t
0344 647 000
|

Informatiebrief over verder rechtsherstel box 3

Box 3-arresten Hoge Raad juni 2024

In juni 2024 oordeelde de Hoge Raad dat u in box 3 het werkelijke rendement in aanmerking mag nemen als dit lager is dan het wettelijke forfaitaire rendement. De Hoge Raad gaf daarbij aanwijzingen over hoe het werkelijke rendement berekend moet worden. Zo oordeelde de Hoge Raad bijvoorbeeld dat het gaat om het nominale werkelijke gerealiseerde én ongerealiseerde rendement zonder rekening te houden met inflatie en zonder aftrek van kosten.

Tegenbewijsregeling

De staatssecretaris gaf nadien een nadere invulling aan de wijze waarop het werkelijke rendement berekend moet worden volgens de aanwijzingen van de Hoge Raad. Deze invulling wordt in een wetsvoorstel opgenomen, waarmee in feite een wettelijke tegenbewijsregeling ontstaat. Op die wettelijke tegenbewijsregeling kunt u een beroep doen als uw wettelijke rendement – berekend volgens de nadere invulling van de staatssecretaris – lager is dan het forfaitaire rendement.

Let op! Als u in aanmerking komt voor de tegenbewijsregeling, betekent dit niet dat straks per definitie uw box 3-aanslag verminderd wordt. Hiervoor moet uw werkelijke rendement lager zijn dan het forfaitaire rendement. Houd er daarbij rekening mee dat wat u wellicht verstaat onder werkelijk rendement anders is dan de invulling die de Hoge Raad daaraan gaf. 

Brief Belastingdienst

In september maakte de staatssecretaris de doelgroep bekend die in aanmerking komt voor de wettelijke tegenbewijsregeling. Tot en met begin november 2024 stuurde de Belastingdienst deze doelgroep een brief. Het gaat om de periode vanaf 2017. 

Let op! Denkt u dat u in aanmerking komt voor de wettelijke tegenbewijsregeling, maar heeft u medio november 2024 nog geen brief van de Belastingdienst ontvangen? Neem dan voor meer informatie contact op met onze adviseurs. Zij kunnen dan samen met u bepalen of u terecht geen brief heeft ontvangen.

Geen actie?

De Belastingdienst geeft in de brief aan dat u nu nog niet in actie hoeft te komen. Dat klopt over het algemeen, behalve als u een definitieve aanslag met box 3-inkomen ontvangt óf als u een definitieve aanslag IB 2019 met box 3-inkomen heeft die op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond. In die gevallen is het mogelijk verstandig om wel in actie te komen.

Definitieve aanslag IB met box 3-inkomen

Ontvangt u een definitieve aanslag IB met box 3-inkomen, neem dan zo snel mogelijk contact op met een van onze adviseurs. Als een voorlopige berekening van uw werkelijke inkomen lager is dan het wettelijke forfaitaire inkomen in box 3, kan het namelijk verstandig zijn om uw rechten veilig te stellen en tijdig bezwaar te maken tegen de definitieve aanslag IB. Tijdig wil zeggen binnen zes weken na de dagtekening van de definitieve aanslag. 

Definitieve aanslag IB 2019 met box 3- inkomen

Heeft u een definitieve aanslag IB 2019 met box 3-inkomen en stond deze op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vast? Dan ontving u een andere brief van de Belastingdienst. In deze brief staat dat u vóór 31 december 2024 een verzoek om ambtshalve vermindering in moet dienen, als u dat niet al eerder heeft gedaan. Alleen dan houdt u recht op de tegenbewijsregeling voor de IB 2019. 

Let op! Ontving u zo’n brief, overleg dan met onze adviseurs of een verzoek om ambtshalve vermindering verstandig is. Heeft u niet zo’n brief ontvangen en denkt u dat u voor uw IB 2019 wel in aanmerking komt voor de tegenbewijsregeling? Neem dan ook contact op. Wij kunnen dan samen met u bepalen of u terecht geen brief heeft ontvangen en nadere actie ondernemen.

