t
0344 647 000
|

Betrek bewindvoerder bij vso en ontbindingsprocedure

Wat was het geval?

De onder bewind gestelde werknemer kampte met verslavingsproblematiek. Hij was op 27 februari 2023 in dienst getreden bij de werkgever, maar is halverwege mei 2023 arbeidsongeschikt geworden vanwege genoemde verslavingsproblematiek. Partijen hebben een geschil over of de werkgever halverwege mei 2023 zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd door hem niet meer op te roepen, dan wel dat zijn arbeidsovereenkomst is geëindigd door de op 19 juni 2023 gesloten vso. 

Niet of wel rechtsgeldig beëindigd?

De advocaat van de werknemer schrijft aan de werkgever dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd omdat de bewindvoerder geen toestemming heeft gegeven voor het sluiten van de vso. De advocaat doet ook een beroep op het ontbreken van de vermelding van de wettelijke bedenktermijn van twee weken, waardoor de bedenktermijn drie weken bedraagt. De werkgever gaat hier niet overstag en stopt met loonbetaling. De zaak komt tot de rechter.

‘Goederen onder bewind’

De rechter geeft aan dat de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende rechten zijn aan te merken als goederen die onder bewind staan. Artikel 1:438 lid 2 BW bepaalt dat tijdens het bewind de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze niet meewerkt, met machtiging van de kantonrechter over de onder bewind staande goederen kan beschikken. Dat brengt met zich mee dat in dit geval de werknemer niet zonder medewerking van de bewindvoerder afstand kan doen van zijn rechten die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien. 

Aangezien de medewerking van de bewindvoerder ontbrak bij het sluiten van de vso, is deze ongeldig. Dit betekent dat het loon moet worden doorbetaald.

Bewindvoerder is formele procespartij

Dan is nog interessant de vraag wie in rechte betrokken moet worden bij een procedure met de onder bewind gestelde werknemer. Hier geldt in feite hetzelfde. Deze werknemer is op grond van artikel 1:441 BW niet bevoegd in de procedure op te treden. De bewindvoerder geldt namelijk als de formele procespartij. Wordt de bewindvoerder niet in de procedure betrokken, dan volgt een niet-ontvankelijkverklaring van het ontbindingsverzoek. 

Tip! Het is dus altijd handig om bij ontslag eerst het curatele- en bewindregister te checken!

1. Vrije ruimte WKR voor 2024 omlaag

Per 1 januari 2024 is de vrije ruimte binnen de WKR verlaagd naar 1,92% over de eerste € 400.000 van de loonsom (in 2023 was dit nog 3%). Over het meerdere van de loonsom blijft de vrije ruimte 1,18%.

2. Gebruikelijk loon dga 2024

Het normbedrag voor het gebruikelijk loon voor de dga en de meewerkende partner stijgt in 2024 naar € 56.000 (2023: € 51.000). De regeling voor gebruikelijk loon geldt voor iedereen die een aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap (of waarvan de partner zo’n aanmerkelijk belang heeft) en die ook werk verricht voor die vennootschap. Zij moeten een loon genieten dat ‘gebruikelijk’ is voor de werkzaamheden. Het normbedrag van € 56.000 vormt een onderdeel van de beoordeling van wat gebruikelijk is.

3. Verhoging reiskosten 2024

De vrijgestelde reiskostenvergoeding voor zakelijke reiskosten, waaronder woon-werkverkeer, is dit jaar verhoogd naar € 0,23 per kilometer. De vrijgestelde reiskostenvergoeding geldt voor alle vormen van vervoer, dus bijvoorbeeld ook voor afgelegde kilometers per fiets of bromfiets. De verhoging naar € 0,23 per kilometer geldt ook voor de dga die in dienst is bij zijn bv.

