t
0344 647 000
|

Ook startersvrijstelling bij sloop en herbouw woning

Sloop en herbouw

Een rechtbank oordeelde hierover. In die zaak kocht een echtpaar samen een woning. Ze verklaarde in de koopovereenkomst dat ze de woning gingen gebruiken als woonhuis. Na het aanvragen en verkrijgen van een vergunning tot sloop en herbouw van een woning werd de woning gesloopt en werd een vergelijkbare woning gebouwd.

Bij de notariële levering van de (te slopen) woning verzocht het echtpaar om toepassing van de startersvrijstelling welke de notaris ook toepaste. De Belastingdienst was het daar niet mee eens en legde aan beide echtgenoten een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op.

Geen startersvrijstelling door sloop en herbouw?

De zaak werd voorgelegd aan een rechtbank die moest beoordelen of de startersvrijstelling kon worden toegepast, ondanks de sloop en herbouw van de woning. De Belastingdienst voerde aan dat dit niet kon omdat niet voldaan werd aan de voorwaarde dat de woning als hoofdverblijf ging dienen. De woning was immers door sloop niet meer aanwezig.

Of wel startersvrijstelling ondanks sloop en herbouw

Het echtpaar voerde daarentegen aan dat op de levering van een stuk grond waar een fundering voor een nieuwe woning is aangebracht, ook de startersvrijstelling kan worden toegepast. Datzelfde geldt voor de levering van een onbewoonbaar bouwval dat nagenoeg volledig gerenoveerd moet worden. Zij vonden hun situatie hiermee vergelijkbaar.

De rechtbank was het met het echtpaar eens en oordeelde dat toepassen van de startersvrijstelling in deze situaties in overeenstemming is met het doel en de strekking van de wet. De rechtbank vond dat het daarbij niet uitmaakte dat het echtpaar de woning na verkrijging eerst hadden gesloopt om direct daarna op dezelfde plek een vergelijkbare woning te bouwen. Bovendien bestond er voor de rechtbank geen twijfel dat het echtpaar na voltooiing van de herbouw van de woning deze als hoofdverblijf waren gaan gebruiken.

Let op! Primair is van belang de intentie tot bewoning en de daadwerkelijke vestiging op het adres. Het gaat dus niet om het feitelijk gebruik van het oude huis als hoofdverblijf.

Voor elke sloop en nieuwbouw?

In deze specifieke situatie oordeelde de rechtbank dat de startersvrijstelling kon worden toegepast. Dat wil helaas niet zeggen dat bij elke sloop gevolgd door nieuwbouw dit het geval is. Onduidelijk is bijvoorbeeld of de rechtbank tot eenzelfde oordeel zou zijn gekomen als geen vergelijkbare woning gebouwd was maar een compleet andere woning. Bovendien is op dit moment ook nog niet duidelijk of er hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

Let op! Voor overleg over uw eigen situatie kunt u altijd contact op nemen met onze adviseurs.

Toetsmoment

Het Toetsmoment voor de startersvrijstelling is bij de notariële levering van de woning. Als een koper pas ruim twee jaar later daadwerkelijk op het adres staat ingeschreven hoeft dat geen belemmering te zijn voor de startersvrijstelling. Voorwaarde is wel dat zij kunnen laten zien dat de woning vanaf de notariële levering bedoeld is als hoofdverblijf.

Casus bonusplan

Een werkgever biedt zijn werknemers de mogelijkheid om loon uit te ruilen voor een bonusplan. De werknemer kiest in januari of hij deelneemt (de minimale inleg is 5% van het loon) en ruilt dan gedurende het jaar loon uit. Als bepaalde targets worden behaald, wordt in april van het volgende jaar de bonus uit het bonusplan uitgekeerd. Gaat een werknemer gedurende het kalenderjaar uit dienst of overlijdt hij, dan wordt het brutoloon waarvan is afgezien ineens uitbetaald. Op deze uitbetaling houdt de werkgever dan loonheffing in.

