Geen langere termijn UWV bij niet tijdig beslissen
Voorrang gestopt
Het UWV heeft sinds januari 2026 de werkwijze aangepast. De prioriteit is komen te liggen op het uitvoeren van de WIA- en Wajong-beoordelingen. Dit betekent dat verzoeken om herbeoordelingen en bezwaarzaken langer blijven liggen.
Het UWV gaf tot 1 januari 2026 voorrang aan dossiers waarin aanvragers in beroep waren gegaan bij de rechtbank vanwege het niet tijdig beslissen. Daardoor moesten aanvragers die geen beroep hadden ingesteld, langer wachten op een besluit. Vanaf 1 januari 2026 is dit onderscheid komen te vervallen.
Beroepsprocedure
Een belanghebbende heeft de mogelijkheid om naar de rechter te stappen als het UWV niet tijdig een beslissing neemt op een verzoek om herbeoordeling of in een bezwaarprocedure. Aan de rechter wordt gevraagd om het UWV te dwingen alsnog snel een besluit te nemen.
Let op! De belanghebbende moet het UWV eerst schriftelijk in gebreke stellen en een extra termijn van maximaal twee weken geven om alsnog te beslissen. Beslist het UWV niet binnen die extra termijn dan kan pas de gang naar de rechter worden gemaakt.
De rechter bepaalt vervolgens of het UWV een beslissing moet nemen en zo ja binnen welke termijn. Om zijn uitspraak kracht bij te zetten zal de rechter hier een dwangsom aan verbinden.
Rechtbank houdt UWV aan beslistermijn van negen weken
In eerdere procedures in 2025 besliste rechtbank Den Haag over zaken waarbij het UWV geen tijdige beslissing nam omdat er een medisch advies van een verzekeringsarts nodig was. De rechtbank besliste toen dat het UWV binnen zes weken na de uitspraak van de rechtbank een medische beoordeling door een verzekeringsarts moest laten uitvoeren. Verder besliste de rechtbank dat het UWV binnen negen weken een besluit bekend moest maken.
De rechtbank Den Haag heeft nu voor de situatie vanaf 2026 geoordeeld dat de maximum beslistermijn van negen weken nog steeds passend is. Deze termijn wordt daarom niet verlengd. Bij het bepalen van die termijn heeft de rechter al rekening gehouden met het tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV.
Het UWV heeft zelf voor de nieuwe werkwijze gekozen waarbij geen voorrang meer wordt verleend aan zaken waarvoor beroep is ingesteld. Dit betekent dat het UWV zich ook bij de financiële gevolgen heeft neergelegd als er een dwangsom moet worden betaald omdat de termijn die de rechtbank in haar uitspraak stelt, niet wordt gehaald.
Let op! Dit is een oordeel van rechtbank Den Haag. Het is niet bekend of andere rechters hier hetzelfde over denken.
De Wajong- en WIA-claimbeoordelingen hebben prioriteit, maar een deel van de resterende beoordelingscapaciteit wordt ingezet voor de EZWb voor ERD ZW.
Achtergrond tijdelijke werkwijze
Het UWV kan als gevolg van onder meer een tekort aan verzekeringsartsen en de gestegen aanvragen de sociaal-medische beoordelingen niet meer op tijd verrichten. Om die reden heeft het UWV besloten om voorrang te geven aan de Wajong- en de WIA-claimbeoordelingen. Het gaat in die gevallen om het vaststellen van het recht op uitkering en dus om duidelijkheid over een stuk inkomenszekerheid.
Het UWV zet de resterende capaciteit zo efficiënt mogelijk in door onder andere samen te werken met private partijen bij de EZWb voor ERD ZW.
Private partijen
Dit voorjaar zijn afspraken gemaakt met het Platform Private Uitvoerders Sociale Zekerheid (PPUSZ), de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) en de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU). Afgesproken is dat het UWV in de periode van 1 mei tot en met 31 december 2026 3.400 EZWb’s uitvoert voor ERD ZW-werkgevers.
Aan de proef werken Acture, HCS en Robidus mee. Deze partijen leveren het UWV gericht dossiers aan van werknemers van ERD ZW-werkgevers, waarbij de indruk bestaat dat er een grote kans is dat de werknemer uit de Ziektewet stroomt. Op deze wijze kan zowel de instroom in de WIA worden beperkt (wat weer capaciteit scheelt) als ook aan schadebeperking worden gedaan voor de ERD ZW-werkgever.
Evaluatie
In september 2026 vindt er een evaluatie plaats. Daarna wil het UWV de beproefde werkwijze ook inzetten voor andere partijen. De verdere uitwerking daarvan zal worden afgestemd met de PPUSZ, de ABU en de NBBU.
Verplichtingen bij zieke werknemer
Een werkgever is verplicht om minimaal 104 weken lang het loon door te betalen als een werknemer ziek en als gevolg daarvan arbeidsongeschikt is. Daarnaast moet de werkgever zich inspannen om de werknemer optimaal te re-integreren, bij voorkeur in zijn eigen werk dan wel in de eigen organisatie. Dit wordt re-integratie in spoor één genoemd.