4. Verruiming vrijstelling openbaar vervoer

Vanaf 2024 zijn de regels over belastingvrije ov-abonnementen eenvoudiger. Het maakt vanaf 2024 niet langer uit of het ov-abonnement ter beschikking wordt gesteld, verstrekt of vergoed. De enige voorwaarde is nog dat het abonnement ook zakelijk gebruikt wordt, bijvoorbeeld voor woon-werkverkeer. Als dat het geval is, is de terbeschikkingstelling, verstrekking of vergoeding van een ov-abonnement gericht vrijgesteld. De gewijzigde regels gelden ook voor de terbeschikkingstelling, verstrekking of vergoeding van een voordeelurenkaart.

5. Invoering wettelijk minimum uurloon

Vanaf 1 januari 2024 geldt een wettelijk minimum uurloon, dat per 1 januari 2024 voor werknemers van 21 jaar en ouder € 13,27 per uur bedraagt. Dit betekent dat in veel cao’s de salarisschalen moeten worden aangepast en opnieuw moeten worden berekend, omdat er geen vaste maand-, week- of dagbedragen meer bestaan.

Let op! Op de loonstrook moet het geldende wettelijk minimum uurloon worden vermeld voor de betreffende leeftijd van de werknemer en de periode waarop de loonstrook betrekking heeft.

6. Onbelaste vrijwilligersvergoeding naar € 2.100 in 2024

U kunt vrijwilligers die binnen uw organisatie vrijwilligerswerk doen een vergoeding geven die voor de Belastingdienst onbelast is. De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding is per 1 januari 2024 verhoogd naar € 2.100 per jaar en € 210 per maand. 

De vrijwilligersvergoeding moet binnen de maximale bedragen blijven en de vrijwilliger moet de werkzaamheden niet bij wijze van beroep verrichten. De Belastingdienst gaat ervan uit dat de werkzaamheden niet bij wijze van beroep worden verricht als de maximum uurvergoeding in 2024 € 5,50 bedraagt. Voor vrijwilligers jonger dan 21 jaar bedraagt deze maximum uurvergoeding in 2024 € 3,25.

7. Wijzigingen 30%-regeling

De 30%-regeling is een fiscale regeling waarbij, onder strikte voorwaarden, maximaal 30% van het salaris belastingvrij mag worden uitbetaald aan personeel dat uit het buitenland is aangetrokken. Deze regeling is vanaf 2024 versoberd. Zo mag in 2024 maar over een salaris tot maximaal € 233.000 de 30%-regeling worden toegepast. Dit maximum geldt in 2024 overigens niet als u voor de werknemer in het laatste loontijdvak van 2022 de 30%-regeling al toepaste.

Verder wordt de 30%-regeling vanaf 2024 afgebouwd. Deze afbouw houdt in dat de eerste 20 maanden 30% van het salaris onbelast als kostenvergoeding mag worden uitbetaald, de daaropvolgende 20 maanden nog maar 20% en de daaropvolgende 20 maanden nog maar 10%. In 2024 geldt dit overigens nog niet als u voor de werknemer in het laatste loontijdvak van 2023 de 30%-regeling al toepaste.

Voor toepassing van de 30%-regeling geldt een aantal voorwaarden. Een daarvan is dat de werknemer een specifieke deskundigheid heeft die niet of nauwelijks op de Nederlandse arbeidsmarkt te vinden is. Een werknemer wordt geacht te voldoen aan de specifieke deskundigheid als de beloning van de werknemer hoger is dan een vastgestelde salarisnorm. Moest dit salaris in 2023 nog minimaal € 41.954 bedragen, vanaf 2024 bedraagt de minimale salarisgrens € 46.107. Voor werknemers die voor wetenschappelijk onderzoek of onderwijs werken bij een onderzoekinstelling en voor werknemers die arts in opleiding tot specialist (AIOS) zijn, geldt geen salarisnorm. Voor werknemers die instromen en jonger zijn dan 30 jaar en hun masterdiploma hebben behaald, gold voor 2023 nog een salarisnorm van € 31.891. In 2024 bedraagt die salarisnorm € 35.048.