Het moment van uitruil

Op de vraag hoe de belastingheffing verloopt, antwoordt de Belastingdienst dat loonheffing verschuldigd is op het moment van uitruil van het loon. Op het brutoloon waar de werknemer maandelijks van afziet, moet dan ook loonheffing ingehouden worden volgens de Belastingdienst. De Belastingdienst vindt namelijk dat in dit geval sprake is van het verschuiven van het genietingsmoment naar een ongebruikelijk tijdstip. In dat geval wordt op grond van de wet met het verschuiven geen rekening gehouden en vindt belastingheffing dus plaats op het moment van afzien van het loon.

Het moment van uitkeren bonus

Ook de uitkering van de bonus in april van het volgende jaar vormt volgens de Belastingdienst loon waarop loonheffing moet worden ingehouden. Voor de berekening van de loonheffing mag op dit loon wel het in het voorgaande jaar uitgeruilde loon in mindering worden gebracht. Op die manier vindt geen dubbele heffing plaats.

Let op! Het belastbare loon in april kan nooit negatief worden, vindt de Belastingdienst. Als de bonus lager is dan het in het voorgaande jaar uitgeruilde loon, bedraagt het loon in april dus nihil.

Casus virtueel aandelenplan

De Belastingdienst komt met eenzelfde oordeel in een casus waarin een werkgever zijn werknemers de mogelijkheid biedt om loon uit te ruilen voor een virtueel aandelenplan. Een virtueel aandelenplan geeft recht op een bedrag gebaseerd op de waarde van de aandelen. Het betreft geen echte aandelen in het kapitaal van de werkgever. 

De werknemer kiest begin januari of hij deelneemt aan dit virtueel aandelenplan en ruilt dan gedurende het jaar loon uit. Deze virtuele aandelen geven na drie jaar recht op een uitkering, mits de werknemer op dat moment nog in dienst is. De werkgever betaalt die uitkering dan ook uit. Gaat een werknemer gedurende het kalenderjaar uit dienst of overlijdt hij, dan wordt het brutoloon waarvan is afgezien ineens uitbetaald. Op deze uitbetaling houdt de werkgever dan loonheffing in.

Ook bij deze uitruil vindt de Belastingdienst dat loonheffing verschuldigd is op het moment van uitruil van het loon. Op het brutoloon waar de werknemer maandelijks van afziet, moet dan ook loonheffing ingehouden worden. Ook de uitkering na drie jaar (de opbrengst uit de virtuele aandelen) vormt volgens de Belastingdienst loon waarop loonheffing moet worden ingehouden. Voor de berekening van de loonheffing mag op dit loon wel het in de voorgaande jaren uitgeruilde loon in mindering worden gebracht. Op die manier vindt ook hier geen dubbele heffing plaats. De Belastingdienst vindt echter ook in deze situatie dat het loon niet negatief kan worden.

Let op! De Belastingdienst beantwoordt hier vragen in twee specifieke situaties. Het gegeven antwoord is bovendien de mening van de Belastingdienst. Neem voor een fiscale beoordeling van uw eigen situatie altijd contact op met onze adviseurs.

Wat speelt er?

In een zaak die voorlag bij de rechtbank Rotterdam was sprake van een verstoorde arbeidsrelatie. Om die reden werd ontbinding gevraagd van de arbeidsovereenkomst met de werkneemster. De CEO zou tegen de werkneemster hebben aangegeven: “Bij onze organisatie is geen plaats voor vrouwen met kinderen”. De werkgever ontkende dit, maar het mag niet baten; de verstoorde arbeidsrelatie blijft bestaan. De werkneemster werd op non-actief gesteld. 

De kantonrechter gaat daarom over tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en beslist daarnaast op een aantal vorderingen van de werkneemster, zoals over de hoogte van haar salaris tijdens haar Wazo-verlof.

