Verplichte AOV voor zelfstandigen weer een stap dichterbij
Aanleiding Baz
Aanleiding van het wetsvoorstel is dat ongeveer 75% van de zelfstandigen op dit moment niet verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid. Dit is over het algemeen omdat ze de kosten te hoog vinden, maar een deel van de zelfstandigen kan zich door leeftijd of ziekte ook niet verzekeren. Het kabinet wil dat zelfstandigen meer zekerheid krijgen over hun inkomen en hoopt daar met het wetsvoorstel Baz voor te zorgen.
Baz
In het wetsvoorstel Baz wordt elke zelfstandige verplicht zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid tot de AOW-leeftijd. Dat kan door deelname aan de Baz, maar ze kunnen ook, onder voorwaarden, voor een private verzekering kiezen.
Ten opzichte van een eerder voorstel zijn er aanpassingen gedaan in het wetsvoorstel dat naar de Raad van State is gestuurd.
Lagere premie
Zo is de premie verlaagd van 6,5 naar 5,4% van de winst van de zelfstandige, met een maximum van naar verwachting € 171 bruto per maand.
Let op! Zelfstandigen die ook in loondienst werken zijn al verzekerd voor arbeidsongeschiktheid. Hebben zij vanuit de WIA al recht op een uitkering op het niveau van het minimumloon, dan hoeven zij straks geen Baz-premie te betalen.
Langere wachttijd
Ook de wachttijd voordat een zelfstandige een AOV-uitkering krijgt, is verlengd naar twee jaar. Dit is vergelijkbaar met de wachttijd van een zieke werknemer voor een WIA-uitkering.
Vervolg
Het wachten is nu op het advies van de Raad van State. Daarna moet het wetsvoorstel nog aan de Tweede Kamer worden aangeboden en moeten zowel de Tweede als de Eerste Kamer nog instemmen. Het is daarom nog niet zeker of, en zo ja vanaf wanneer er een verplichte AOV voor zelfstandigen komt.
Tarieven en schijven inkomstenbelasting box 1 en loonheffing
In 2026 bedraagt het tarief in de inkomstenbelasting en loonheffing tot en met een belastbaar inkomen/loon van € 38.883: 35,70% (2025 tot € 38.441: 35,82%). Hier is dus sprake van een lichte daling (0,12%).
Bij een inkomen/loon van € 38.883 tot en met € 79.137 bedraagt het tarief in 2026: 37,56% (2025 van € 38.441 tot en met € 76.817: 37,48%), een lichte stijging van 0,08%.
Boven de € 79.137 (2025: € 76.817) bedraagt het tarief in 2026: 49,5%. Dit tarief is dus niet gewijzigd.
Let op! De schijven zijn niet voor 100%, maar voor 52,8% aangepast aan de inflatie. Het kabinet wil hierbij het gat opvullen dat ontstaat door het terugdraaien van de btw-verhoging op cultuur, media en sport.
Tarief box 2
Het tarief in box 2 is in 2026, net als in 2025, gedifferentieerd: 24,5% en 31%. Tot een inkomen in box 2 van € 68.843 (fiscale partners € 137.686) bedraagt het tarief 24,5%, daarboven 31%. In 2025 ligt die grens nog op € 67.804 (fiscale partners € 135.608).
Let op! Heef u in 2025 nog geen inkomsten in box 2? Maak dan nog gebruik van het lagere tarief van 24,5% door een dividenduitkering te doen tot maximaal € 67.804 (fiscale partners € 135.608).
Overleg hierover wel eerst met onze adviseurs. Een dividenduitkering kan namelijk ook de algemene heffingskorting, uw vermogen in box 3 en eventuele excessieve leningen beïnvloeden.
Tarief box 3
Het tarief dat u in 2026 betaalt in box 3 blijft net gelijk ten opzichte van 2025, namelijk 36%.
Heffingskortingen
De maximale heffingskortingen zijn in 2026 ten opzichte van 2025 allemaal iets hoger. Zo bedraagt de maximale algemene heffingskorting in 2026 € 3.115 (2025: € 3.068) en maximale arbeidskorting € 5.712 (2025: € 5.599).
