t
0344 647 000
|

Minder onbelaste vergoeding extraterritoriale kosten vanaf 2026

ETK-regeling

Onder de ETK-regeling kunnen werkgevers onbelast zogenaamde extraterritoriale kosten vergoeden aan werknemers. Bij het onbelast vergoeden kan de werkgever kiezen uit twee regelingen: de forfaitaire regeling, voorheen de 30%-regeling, tegenwoordig aangeduid als expatregeling, en de ETK-regeling. Bij keuze voor de ETK-regeling worden de werkelijke extraterritoriale kosten vergoed.

Versoberen

In het Belastingplan 2026 is het voorstel opgenomen om de ETK-regeling te versoberen. Deze versobering houdt in dat bepaalde kosten niet meer onbelast vergoed kunnen worden vanaf 2026. Het gaat daarbij om:

  • Extra kosten van levensonderhoud doordat het prijspeil in Nederland hoger is dan in het land van herkomst van de werknemer. Hieronder vallen ook de kosten van gas, water, licht en andere nutsvoorzieningen.
  • Extra gesprekskosten voor privédoeleinden met het land van herkomst.

Let op! De inschatting is dat door deze uitsluiting het nettoloon van de ingekomen werknemer in 2026 gemiddeld daalt met € 20 per maand.

Geen verdere versobering expatregeling

In 2026 is het nog mogelijk om onder de expatregeling – kort samengevat – maximaal 30% van het belastbaar loon onbelast te vergoeden aan een ingekomen werknemer. Eerder is al in de wet opgenomen dat deze onbelaste vergoeding vanaf 2027 maximaal 27% bedraagt. In deze regeling vindt geen verdere versobering plaats.

Vergoeding uitgezonden werknemers niet gewijzigd

De onbelaste vergoeding voor werknemers die vanuit Nederland naar het buitenland worden gezonden (uitgezonden werknemers) wordt niet versoberd. Aan deze werknemers kunnen daarom ook vanaf 2026 nog de extra uitgaven voor levensonderhoud en de gesprekskosten voor privédoeleinden onbelast vergoed worden.

Let op! Het Belastingplan 2026 moet nog door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen. De Tweede Kamer stemt pas in de nieuwe samenstelling (na de verkiezingen). De versoberingen zijn daarom nog niet definitief.

Wanneer kunt u de uitzendregeling toepassen?

U moet een verzoek doen om de uitzendregeling toe te passen. U kunt de uitzendregeling toepassen als:

  • u of uw fiscale partner al minimaal één jaar eigenaar van de woning is, en
  • de woning ook al minimaal één jaar uw hoofdverblijf vormt op het moment dat u tijdelijk ergens anders gaat wonen in verband met een uitzending of overplaatsing, en
  • u na afloop van de uitzending of overplaatsing weer in de woning gaat wonen, en
  • u tijdens de uitzending of overplaatsing niet in een andere eigen woning als hoofdverblijf gaat wonen, en
  • er in principe geen anderen in uw woning wonen in de periode dat u elders woont.

Bepaalde personen mogen wel in uw woning wonen

Het is op dit moment al goedgekeurd dat bepaalde personen wel in uw woning mogen wonen, zonder dat dit toepassing van de uitzendregeling blokkeert. Het gaat daarbij om uw fiscale partner of degene die direct voorafgaand aan uw uitzending of overplaatsing uw fiscale partner was. Verder geldt de goedkeuring ook voor uw kinderen of de kinderen van uw fiscale partner of degene die direct voorafgaand aan uw uitzending of overplaatsing uw fiscale partner was. Hetzelfde geldt voor personen die al minimaal één jaar tot uw huishouden horen op het moment dat u tijdelijk ergens anders gaat wonen (bijvoorbeeld een hulpbehoevende ouder).

Let op! Om van de goedkeuring gebruik te kunnen maken mogen deze personen geen huur of een andere vergoeding aan u betalen.

Uitbreiding groep personen in de wet

De goedkeuring dat de hiervoor genoemde personen in uw woning mogen wonen tijdens toepassing van de uitzendregeling, wordt met ingang van 2026 opgenomen in de wet.

In de wet worden vanaf 2026 echter nog meer personen opgenomen die in uw woning mogen wonen tijdens toepassing van de uitzendregeling. Ook andere bloed- en aanverwanten in de rechte neergaande lijn mogen in de woning wonen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook uw kleinkind of achterkleinkind in uw woning kan wonen tijdens uw uitzending.

Let op! De aanpassingen zijn opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2026. De Tweede en Eerste Kamer namen dit voorstel al aan.

Pseudo-eindheffing RVU

Als u als werkgever een oudere werknemer een uitkering verstrekt zodat hij eerder kan stoppen met werken, is een pseudo-eindheffing verschuldigd van 52%. Dit geldt als er sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding, de RVU-regeling. Dit is het geval als de regeling het effect heeft dat een periode (van maximaal drie jaar) wordt overbrugd tot een pensioenregeling of tot wanneer de AOW start. Ook uitkeringen die een pensioenregeling aanvullen worden als zodanig aangemerkt.

Let op! Over de vraag of sprake is van een RVU of niet zijn verduidelijkingen gegeven in handreikingen en de jurisprudentie. Neem voor uw eigen situatie contact op met een van onze adviseurs.