Hoogte inkomen tijdens Wazo-verlof

De werkneemster was van mening dat ze tijdens haar Wazo-verlof recht had op 100% van haar salaris, omdat zij tijdens haar non-actiefstelling door de werkgever het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten. Een non-actiefstelling komt als uitgangspunt namelijk voor rekening en risico van een werkgever. Deze werkneemster die een salaris heeft dat boven het maximumdagloon ligt, stelt zich op het standpunt dat de werkgever de Wazo-uitkering moet aanvullen tot 100% van haar overeengekomen salaris. 

Wat oordeelt de rechter?

De rechter gaat hier niet in mee. Tijdens de verlofperiode bestaat er alleen recht op een Wazo-uitkering en niet op loon. Dat de Wazo samenvalt met de non-actiefstelling, maakt dat niet anders. Ook haar argument dat sprake is van discriminatie gaat niet op. De Wazo is namelijk gebaseerd op de Europese Zwangerschapsrichtlijn. Deze richtlijn geeft geen recht op volledig behoud van het loon, maar heeft het over een adequate uitkering. Met de uitkering van 100% van het gemaximeerde dagloon is hieraan volgens de kantonrechter in Nederland voldaan.

Bijkomend punt is dat er vaak al minder door het UWV wordt uitgekeerd, omdat de grondslag waarover de Wazo-uitkering wordt berekend (het SV-loon) veelal lager ligt dan het brutoloon. De werkgever krijgt evenmin van het UWV een compensatie voor bijvoorbeeld de pensioenpremie. Bij werknemers met een dagloon dat (al dan niet inclusief bijtelling auto) hoger is dan het maximumdagloon (€ 297,82 juli 2025) komt de werkgever onevenredig meer tekort als 100% van het salaris wordt doorbetaald tijdens zwangerschapsverlof. 

Let op! Het blijft wel van belang na te gaan of in een eventuele toepasselijke cao een regeling staat die aangeeft dat een werkneemster tijdens het Wazo-verlof 100% van haar loon krijgt doorbetaald. Als dit het geval is, maakt dit de beoordeling anders.

Differentiatie

In het wetsvoorstel wordt het tarief van de vliegbelasting progressief en trapsgewijs gedifferentieerd. Per saldo is gekozen voor drie tarieven die samenhangen met drie verschillende vliegafstanden. Daarbij is de eindbestemming van de passagier beslissend. Een rechtstreekse vlucht of een vlucht met overstap op een andere luchthaven kent dus hetzelfde tarief vliegbelasting.

Indeling in staten

In het wetsvoorstel is gekozen voor een indeling in staten per afstandscategorie. Daarbij ligt in de eerste categorie staten de hoofdstad op maximaal ongeveer 2.000 km van Amsterdam. Soms wordt hierop een uitzondering gemaakt. Zo is deze categorie onder meer uitgebreid met Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius.

De tweede categorie kent staten met een hoofdstad die tussen ongeveer 2.000 en 5.500 km van Amsterdam ligt, terwijl in de derde categorie de hoofdstad van de staat op meer dan 5.500 km van Amsterdam ligt. Vanwege de uitvoering is er uitdrukkelijk niet gekozen voor een open afstandsberekening per vlucht.

Tarieven

Voor de verschillende afstanden gaan de onderstaande tarieven gelden. Voor bestemmingen tot 2.000 km bedraagt het tarief € 29,40. Dit is gelijk aan het huidige tarief dat voor alle afstanden geldt. Voor bestemmingen tussen 2.000 en 5.000 km wordt het tarief € 47,24 en voor alle overige bestemmingen € 70,86. De tarieven voor categorie 2 en 3 zijn dus fors hoger dan nu. Er wordt niet gedifferentieerd naar reisklasse, dus de economyclass betaalt hetzelfde tarief als bijvoorbeeld de businessclass.

Niet voor transfers

Passagiers die in Nederland alleen overstappen op een andere vlucht zijn van de vliegbelasting uitgesloten. Ook heeft het kabinet er niet voor gekozen om degenen die veel vliegen zwaarder te belasten. Dit zou de regeling namelijk erg complex maken. 

Let op! Het wetsvoorstel moet nog door de nieuwe Tweede Kamer en de Eerste Kamer worden goedgekeurd.