8. Verplichte rapportage zakelijk en woon-werkverkeer werknemers

Werkgevers met 100 of meer werknemers zijn vanaf 1 juli 2024 verplicht om te rapporteren over het zakelijk verkeer en het woon-werkverkeer van hun werknemers. Deze werkgevers moeten bijvoorbeeld het totaalaantal kilometers dat de werknemers afleggen voor zakelijk en woon-werkverkeer rapporteren, maar ook het jaartotaal aan kilometers, verdeeld in soort vervoermiddel en brandstoftype. De gegevens over 2024 moeten uiterlijk 30 juni 2025 ingestuurd zijn.

9. Verhoging thuiswerkvergoeding en andere normbedragen

Voor de extra kosten die verbonden zijn aan thuiswerken, kunt u – onder voorwaarden – in 2024 aan uw werknemer een onbelaste vergoeding geven van € 2,35 per dag (2023: € 2,15). Ook het normbedrag voor de waarde van maaltijden in bedrijfskantines (of soortgelijke ruimtes) of tijdens personeelsfeesten op de bedrijfslocatie stijgt in 2024. Bedroeg dit normbedrag in 2023 nog € 3,55 per maaltijd, in 2024 bedraagt dit € 3,90 per maaltijd.

10. Hoger premieloon

Het maximum premieloon stijgt in 2024 naar € 71.628. In 2023 bedroeg dit nog € 66.956. Voor werknemers met een premieloon vanaf € 66.956 kan een werkgever daarom te maken krijgen met hogere verschuldigde premies, ook als de premiepercentages van bepaalde werknemersverzekeringen ten opzichte van 2023 zijn gedaald. Ook de verschuldigde premie Zorgverzekeringswet (Zvw) kan voor werknemers én dga’s met een premieloon vanaf € 66.956 omhooggaan. Zo bedraagt de maximum af te dragen Zvw-premie voor werknemers in 2024 € 4.706 (een toename van € 233 ten opzichte van 2023). Voor dga’s bedraagt de maximum Zvw-premie in 2024 € 3.811 (een toename van € 175 ten opzichte van 2023).

 

1. Fixed budget under work-related expenses scheme decreasing in 2024

With effect from 1 January 2024 the fixed budget under the work-related expenses scheme has been reduced to 1.92% on the first € 400,000 of the wage bill (2023: 3%). It will remain at 1.18% on the excess amount of the wage bill.

2. Customary salary for DGAs in 2024

The standard amount under the customary salary scheme for a DGA and his/her co-working partner is increasing to € 56,000 in 2024 (2023: € 51,000). This scheme applies to anyone who has a substantial shareholding in a company (or whose partner has such a substantial shareholding) and also works for that company. They must receive a salary that is ‘customary’ for such work. The standard amount of € 56,000 is one of the elements used to assess what is customary.

3. Increase in travel allowance in 2024

This year the exempted travel allowance for the costs of business travel, including commuting, has increased to € 0.23 per kilometre. This allowance applies to all forms of transport and therefore also to kilometres travelled by bicycle or moped, for example. The increase to € 0.23 per kilometre is also applicable to a DGA who is employed by his/her company.

4. Expansion of exemption for public transport

From 2024 simpler rules will apply to tax-free public transport season tickets. As of this year it no longer matters whether such a season ticket is purchased by the employer and made available (employer retains ownership) or supplied (employee acquires ownership) to the employee or whether it is purchased by the employee and subsequently reimbursed. The only condition is that it is also used for business purposes, e.g. commuting. If that is the case, a specific exemption applies to a public transport season ticket that has been made available, supplied or reimbursed. The amended rules also apply to the making available, supply or reimbursement of an off-peak pass.

5. Introduction of statutory minimum hourly wage

From 1 January 2024 a statutory minimum hourly wage applies, amounting to € 13.27 per hour for employees aged 21 and above. This means that the salary scales in many collective labour agreements will need to be adjusted and recalculated, as there are no longer any fixed monthly, weekly or daily amounts.

