Keuze woning bij duurzaam gescheiden echtgenoten bepalend voor renteaftrek
Duurzaam gescheiden
Echtgenoten die duurzaam gescheiden zijn, zijn in beginsel fiscaal nog steeds elkaars partner. Wel kunnen ze voor maximaal twee jaar twee woningen als eigen woning bestempelen. Daarna is niet meer relevant of de echtgenoten nog samenleven en kan er slechts één woning een eigen woning zijn. Dit blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Keuze maken
De echtgenoten moeten samen een keuze maken welke woning als eigen woning moet worden aangemerkt. Die keuze geldt voor beiden en is bepalend voor onder meer de aftrek van de hypotheekrente. De keuze kan niet meer worden herzien, ook niet als de ene partner een andere keuze maakt. In dat geval is de eerst binnengekomen aangifte bepalend. Wordt geen keuze gemaakt, dan is voor geen enkele woning aftrek van hypotheekrente mogelijk.
Niet dezelfde keuze
In bovenvermelde zaak hadden twee duurzaam gescheiden levende echtgenoten beiden een eigen woning. Ze hadden ieder hun woning in hun aangifte voor 100% aangemerkt als eigen woning. Dit betekende dat geen onderlinge verhouding was gekozen voor wat betreft de aftrek van de hypotheekrente. De aangifte van de man was als eerste ingediend. Daarom werd de aftrek van de hypotheekrente van zijn woning aan ieder van de echtgenoten voor 50% toegedeeld.
Overleg was lonend geweest
Uit de uitspraak blijkt dat de echtgenoten beter even hadden kunnen overleggen. De aftrekbare hypotheekrente bedroeg bij de man namelijk € 3.253 en bij de vrouw € 6.497. Een keuze voor de woning van de vrouw had dan ook bij beiden ruim € 1.600 meer aftrek opgeleverd.
Werkelijk rendement
Als dit voorstel ongewijzigd en op tijd door de Tweede en Eerste Kamer wordt aangenomen, wordt in box 3 vanaf (beoogd) 2028 het werkelijke rendement op uw vermogen belast. Dit werkelijke rendement omvat alle directe en indirecte rendementen.
Directe rendementen
Directe rendementen zijn bijvoorbeeld ontvangen rente op bank- en spaarrekeningen, ontvangen dividenden op beleggingen en ontvangen huuropbrengsten.
Indirecte rendementen
Bij indirecte rendementen moet u denken aan verkoopwinsten en -verliezen op beleggingen en/of overige bezittingen. Naast deze gerealiseerde rendementen tellen echter ook ongerealiseerde rendementen mee. De jaarlijkse waardeontwikkelingen van uw beleggingen en overige bezittingen behoren dus ook tot uw indirecte rendementen.
Let op! Voor onroerende zaken omvat het indirecte rendement de winst of het verlies bij verkoop. U hoeft bij onroerende zaken echter niet de jaarlijkse waardeontwikkeling tot uw indirecte rendement te rekenen. Ook bij aandelen in start-ups en scale-ups telt de jaarlijkse waardeontwikkeling niet mee, maar wel de winst of het verlies bij verkoop.
Kostenaftrek
Bij het berekenen van uw werkelijke rendement mag u rekening houden met kosten zoals de betaalde rente, de kosten van een bankrekening, de kosten bij aan- en verkoop van uw beleggingen en overige bezittingen en de onderhoudskosten van uw onroerende zaken.
Tarief
Het voorgestelde tarief in box 3 vanaf 2028 bedraagt 36%. U betaalt dan 36% belasting over uw werkelijke rendement, verminderd met een heffingsvrij inkomen van € 1.800.
Let op! Heeft u in een jaar een negatief rendement, dan mag u dat in aftrek brengen op positieve rendementen in de volgende kalenderjaren. Er gaat wel een verliesdrempel van € 500 gelden. De eerste € 500 aan negatief rendement is dan dus niet verrekenbaar.
Vanaf 2028?
Het is nog lang niet zeker dat het nieuwe box 3-stelsel per 2028 ingaat. Om de beoogde ingangsdatum van 1 januari 2028 te kunnen halen, moet de Tweede Kamer uiterlijk op 15 maart 2026 met het wetsvoorstel instemmen. Nu het kabinet demissionair is, is onduidelijk of de huidige plannen doorgaan en zo ja, of de ingangsdatum van 1 januari 2028 wordt gehaald.
Let op! De wijze waarop het werkelijke rendement vanaf 2028 berekend wordt in dit wetsvoorstel, wijkt af van de wijze waarop het werkelijke rendement in de jaren tot en met 2027 berekend wordt. Deze berekening is opgenomen in het wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3, dat nu ook nog bij de Tweede Kamer ligt. Beoogde inwerkingtreding van dit laatste wetsvoorstel is 1 juli 2025.