Vervolg

Het wetsvoorstel met daarin de wettelijke tegenbewijsregeling wordt naar verwachting in het eerste kwartaal 2025 aan de Tweede Kamer aangeboden. Beoogd is om de wet per 1 juni 2025 in te laten gaan. Het aan het tegenbewijs gekoppelde Formulier Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR) is naar verwachting ook medio 2025 gereed. Pas vanaf dat moment kunt u met behulp van dit Formulier OWR uw werkelijke rendement aan de Belastingdienst doorgeven. U ontvangt daarvoor vanaf de zomer van 2025 van de Belastingdienst een uitnodiging met details over de benodigde stappen die u moet nemen.

Afbouwgrens ligt hoger

Iedereen tot een bepaald inkomen heeft recht op de algemene heffingskorting. Deze korting komt in mindering op de te betalen belasting. De grens vanaf waar de algemene heffingskorting wordt afgebouwd ligt voor 2024 op € 24.812, voor 2025 ligt dit waarschijnlijk rond € 28.406. 

Let op! De daadwerkelijke grens is gekoppeld aan het wettelijke minimumloon. Iedereen met een inkomen tot het minimumloon heeft namelijk in 2025 recht op de maximale heffingskorting. De hoogte van de grens wordt daarom pas definitief vastgesteld ná de definitieve vaststelling van het wettelijke minimumloon voor 2025.

Afbouw tot inkomensgrens tarief 49,5%

Het afbouwen van deze heffingskorting vindt plaats tot een inkomen van € 76.817. Dit is het inkomen waar een tarief begint van 49,5%. Vanaf dit inkomen bestaat in 2025 daarom geen recht meer op de algemene heffingskorting.

Let op! Het afbouwpercentage is op basis van de voorlopige vastgestelde afbouwgrens van € 28.406 voorlopig vastgesteld op 6,337%. Als de definitieve afbouwgrens is vastgesteld, kan ook het definitieve afbouwpercentage worden vastgesteld.

Overige heffingskortingen

De bedragen van de overige heffingskortingen zoals de arbeidskorting worden per 2025 geïndexeerd met 1,2%. Het afbouwpunt van de arbeidskorting ligt vanaf 2025 waarschijnlijk rond € 43.071 (2024: € 39.957). Omdat dit afbouwpunt ook gekoppeld is aan het wettelijke minimumloon moet de definitieve vaststelling nog plaatsvinden.

Koppeling met AOW

De afbouw van de algemene heffingskorting vindt plaats vanaf waarschijnlijk € 28.406 (definitieve vaststelling afhankelijk van hoogte wettelijk minimumloon in 2025). Vanwege een netto-netto koppeling betekent dit dat ook de AOW- en bijstandsuitkeringen verhoogd worden.

Heffingskorting AOW’ers

Voor AOW-gerechtigden wordt de maximale algemene heffingskorting ook verminderd en wel per saldo met € 199. Het maximum komt voor hen op € 1.536 per jaar te liggen. Het afbouwpunt is net als voor niet-AOW’ers waarschijnlijk € 28.406. 

Let op! De plannen moeten nog door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen en zijn dus nog niet definitief.

Bezwaar en beroep

Tegen de boete kunt u afzonderlijk bezwaar aantekenen en eventueel bij de rechter in beroep gaan.
Voor de behandeling van bezwaar en beroep staat een maximale redelijke tijdsduur. Als die tijd wordt overschreden, is er aanleiding de boete te verminderen. Met hoeveel moet een boete dan worden verminderd?

Dividendbelasting te laat betaald

In een zaak bij het gerechtshof Amsterdam had een bv dividend uitgekeerd en de verschuldigde dividendbelasting te laat betaald. Hiervoor is bepaald dat dit een verzuimboete oplevert van 3% van de niet-betaalde belasting met een maximum van € 5.514. De inspecteur had de boete conform deze regeling opgelegd, wat resulteerde in een boete van € 1.561.