Please note: The statutory minimum hourly wage that applies, in view of the employee’s age, must be indicated on the payslip, along with the period to which the payslip relates.

6. Untaxed volunteer’s allowance increasing to € 2,100 in 2024

You can grant volunteers who perform voluntary work within your organisation an allowance that will not be taxed by the Tax and Customs Administration. On 1 January 2024 the level of the maximum untaxed volunteer’s allowance increased to € 2,100 per year and € 210 per month. 

The volunteer’s allowance must not exceed the maximum amounts and the volunteer must not carry out the work in question as part of his/her profession. The Tax and Customs Administration assumes that the work is not carried out on a professional basis if the maximum hourly allowance in 2024 amounts to € 5.50. For volunteers under the age of 21 this maximum hourly allowance is € 3.25 in 2024.

7. Changes to 30% scheme

The 30% scheme is a tax facility under which, subject to strict conditions, up to 30% of the salary may be paid free of tax to employees recruited from abroad. This scheme has been restricted with effect from 2024. In 2024, for example, the 30% scheme can only be applied to a salary not exceeding € 233,000. This maximum does not apply in 2024 if you were already applying the 30% scheme for the employee concerned in the last pay period of 2022.

The 30% scheme is also being scaled back with effect from 2024. For the first 20 months you will be able to pay 30% of the salary free of tax as an expense allowance. This will then fall to a level of 20% for the next 20 months and to 10% for the 20 months after that. This does not apply in 2024 if you were already applying the 30% scheme for the employee concerned in the last pay period of 2023.

The application of the 30% scheme is subject to a number of conditions. One is that the employee has specific expertise that is scarce or not available at all on the Dutch labour market. An employee is considered to meet this specific expertise requirement if his/her pay is above a set salary standard. In 2023 the employee’s salary had to amount to at least € 41,954, but this is rising to € 46,107 from 2024. No salary standard applies to employees who work at a research institute in scientific research or education or employees who are doctors in training to become a specialist (AIOSs). In the case of incoming employees who are under the age of 30 and have obtained a master’s degree a salary standard of € 31,891 applied in 2023. This is rising to € 35,048 in 2024.

8. Compulsory reporting on employees’ business travel and commuting

From 1 July 2024 employers who employ 100 or more people will be required to report on the business travel and commuting journeys of their employees. The employers concerned must report, for example, the total number of kilometres that their employees have travelled for business and commuting purposes, but also the annual total of kilometres travelled, broken down by mode of transport and fuel type. The data for 2024 must be submitted by 30 June 2025 at the latest.

9. Increase in homeworking allowance and other standard amounts

In 2024, subject to certain conditions, you can pay your employees an untaxed allowance of € 2.35 per day (2023: € 2.15) for the additional costs associated with working from home. The standard amount set for the value of meals in company canteens (or similar areas) or at staff parties in the workplace is also rising in 2024. In 2023 this was € 3.55 per meal and in 2024 amounts to € 3.90 per meal.

10. Increase in salary assessable for contributions

In 2024 the maximum salary assessable for contributions is increasing to € 71,628 from € 66,956 in 2023. For employees with an assessable salary above € 66,956 an employer may therefore owe higher contributions, even though the contribution percentages for certain employee insurance schemes have fallen compared with 2023. The contribution payable under the Healthcare Insurance Act (Zvw) may also rise for employees and DGAs with an assessable salary above € 66,956. The maximum healthcare insurance contribution payable for employees in 2024 amounts to € 4,706 (an increase of € 233 compared with 2023). In the case of DGAs the maximum level of this contribution in 2024 is € 3,811 (an increase of € 175 compared with 2023).