Verdere verlaging zelfstandigenaftrek
In 2026 heeft de ondernemer in de inkomstenbelasting, waaronder de zzp’er, recht op lagere ondernemersfaciliteiten. Dit komt door de forse daling van de zelfstandigenaftrek van € 2.470 in 2025 naar € 1.200 in 2026.
Let op! Houd er rekening mee dat de zelfstandigenaftrek in 2027 nog verder daalt naar € 900.
De mkb-winstvrijstelling is in 2026 gelijk gebleven ten opzichte van 2025, namelijk 12,7%.
Tarief vennootschapsbelasting ongewijzigd
Het tarief in de vennootschapsbelasting is in 2026 gelijk aan 2025: 19% voor de winst tot en met € 200.000 en 25,8% daarboven.
Nog niet definitief
Nog niet alle wijzigingen staan definitief vast omdat ze zijn opgenomen in het Belastingplan 2026. Dit wetsvoorstel moet straks eerst nog door de nieuwe Tweede Kamer (na de verkiezingen) worden aangenomen. Daarna moet ook de Eerste Kamer nog instemmen.
Fiets van de zaak
Stelt u een fiets aan een werknemer ter beschikking die de werknemer voor privé mag gebruiken, dan moet u een bijtelling toepassen. Mag een werknemer de fiets ook voor woon-werkverkeer gebruiken, dan wordt deze fiets geacht in ieder geval ook voor privégebruik ter beschikking te staan. Per kalenderjaar geldt bij privégebruik een bijtelling van 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets.
Over deze bijtelling moet u loonbelasting/premies volksverzekeringen inhouden, premies werknemersverzekeringen betalen en werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.
Tip! U kunt er ook voor kiezen om de bijtelling aan te wijzen in de vrije ruimte, mits aan de gebruikelijkheidstoets wordt voldaan. Als uiteindelijk blijkt dat u de vrije ruimte in een jaar overschrijdt, dan betaalt u als werkgever 80% eindheffing over de overschrijding. Houd hier rekening mee bij de keuze om de bijtelling wel of niet aan te wijzen in de vrije ruimte.
Geen bijtelling meer bij weinig thuis stallen
De regels voor de bijtelling leiden in sommige gevallen tot ongewenste uitkomsten. Denk bijvoorbeeld aandeel- en hubfietsen die door een werkgever ter beschikking worden gesteld voor een deel van het woon-werkverkeer. Om die reden komt er een regeling voor fietsen die niet of slechts incidenteel (niet meer dan 10% van de tijd) bij het woon- of verblijfadres van de werknemer worden gestald. Voor deze fietsen hoeft geen bijtelling meer te worden toegepast. Dit geldt overigens niet alleen voor deel- en hubfietsen, maar voor alle fietsen die niet meer dan 10% van de tijd bij het woon- of verblijfadres worden gestald.
Let op! Heeft de werknemer niet de beschikkingsmacht over de fiets in de periode dat deze bij zijn woon- of verblijfadres is, dan is in ieder geval geen sprake van stallen van de fiets. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als een deelfiets in de app is ingeleverd.
Al vanaf 2020
De regel gaat in per 1 januari 2026, maar heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020. Heeft u ten onrechte bijtelling toegepast vanaf die datum, dan kunt u vanaf 1 januari 2026 de afgedragen belasting terugvragen. U moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat de fiets voor niet meer dan 10% van de tijd thuis gestald is. Bovendien moet de fiets ook alleen voor (een deel van) het woon-werkverkeer zijn en niet privé zijn gebruikt.
Ook voor ondernemers
De nieuwe regels gelden niet alleen voor werknemers, maar ook voor ondernemers die een fiets van de zaak gebruiken.
Belastingplan 2026
Het voorgaande is nog niet definitief. Het is opgenomen in het Belastingplan 2026, welke nog door de nieuwe Tweede Kamer (na de verkiezingen) moet worden aangenomen. Daarna moet de Eerste Kamer ook nog instemmen.