Als duidelijk is dat terugkeer in het eigen werk dan wel de eigen organisatie niet te verwachten valt, moet gekeken worden naar mogelijkheden buiten de organisatie. Dit wordt re-integratie in spoor twee genoemd. Spoor twee moet uiterlijk binnen zes weken na de eerstejaarsevaluatie worden ingezet.
Re-integratie spoor één versus re-integratie spoor twee
In spoor twee houdt de werknemer altijd de mogelijkheid om terug te keren in het eigen werk of de eigen organisatie. Er kan ook een zogenaamd tweesporenbeleid worden gevoerd. Dit houdt in dat de werknemer blijft opbouwen in spoor één en daarnaast nog een spoor twee traject volgt. Zolang het dienstverband voortduurt, is de werkgever ook verplicht tot re-integratie in spoor één. Dit laatste gaat nu mogelijk veranderen, omdat minister Aartsen van Werk en Participatie dit heeft opgenomen in een wetsvoorstel.
Uitsluitend inzet spoor twee
Het is met name voor kleine en middelgrote bedrijven moeilijk een langdurig zieke werknemer te laten re-integreren. Niet altijd is er binnen de organisatie passend, ander werk beschikbaar. Vervanging regelen voor een zieke medewerker is vaak ook lastig. Het kabinet wil deze bedrijven nu tegemoetkomen door in het tweede ziektejaar uitsluitend en alleen in te zetten op re-integratie in spoor twee. Dit betekent dat de werknemer na het eerste ziektejaar niet meer kan terugkeren in het eigen werk. Spoor één wordt daarmee definitief afgesloten. De functie van de werknemer hoeft dan niet langer beschikbaar te blijven voor de werknemer.
De loondoorbetaling blijft het tweede jaar wel nog bestaan. Dit geldt ook voor de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij een andere werkgever (spoor twee).
Overeenstemming of vervangende toestemming UWV
Werkgever en werknemer moeten het hier wel gezamenlijk over eens worden. Stemt de werknemer hier niet mee in, dan kan de werkgever vervangende toestemming vragen aan het UWV.
Uiterlijk op de dag dat de werknemer 42 weken ziek is kan een kleine of middelgrote werkgever een aanvraag doen bij UWV. Uitgangspunt is dat UWV binnen acht weken na indiening van de aanvraag een beslissing neemt. Bij afwijzing of toekenning van de aanvraag kan door de werkgever dan wel de werknemer nog een procedure bij de rechter worden gestart.
Loongarantieregeling
In de praktijk zegt de curator kort na de faillietverklaring alle arbeidsovereenkomsten op, waarna het UWV de salarisbetalingen overneemt op grond van de loongarantieregeling in de WW. In dat verband wordt ook wel gesproken van een faillissementsuitkering.
De navolgende betalingsverplichtingen komen voor overname door het UWV in aanmerking:
- achterstallig loon over maximaal dertien weken;
- loon over de opzegtermijn met een maximum van zes weken;
- vakantiegeld en niet betaalde vakantiebijslag over ten hoogste het afgelopen jaar (inclusief de opzegtermijn);
- niet betaalde pensioenpremies (werkgevers- en werknemersdeel) over maximaal één jaar.
De hoogte van de uitkering op grond van deze regeling is beperkt tot, kort gezegd, anderhalf maal het maximumdagloon volgens de sociale verzekeringswetten.
De eerste (voorschotten op) betalingen door het UWV volgen vaak na vier á vijf weken. Dat is soms wel anderhalve maand of meer na de reguliere betaaldatum van het salaris.
Hoge Raad: recht op wettelijke rente én wettelijke verhoging
De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen beantwoord, waar het ging om de vraag of werknemers ten aanzien van een failliete werkgever recht hebben op wettelijke rente en/of wettelijke verhoging bij te late betaling van het salaris.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de boedel/curator zowel de wettelijke rente als ook de wettelijke verhoging verschuldigd is bij te late betaling van het salaris. Het is niet van belang dat vooraf duidelijk is dat het UWV gaat betalen. Er kan, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, aanleiding zijn om de wettelijke verhoging (maximaal 50%) te matigen. Dit moet in individuele gevallen door de rechter worden beoordeeld. Het faillissement of de betalingsonmacht kan daarbij een grond voor matiging zijn. Verder betreft de wettelijke verhoging een preferente boedelvordering en de wettelijke rente een concurrente boedelschuld.
Ook wijzen op recht
Daarnaast gaf de Hoge Raad aan dat het bij een goede vervulling van de taak van de curator past, dat hij werknemers er kort op wijst dat zij ten aanzien van de boedel aanspraak kunnen maken op betaling van loon, wettelijke rente en wettelijke verhoging.