Zwangerschaps- en bevallingsverlof

Zwangerschapsverlof gaat zes tot vier weken voor de dag na de vermoedelijke bevallingsdatum in. Dit wordt de flexibiliseringsperiode genoemd. De werknemer moet dit verlof uiterlijk drie weken voordat het verlof ingaat, aanvragen bij de werkgever met een verklaring van een arts of verloskundige waarin de vermoedelijke bevallingsdatum staat. Het bevallingsverlof duurt vanaf de dag na de bevalling ten minste tien weken, te vermeerderen met het aantal dagen dat de baby te vroeg geboren is. In totaal bedraagt het zwangerschapsverlof, met aansluitend het bevallingsverlof, minimaal zestien weken.

Meerlingenverlof

Werknemers die in verwachting zijn van een meerling hebben recht op vier weken extra zwangerschapsverlof. Ze mogen dat laten ingaan tussen de tien en acht weken voor de dag na de vermoedelijke bevallingsdatum. Bij een meerlingzwangerschap is het bevallingsverlof verlengd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof korter heeft geduurd dan tien weken. In totaal bedraagt het meerlingenverlof minimaal twintig weken.

Speciale vormen van zwangerschaps- en bevallingsverlof

  • Extra bevallingsverlof bij ziekenhuisopname van het kindje: afhankelijk van de situatie kan het bevallingsverlof worden verlengd met maximaal tien weken bij langdurige opname van de baby in het ziekenhuis. Er wordt gerekend vanaf de achtste opnamedag tot en met de laatste dag van het bevallingsverlof tot een maximum van tien weken.
  • Deeltijdbevallingsverlof: de periode van het bevallingsverlof vanaf zes weken na de bevallingsdatum kan in overleg met de werkgever gespreid worden opgenomen over een periode van maximaal dertig weken. De werknemer moet dit uiterlijk drie weken na de bevallingsdatum aanvragen bij de werkgever. De werkgever moet binnen twee weken met het verzoek instemmen. Hij mag de aanvraag alleen weigeren als het bedrijf ernstig in de problemen komt.
  • Overname overblijvend bevallingsverlof bij overlijden moeder: de partner van een moeder die na de geboorte tijdens het bevallingsverlof overlijdt, heeft recht op het resterende bevallingsverlof met behoud van salaris. Het pasgeboren kind is op die manier verzekerd van zorg door een ouder. Het gaat dan om de periode tot tien weken na de bevalling. De partner krijgt dit verlof ook als de moeder zelfstandige was. Of als de moeder geen recht had op bevallingsverlof, bijvoorbeeld omdat ze niet werkte. De partner meldt het overlijden van de moeder en de opname van het verlof uiterlijk op de tweede dag volgend op haar overlijden bij zijn of haar werkgever. De partner moet vervolgens binnen vier weken na het overlijden van de moeder een afschrift van de akte van geboorte van het kind en van de akte van overlijden van de moeder aan de werkgever doen toekomen. De werkgever van de partner kan de loondoorbetaling bij het UWV claimen. Het gaat hier om volledige loondoorbetaling, er wordt door het UWV geen maximum gehanteerd.

Geboorteverlof

Het geboorteverlof voor partners (ook wel partnerverlof genoemd) is eenmaal het aantal werkuren per week (dus maximaal vijf dagen). Dit verlof wordt volledig betaald door de werkgever. De werknemer kan deze dagen aanvragen en opnemen in de eerste vier weken na de bevalling. Bij de geboorte van een meerling heeft de werknemer geen recht op extra geboorteverlof. 

Aanvullend geboorteverlof

Naast het geboorteverlof voor de partner is er ook de mogelijkheid om vijf (extra) weken aanvullend geboorteverlof op te nemen. Een partner kan dan maximaal zes weken verlof opnemen. De eerste week kan direct na de bevalling worden opgenomen of in de eerste vier weken na de bevalling. De maximaal vijf extra weken aanvullend geboorteverlof moeten worden opgenomen in het eerste halfjaar na de bevalling en nadat het geboorteverlof is opgenomen. Voorwaarde voor dit aanvullend geboorteverlof is wel dat de werknemer eerst het geboorteverlof van eenmaal de wekelijkse arbeidsduur per week opneemt. Het is ook mogelijk om minder dan vijf weken aanvullend geboorteverlof op te nemen.

