetaald. 

Ouderschapsverlof na geboorteverlof

Verschillende verlofsoorten, zoals geboorteverlof en zorgverlof, zijn ieder te beschouwen als een aparte aanleiding. Dit kan anders zijn als verlofsoorten aaneengesloten worden opgenomen. Dit is in ieder geval zo bij zwangerschapsverlof gevolgd door bevallingsverlof. Dan is het totale verlof dus aan te merken als één aanleiding en zal een onbelaste kostenvergoeding minder lang kunnen worden doorbetaald.

Voorbeeld

Een fulltime werkneemster gaat zes weken met zwangerschapsverlof en daarna zes weken met bevallingsverlof. Daarna gaat ze tien weken lang twee dagen per week met bevallingsverlof. Het verlof valt binnen hetzelfde jaar. Ze reist in totaal zes plus zes weken helemaal niet naar het werk, dus langer dan twee maanden. Een onbelaste reiskostenvergoeding is dan niet mogelijk. De gespreide opname van het bevallingsverlof over tien weken wordt gezien als nieuwe aanleiding. Een onbelaste reiskostenvergoeding voor drie dagen per week is dan weer mogelijk.

Wijzigingen 30%-regeling

Met ingang van 2024 en 2025 gelden de volgende wijzigingen in de 30%-regeling:

  1. In 2024 mag nog maar over een salaris tot maximaal € 233.000 de 30%-regeling worden toegepast.
  2. Vanaf 2024 geldt dat de eerste 20 maanden 30% van het salaris onbelast onder de 30%-regeling mag worden uitbetaald, de daaropvolgende 20 maanden is dat 20% en de laatste 20 maanden nog maar 10%.
  3. Vanaf 2025 vervalt de partiële buitenlandse belastingplicht. Dit betekent dat de werknemer voor wie de 30%-regeling wordt toegepast vanaf 2025 ook in box 2 en box 3 belasting moeten betalen over buitenlands kapitaalinkomen.

Overgangsrecht

Voor bestaande 30%-regelingen geldt gelukkig overgangsrecht. Daarbij geldt een onderscheid tussen werknemers voor wie in het laatste loontijdvak van 2022 al de 30%-regeling werd toegepast en werknemers voor wie dat in het laatste loontijdvak van 2023 gebeurde.

30%-regeling in laatste loontijdvak van 2022

Werknemers voor wie in het laatste loontijdvak van 2022 de 30%-regeling al werd toegepast, krijgen niet te maken met de wijzigingen onder punt 1 en 2. Zij krijgen vanaf 2027, indien de 30%-regeling dan nog loopt, wel te maken met de wijzigingen onder punt 3.

30%-regeling niet in het laatste loontijdvak van 2022, maar wel in 2023

Werknemers voor wie in het laatste loontijdvak van 2022 nog niet de 30%-regeling werd toegepast, maar in het laatste loontijd van 2023 wel, krijgen niet te maken met de wijzigingen onder punt 2. Zij krijgen echter wel te maken met de wijzigingen onder punt 1. Ze krijgen vanaf 2027, indien de 30%-regeling dan nog loopt, ook te maken met de wijzigingen onder punt 3.

30%-regeling vanaf 2024

Werknemers voor wie in het laatste loontijdvak van 2023 de 30%-regeling nog niet werd toegepast, krijgen volledig te maken met alle wijzigingen; voor punt 1 en 2 vanaf 2024 en voor punt 3 vanaf 2025.

Wisseling werkgever

Aan de Belastingdienst is de vraag gesteld of het overgangsrecht, zoals hiervoor beschreven, van toepassing blijft als de werknemer overstapt naar een andere werkgever. De Belastingdienst heeft geantwoord dat het overgangsrecht onder voorwaarden van toepassing blijft.

De voorwaarden zijn dat de 30%-regeling van toepassing blijft. Hiervoor moeten de nieuwe werkgever en de werknemer gezamenlijk tijdig – dat wil zeggen binnen vier maanden na indiensttreding – een verzoek doen. Daarnaast mag de periode tussen het einde van de tewerkstelling bij de oude werkgever en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst bij de nieuwe werkgever niet langer zijn dan drie maanden.

Garden leave

De Belastingdienst geeft aan dat voor een werknemer die vrijgesteld is van werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld bij garden leave, de 30%-regeling niet kan worden toegepast in die periode. De werknemer blijft in die periode echter wel een ingekomen werknemer.  De Belastingdienst concludeert hieruit dat het voor het antwoord op de vraag inzake het overgangsrecht bij wisseling van werkgever niet uitmaakt dat de werknemer bij de oude werkgever enige tijd is vrijgesteld van werkzaamheden.