Hoger forfait overige bezittingen
Het forfaitair rendement op overige bezittingen bedraagt in 2025 nog 5,88%, maar stijgt in 2026 naar 7,78%! Deze grote stijging is met name budgettair gedreven. Nu het nieuwe box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement niet in 2026, maar pas in 2028 wordt ingevoerd, ontstaat er een tekort. Dit moet door het veel hogere forfaitaire rendement van 7,78% gedekt worden. Zonder deze budgettaire verhoging zou het forfaitair rendement in 2026 op 6% vastgesteld zijn.
Let op! ‘Overige bezittingen’ is een restcategorie. Hieronder valt grofweg alles wat geen bank- of spaartegoed of schuld is, denk aan onroerende zaken, aandelen, obligaties en vorderingen.
Lager werkelijk rendement?
Als uw totale werkelijke rendement in box 3, berekend volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3, in 2026 lager is dan het totale forfaitaire rendement, kunt u ook in 2026 een beroep doen op de tegenbewijsregeling. Bij een geslaagd beroep betaalt u dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over het werkelijke rendement.
Lager heffingsvrij vermogen
Naast de verhoging van het forfaitaire rendement wordt ook budgettaire dekking gezocht in een verlaging van het heffingsvrije vermogen van € 57.684 in 2025 naar € 51.396 in 2026 (voor fiscale partners gezamenlijk van € 115.368 in 2025 naar € 102.792 in 2026).
Tarief
Het tarief dat u in 2026 betaalt over uw werkelijke of forfaitaire rendement blijft 36%.
Afbouw voordelen groen beleggen
Eind vorig jaar is in de wet opgenomen dat de voordelen voor groen beleggen worden afgebouwd en per 1 januari 2027 worden afgeschaft. Afschaffing per 1 januari 2027 blijkt nog niet mogelijk te zijn. Om die reden geldt ook in 2027 nog een, weliswaar geringe, vrijstelling en heffingskorting. In een overzicht:
| 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | |
| Vrijstelling groen beleggen | € 26.312 (fiscale partners € 52.624) | € 26.715 (fiscale partners € 53.430) | € 200 (fiscale partners € 400) | 0 |
| Heffingskorting groen beleggen | 0,1% | 0,1% | 0,1% | 0% |
Let op! Nu de fiscale voordelen van groen beleggen steeds minder worden, is het raadzaam om uw portefeuille te (laten) beoordelen.
Aanpassing leegwaarderatio
Als u een woning verhuurt in box 3 met huurbescherming, kunt u nu al misschien een korting op de WOZ-waarde toepassen, waardoor u minder belasting betaalt in box 3. Dit heet de leegwaarderatio. Of u die korting kunt toepassen en hoe hoog die dan is, is afhankelijk van de hoogte van de huur.
Vanaf 2026 wijzigen er twee dingen in de leegwaarderatio:
- Als de werkelijke waarde 10% of meer afwijkt van de WOZ-waarde – verminderd met de korting –, mag u uitgaan van de werkelijke waarde. Dit kon vanaf 2015 al op basis van rechtspraak, maar wordt vanaf 2026 dus wettelijk vastgelegd.
- Bij een onzakelijke huur tussen twee gelieerde partijen (bijvoorbeeld familieleden) mag de leegwaarderatio niet meer worden toegepast.
Let op! Verhuurt u aan een gelieerde partij, zoals een familielid, beoordeel dan of u geraakt wordt door de maatregel.
Nog niet definitief
De verhoging van het forfait van de overige bezittingen, de verlaging van het heffingsvrije vermogen en de wijzigingen in de leegwaarderatio zijn opgenomen in het Belastingplan 2026. Dit wetsvoorstel moet straks eerst nog door de nieuwe Tweede Kamer (na de verkiezingen) worden aangenomen. Daarna moet ook de Eerste Kamer nog instemmen. De wijzigingen zijn daarom nog niet definitief.