Werknemers moeten het aanvullend geboorteverlof vier weken voor de gewenste ingangsdatum aanvragen bij de werkgever. Lukt het op tijd aanvragen door omstandigheden niet, dan moet de werknemer het zo snel mogelijk melden bij de werkgever. Het aanvragen van aanvullend geboorteverlof moet in hele weken, de opname ervan mag gespreid worden over een langere periode, maar binnen 6 maanden. Dat moet in overleg met de werkgever.

Gedurende het aanvullend geboorteverlof heeft de werknemer recht op een uitkering van het UWV van 70% van het maximumdagloon. Deze uitkering wordt via de werkgever uitbetaald aan de werknemer. De werkgever kan besluiten deze uitkering aan te vullen, maar is hiertoe niet verplicht, tenzij de geldende cao iets anders bepaalt.

De aanvraag bij het UWV en de uitbetaling van het aanvullend geboorteverlof verlopen via de werkgever. Dit sluit aan bij de al bestaande systematiek voor het aanvragen van uitkeringen voor zwangerschaps- en bevallingsverlof en voor adoptie- en pleegzorgverlof.

De werkgever moet – indien de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd – aan de werknemer, op diens verzoek, een verklaring uitreiken waaruit blijkt op hoeveel geboorteverlof de werknemer nog recht heeft. Dit restant kan hij dan bij een eventuele nieuwe werkgever opnemen.

Bij ziekte kan alleen verlof worden opgenomen indien de werknemer weer gedeeltelijk werkt. Indien een werknemer ziek wordt tijdens het aanvullend geboorteverlof, dan stopt het verlof niet. Wel kan het verlof eventueel in overeenstemming met de werkgever na de periode van ziekte worden opgenomen. Uiteraard moet dit dan wel binnen zes maanden na de geboorte gebeuren. De einddatum van de loondoorbetalingsperiode bij ziekte schuift door het opnemen van (aanvullend) geboorteverlof niet op.

Niet alleen werknemers die bij een werkgever in dienst zijn, maar ook dga’s, alfahulpen en particuliere huishoudelijke hulpen kunnen gebruikmaken van de regeling aanvullend geboorteverlof. Aanvraag daarvan kan via mijnuwv.nl.

Adoptie- en pleegzorgverlof

Een werknemer die een kind adopteert of een pleegkind in zijn of haar gezin opneemt, heeft recht op zes weken adoptieverlof of pleegzorgverlof. Het verlof geldt voor beide adoptie-/pleegzorgouders. Het verlof moet uiterlijk drie weken voordat het verlof ingaat, worden aangevraagd bij de werkgever. Tijdens het verlof bouwt de werknemer gewoon vakantiedagen op en bij ziekte loopt het verlof door.

Het recht op adoptie- of pleegzorgverlof kan in een periode van 26 weken worden opgenomen, vanaf vier weken vóór de eerste dag van de feitelijke adoptie/opname in het pleegoudergezin tot 22 weken erna.

Werknemers kunnen het verlof gespreid of later opnemen. Als een werknemer meer dan één kind tegelijkertijd adopteert, kan slechts één keer het adoptieverlof aangevraagd worden. Gedurende het verlof heeft de werknemer recht op een adoptie- of pleegzorguitkering op grond van de Wet arbeid en zorg en deze bedraagt 100% van het maximumdagloon. De uitkering wordt betaald door het UWV, via de werkgever.

Ouderschapsverlof

Ouderschapsverlof is verlof dat een werknemer kan opnemen voor de zorg van een eigen kind jonger dan 8 jaar. Het is een vorm van verlof dat bij de werkgever aangevraagd wordt en het geldt voor beide ouders. Ook de verzorger van die kinderen kan, mits hij/zij op hetzelfde adres woont als die kinderen, een verzoek om opname van ouderschapsverlof indienen. Voorwaarde hierbij is wel dat hij/zij duurzaam de verzorging en opvoeding van het kind op zich heeft genomen. Bij ouders is het overigens niet vereist dat ze op hetzelfde adres wonen. De duur van het ouderschapsverlof is maximaal 26 keer het aantal uren dat de werknemer per week werkt.