Afwijken kan

Het Hof stelde dat de boete inderdaad conform de regels was opgelegd, maar dat hiervan kan worden afgeweken, afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Het Hof vond dat in de betreffende situatie een lagere boete op zijn plaats was, onder andere omdat de bv niet bekend was met de dividendbelasting en de boete voor de bv een forse financiële aderlating betekende. Het Hof stelde de boete dan ook vast op € 1.000.

Vuistregels bij overschrijding redelijke termijn

In hetzelfde arrest geeft het Hof vuistregels voor het verminderen van een boete als de rechtszaak hierover te lang duurt. Tot nu toe gold het uitgangspunt dat een boete slechts verminderd werd als deze minstens € 200 bedroeg. Het Hof acht een boetebedrag van € 1.000 echter beter op zijn plaats als nieuwe limiet. Dat betekent dus dat minder snel tot vermindering zal worden overgegaan.

Wat is redelijke termijn?

In belastingzaken geldt dat de behandeling van bezwaar en beroep samen in beginsel maximaal twee jaar mag duren. Voor hoger beroep staat nog eens twee jaar, net als voor beroep in cassatie. Deze termijnen kunnen worden verlengd als de langere tijdsduur aan de belastingplichtige is te wijten.

Minder boete bij langere duur

Daarnaast geeft het Hof aan welke boetevermindering moet volgen als de behandeling van een procedure te lang duurt. Het Hof hanteert hiervoor een vermindering volgens onderstaande tabel:

 overschrijding  vermindering  Maximale vermindering
 0 tot 6 maanden  5%  € 2.500
 6 tot 12 maanden  10%  € 2.500
 1 tot 2 jaar  15%  € 10.000
 Meer dan 2 jaar  20%  € 20.000

Omdat in de behandelde zaak de termijn met 0 tot 6 maanden was overschreden, werd de boete van € 1.000 met 5%, ofwel met € 50 verminderd tot € 950.

Elektrische fiets hulpmiddel?

Hulpmiddelen zijn onder voorwaarden als zorgkosten aftrekbaar van het inkomen. Het moet dan wel gaan om een hulpmiddel dat hoofdzakelijk wordt gebruikt door invalide of zieke personen. Ook zijn alleen de kosten aftrekbaar die niet onder een vrijwillig of verplicht eigen risico vallen of een verplichte eigen bijdrage. Een elektrische fiets is op grond van deze voorwaarden in de regel dus niet aftrekbaar als zorgkosten.

Op maat gemaakt

Onlangs kwam voor het gerechtshof in Amsterdam de vraag aan de orde of de kosten van een aangepaste en op maat gemaakte elektrische fiets wel aftrekbaar zijn. Het Hof merkte de aangepaste elektrische fiets aan als hulpmiddel en dus waren de kosten volgens het Hof aftrekbaar als zorgkosten.

Geen WMO aangevraagd

De inspecteur voerde nog aan dat er geen kostenvergoeding via de WMO (wet maatschappelijke ondersteuning) was aangevraagd. Daarom moesten de kosten beschouwd worden als eigen bijdrage en waren deze, aldus de inspecteur, niet aftrekbaar. De persoon in kwestie had echter geen aanvraag ingediend omdat een aanvraag van ruim tien jaar eerder in een soortgelijk geval was afgewezen. Het Hof was van mening dat, nu vergoeding via de WMO niet was aangevraagd, dit niet betekende dat de kosten als ‘eigen bijdrage’ bestempeld moesten worden. De aftrek bleef dan ook in stand.

Ook de fietsverzekering aftrekbaar?

Naast de aanschafkosten van de aangepaste fiets van € 8.169 besloot het Hof ook de verzekeringskosten van de fiets van € 833 in aftrek toe te laten. Bovendien draaide de inspecteur op voor de proceskosten van ruim € 2.600.