Aftrek zorgkosten
De aftrek van zorg- of ziektekosten betekent dat uw belastbaar inkomen lager wordt, waardoor u minder belasting betaalt. Lang niet alle zorgkosten zijn aftrekbaar. Ook geldt er ten aanzien van de kosten die u wilt aftrekken een drempel waarbij geldt: hoe hoger uw inkomen, hoe hoger de drempel. Daarbij is bepalend of u het hele jaar een fiscale partner heeft. Is dit het geval, dan telt u namelijk beide inkomens bij elkaar op. Heeft u niet het hele jaar een fiscale partner, dan doet u dit alleen als u ervoor kiest elkaars fiscale partner te zijn. De drempel betekent dat u een deel van de kosten niet kunt aftrekken, u mag namelijk alleen het bedrag aftrekken dat boven de voor u geldende drempel uitkomt.
Voorbeeld
De Belastingdienst legt de aftrek van de kosten van een hoortoestel als specifieke zorgkosten uit aan de hand van een voorbeeld.
Verzekeraar
Stel een hoortoestel kost € 4.000. Van deze kosten komt via de zorgverzekeraar in beginsel € 1.600 voor vergoeding in aanmerking. Er geldt echter een eigen bijdrage van € 400. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat de belastingplichtige een eigen risico kent van € 300.
Op basis van deze informatie zou de belastingplichtige via zijn verzekeraar € 1.600 – € 400 – € 300 = € 900 aan vergoeding ontvangen.
Fiscale aftrek
Belastingplichtige moet zelf € 4.000 – € 900 = € 3.100 bijdragen. Dit bedrag is niet in zijn geheel aftrekbaar. De eigen bijdrage en het eigen risico komen namelijk niet voor aftrek in aanmerking, zodat per saldo € 4.000 – € 900 – € 400 – € 300 = € 2.400 als uitgave voor aftrek specifieke zorgkosten in aanmerking komt.
Aanvullende verzekering
De Belastingdienst gaat ook nog in op de gevolgen van de door sommige verzekeraars aangeboden mogelijkheid om eventueel een aanvullende verzekering af te sluiten teneinde het eigen risico te beperken. Dit heeft geen gevolgen voor omvang van de fiscale aftrek. Belastingplichtige hoeft dan minder bij te dragen aan de kosten van het hoortoestel, maar de hogere ontvangen vergoeding van de verzekeraar komt gewoon in mindering op het bedrag dat in aanmerking komt als specifieke zorgkosten.
Duurder dan noodzakelijk?
De Belastingdienst gaat uit van de kosten van een hoortoestel dat voldoende is om het gehoor van betrokkene te verbeteren. Wordt een duurder toestel aangeschaft en worden de extra kosten niet vergoed, dan kunnen de extra kosten ook niet als zorgkosten worden afgetrokken.
Winst of resultaat uit overige werkzaamheden?
Onlangs werd voor de rechtbank Noord-Holland een procedure gevoerd over de vraag of positief behaalde resultaten met daytrading belast zijn in box 1. In de betreffende zaak ging het om een daytrader die met zijn voormalige werkgever een samenwerkingsovereenkomst inzake daytrading was aangegaan. Hiermee behaalde hij positieve resultaten die varieerden van € 137.000 tot meer dan € 800.000 per jaar.
Volgens de inspecteur diende dit resultaat te worden aangemerkt en belast als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden (row). Volgens de daytrader diende het vermogen belast te worden in box 3.
Bron van inkomen
De rechtbank stelde dat het resultaat belast zou zijn als winst of row als er sprake zou zijn van een bron van inkomen. Hiervoor is vereist dat er deelname is aan het economische verkeer, gericht op het behalen van voordeel en dat dit voordeel ook redelijkerwijs te verwachten is. Partijen verschilden van mening over de vraag of aan de laatste eis, dus dat een voordeel redelijker wijs te verwachten is, werd voldaan.
Voordeel redelijkerwijs te verwachten?
Ondanks de forse positieve resultaten gedurende vele jaren, komt de rechtbank tot de conclusie dat niet redelijkerwijs te verwachten was dat de daytrader voordeel zou behalen met zijn handelen. De rechtbank acht daytrading speculatief van aard, in een open markt, waarbij koersbewegingen niet te voorspellen zijn. De verrichte hoeveelheid arbeid is bovendien niet van invloed op het resultaat.
Resultaat staat los van speculatieve karakter
De positieve resultaten staan volgens de rechtbank ook los van het speculatieve karakter van daytrading. Ook het samenwerkingsverband met zijn ex-werkgever maken niet dat koersen beter voorspeld kunnen worden, aldus de rechtbank. Ook was er hierdoor geen sprake van lagere transactiekosten.
Collega’s minder succesrijk
De daytrader voerde tevens aan dat enkele collega’s een stuk minder succesvol waren geweest en enkelen zelfs een resultaat hadden behaald van enkele tonnen negatief. De rechtbank was het dan ook met hem eens dat het resultaat onbelast diende te blijven en er belastingheffing in box 3 diende te volgen.