Betaald ouderschapsverlof

Beide ouders (inclusief adoptie- en pleegouders) hebben in het eerste jaar recht op negen weken betaald ouderschapsverlof. De verlofuitkering bedraagt 70% van het maximale dagloon. De werknemer moet minimaal twee maanden voor de gewenste ingangsdatum aan zijn werkgever melden dat hij van deze regeling gebruik wil maken.

Let op! Dga’s, alfahulpen en particuliere huishoudelijke hulpen komen ook in aanmerking voor deze regeling. Zij kunnen de uitkering zelf aanvragen via mijnUWV.nl.

De werkgever kan na afloop van de negen weken (maar uiterlijk binnen 15 maanden na de dag van geboorte of adoptie) het UWV vragen om een vergoeding. Worden deze weken niet opgemaakt in het eerste jaar, dan kunnen ze worden toegevoegd aan de overige 17 weken ouderschapsverlof, maar ze gelden dan niet meer als betaald ouderschapsverlof. Dit onbetaalde ouderschapsverlof kan worden opgenomen totdat het kind 8 jaar wordt.

Let op! De overige 17 weken ouderschapsverlof zijn nog steeds onbetaald, tenzij werkgever en werknemer daar andere afspraken over maken.

Overige afspraken ouderschapsverlof

De werkgever mag de ouderschapsverlofuren niet aftrekken van de vakantie-uren van de werknemer. En een feestdag die samenvalt met ouderschapsverlof valt gewoon onder dat verlof.
Een werknemer heeft voor ieder kind recht op ouderschapsverlof.

Het weigeren van een verzoek om ouderschapsverlof door de werkgever wegens zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is niet toegestaan, ook niet als de werknemer in het buitenland werkt. De werkgever kan de werknemer wel vragen het verlof anders in te roosteren. Het veranderde rooster geldt dan voor het hele ouderschapsverlof. De werkgever kan een voorstel doen tot vier weken voor de ingangsdatum van het ouderschapsverlof. De werkgever kan de werknemer vragen het verlof anders in te roosteren vanwege een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang. Het veranderde rooster geldt dan voor het hele ouderschapsverlof. De werkgever kan een voorstel doen tot vier weken voor de ingangsdatum van het ouderschapsverlof.

Wanneer de werknemer van baan verandert voordat het verlof volledig is opgenomen, kan de werknemer bij de nieuwe werkgever aanspraak maken op het resterende deel van het verlof. De werkgever is verplicht op verzoek van de werknemer een verklaring uit te reiken, waaruit blijkt op hoeveel verlof de werknemer nog recht heeft.

In de Wet Arbeid en zorg was voorheen 40 uur de norm voor een volledige werkweek. Met het in werking treden van de Wet invoering minimumuurloon is een werkweek van 36 uur de norm.

Kort- en langdurend zorgverlof

Kortdurend zorgverlof is er om enkele dagen de noodzakelijke zorg te geven aan inwonende (adoptie- of pleeg)kinderen, aan de partner of aan ouders. De werkgever betaalt minstens 70% van het salaris door, maar niet minder dan het minimumloon en in beginsel niet meer dan 70% van het maximumdagloon. Tijdens het kortdurend zorgverlof bouwt de werknemer vakantiedagen op.

De werknemer kan maximaal twee keer het aantal uren dat hij per week werkt als kortdurend zorgverlof opnemen in een periode van twaalf maanden. De periode van twaalf maanden begint op het moment dat voor het eerst een beroep wordt gedaan op het kortdurend zorgverlof. Kortdurend zorgverlof dat in een jaar niet wordt opgenomen, kan niet worden doorgeschoven naar een volgend jaar.