Drempelvrijstelling pseudo-eindheffing RVU

Vanaf 1 januari 2021 kunt u maximaal drie jaar voor de AOW-leeftijd van een werknemer een bedrag meegeven, zonder dat hierover de pseudo-eindheffing verschuldigd is. Hiervoor geldt een drempelvrijstelling die jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld. Is de RVU-uitkering hoger dan de drempelvrijstelling, dan is over het meerdere wel 52% pseudo-eindheffing verschuldigd.

Verlenging drempelvrijstelling

De sociale partners en het kabinet hebben afgesproken om de toepassing van de drempelvrijstelling structureel te maken. Dit betekent dat de vrijstelling in ieder geval tot en met 2028 nog gebruikt kan worden.

Let op! De structurele regeling wordt gericht ingezet op werknemers met zwaar werk die niet gezond werkend de AOW-leeftijd kunnen bereiken. Hiervoor zijn tussen het kabinet en de sociale partners afspraken gemaakt over de vormgeving van (collectieve) RVU-regelingen. Zo moeten deze regelingen altijd een onderbouwde afbakening van de doelgroep bevatten.

Verhoging drempelvrijstelling

In het Belastingplan 2026 is ook een verhoging van de drempelvrijstelling met € 300 bruto per maand voorgesteld. Deze € 300 wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van het minimumloon. De drempelvrijstelling bedraagt dan in 2026 (voor indexatie) € 2.573 bruto per maand (2025 nog € 2.273). 

Verhogen pseudo-eindheffing tot maximaal 65%

Ter dekking van de verlenging en verhoging van de drempelvrijstelling wordt de pseudo-eindheffing vanaf 2026 in stappen verhoogd van 52% nu, naar 57,7% in 2026, 64% in 2027 en 65% vanaf 2028.

Let op! De verlenging en verhogingen zijn nog niet definitief omdat deze zijn opgenomen in het Belastingplan 2026. De nieuwe Tweede Kamer moet hierover na de verkiezingen nog stemmen en de Eerste Kamer moet daarna ook nog instemmen.

Geen accijnsverhoging brandstoffen

De accijnzen op autobrandstoffen worden ook in 2026 niet verder verhoogd. Dit betekent dat deze accijnzen op het niveau van 1 juli 2023 gehandhaafd blijven. Het stabiliseren van de accijnzen is bedoeld om de kosten van autorijden te beperken. 

Let op! Het Belastingplan bevat geen voorstel om voor de landbouwsector opnieuw de zogenaamde rode diesel te introduceren. Hier was mogelijk sprake van. Deze diesel – met een lager accijnstarief – werd op 1 januari 2023 afgeschaft.

Hogere korting mrb elektrische auto

Elektrische auto’s zijn door het gewicht van accu’s voor de voortdrijving zwaarder dan vergelijkbare auto’s op fossiele brandstoffen. In verband hiermee krijgen elektrische auto’s momenteel een korting van 75% op de mrb (motorrijtuigenbelasting). Deze korting wordt per 2026 verlaagd naar 30% en tot en met 2028 gehandhaafd. In 2029 wordt de korting verder verlaagd naar 25% en per 2030 helemaal afgeschaft. Oorspronkelijk zou de korting verminderd worden naar 25% in de periode 2026 tot en met 2029. 

Mrb type vrachtauto’s en kampeerauto’s

Voor bepaalde vrachtauto’s geldt momenteel een kwarttarief voor de mrb. Het betreft vrachtauto’s die zijn ingericht als werktuig of als werkplaats, en vrachtauto’s die worden gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden. Dit verlaagde tarief wordt per 2028 afgeschaft. 

Voor kampeerauto’s wordt het kwarttarief in de mrb vanaf 2026 verhoogd naar een halftarief. 

Let op! Voor kampeerauto’s die bedrijfsmatig verhuurd worden, vervalt de huidige korting van 50% in de mrb per 2026 volledig.

Vrachtwagenheffing

Er wordt naar gestreefd per 1 juli 2026 een vrachtwagenheffing in te voeren. De heffing varieert van € 0,035 tot € 0,201 per kilometer, afhankelijk van het gewicht en van de vraag of de vrachtauto al dan niet elektrisch is. De invoering gaat gepaard met de afschaffing van het Eurovignet, het afschaffen van de mrb voor vrachtauto’s tot 12.000 kg en een verlaging van de mrb voor zwaardere vrachtauto’s.

Wijzigingen bpm

Voor plug-in hybride personenauto’s vervalt de huidige korting van 25% op de bpm, de speciale belasting bij aanschaf van een auto. Om een hogere bpm voor deze auto’s te voorkomen vanwege een nieuwe meetmethode van de CO2-uitstoot, wordt verder het aparte tarief voor plug-in hybride auto’s afgeschaft. Ook worden elektrische bijzondere voertuigen, zoals rolstoelvoertuigen, voor de bpm gelijkgesteld aan normale elektrische voertuigen.  Dit was al bij besluit geregeld, maar wordt nu wettelijk vastgelegd. Verder worden, vanwege de verdergaande vergroening van auto’s, de bpm-tarieven aangepast aan de hand van de verwachte daling van de gemiddelde CO2-uitstoot.

Let op! De meeste van bovengenoemde voorstellen moeten nog door de nieuwe Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd en zijn dus nog niet definitief.