De werknemer moet het verlof, bij voorkeur vóór opname ervan, melden bij de werkgever onder opgave van reden. Wanneer de werknemer door omstandigheden niet in de gelegenheid is om het verlof vooraf te melden, moet hij dit zo snel mogelijk nadien alsnog doen.

Langdurend zorgverlof is er voor langere tijd en geldt voor dezelfde doelgroep als het kortdurend zorgverlof. De werkgever hoeft het salaris tijdens het langdurend zorgverlof niet door te betalen, maar de werknemer bouwt tijdens het verlof wel vakantiedagen op.

Het verlof bedraagt in elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden ten hoogste zesmaal de arbeidsduur per week. De periode van twaalf maanden gaat ook in dit geval in op de eerste dag waarop het verlof wordt genoten. Het verlof hoeft niet aaneengesloten te worden opgenomen en kan ook in deeltijd worden opgenomen.

Langdurend zorgverlof kan zowel worden opgenomen bij een levensbedreigende ziekte als voor de noodzakelijke verzorging bij ziekte of hulpbehoevendheid. Het hoeft niet zo te zijn dat de overlevingskansen van de patiënt op korte termijn gering of nihil zijn. Een werknemer kan dan ook meerdere malen een verzoek om langdurend zorgverlof voor dezelfde persoon doen. Ook kan het opgenomen worden voor een naast familielid in het buitenland. In de wet is niet bepaald dat die zorg in Nederland moet worden verleend.

Langdurend zorgverlof vraagt de werknemer schriftelijk aan bij de werkgever. Dat moet minstens twee weken voordat het verlof ingaat.

Let op! Werknemers kunnen ook kort- en langdurend zorgverlof opnemen voor de noodzakelijke zorg aan grootouders, kleinkinderen, broers en zussen, andere huisgenoten dan de kinderen of partner en mensen met wie de werknemer een sociale relatie heeft, waarbij de relatie zodanig moet zijn dat de te verlenen zorg rechtstreeks voortvloeit uit de relatie en deze redelijkerwijs door de werknemer moet worden verleend.

Wanneer het bedrijf daardoor in ernstige problemen komt, kan de werkgever na de melding voor kortdurend zorgverlof de verlofopname nog stoppen of niet in laten gaan. Op een later moment mag dat niet meer. Langdurend zorgverlof kan niet meer gestopt worden als het eenmaal begonnen is.

De werkgever mag (achteraf) om informatie vragen om te beoordelen of de werknemer recht heeft op verlof. Het langdurend zorgverlof kan niet worden gecompenseerd met vakantieaanspraken.

Wanneer in een cao of personeelsreglement andere afspraken staan over zorgverlof, gelden die afspraken.

Calamiteiten- en kort verzuimverlof

Calamiteiten- en kort verzuimverlof is er voor situaties in het privéleven die de werknemer onmiddellijk moet oplossen: voor een bevalling van de partner, voor dokters- en ziekenhuisbezoek dat niet buiten werktijd te plannen is en voor andere situaties waarin de werknemer korte tijd niet kan werken. Hieronder valt ook een door de overheid opgelegde verplichting die niet in de vrije tijd kan worden vervuld of de uitoefening van actief kiesrecht. De werkgever betaalt het salaris gewoon door. Het calamiteiten- en kort verzuimverlof duurt, afhankelijk van de tijd die nodig is om de eerste problemen op te lossen, een paar uur tot een paar dagen. Duurt het langer, dan kan de werknemer eventueel, afhankelijk van de reden van het verlof, verzoeken om opname van kortdurend zorgverlof. In feite is hier sprake van een verschuiving van het loondoorbetalingsrisico van de werknemer naar de werkgever voor situaties die in de risicosfeer van de werknemer vallen.

Tip! Wilt u meer informatie lezen over de verlofregelingen? Neem dan contact met ons op.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.