Invoering vrachtwagenheffing waarschijnlijk per 1 juli 2026
Heffing per kilometer
Het doel van de vrachtwagenheffing is dat voor binnen- en buitenlandse vrachtwagens van meer dan 3.500 kilo een heffing per verreden kilometer betaald moet worden. Het tarief wordt gedifferentieerd naar CO2-uitstoot van de vrachtwagen. Het Eurovignet verdwijnt per 1 juli 2026 en ook de MRB, ofwel wegenbelasting, wordt voor deze vrachtauto’s tot het Europese een minimumtarief verlaagd. Een ander doel van de heffing is de innovering en verduurzaming van het vrachtverkeer.
Let op! Vanaf 1 juli 2026 vervalt de wet belasting zware motorrijtuigen (bzm) en heeft u in Nederland geen eurovignet meer nodig. In Luxemburg en Zweden blijft het eurovignet nog wel verplicht voor vrachtauto’s.
Tip! Heeft u een eurovignet gekocht dat nog geldig is na 30 juni 2026 en maakt u alleen in Nederland gebruik van de snelweg? Dan kunt u bzm terugvragen met het formulier Verzoek teruggaaf bzm.
Toldienstaanbieders
Toldienstaanbieders worden straks verantwoordelijk voor de inning van de heffing en de afdracht aan de overheid. Dit betekent onder meer dat toldienstaanbieders vóór genoemde datum bij alle vrachtwagens waarvoor dit gewenst wordt boordapparatuur moeten inbouwen ter registratie van de vrachtwagenheffing. De registratie geschiedt via portalen die boven het wegennet worden geïnstalleerd. Ook zullen de toldienstaanbieders de transporteur van een contract moeten voorzien. De minister meldt dat men daarvoor ook bij aanbieders terecht kan die de heffing tevens in andere landen van de EU afhandelen (een EETS-aanbieder).
Opbrengst deels voor subsidies
De opbrengst van de heffing zal deels besteed worden aan elektrificatie van het vrachtvervoer. Onder meer de subsidies AanZET en SPriLa zullen ermee worden gefinancierd.
Sluipverkeer
De heffing zal na invoering worden gemonitord. Zo zal worden bijgehouden of en in welke mate vrachtwagens de heffing zullen ontgaan door uit te wijken naar wegen waarvoor de heffing niet geldt. Afhankelijk van de gemeten resultaten kunnen dan aanvullende maatregelen genomen worden.
Inzicht in uitstoot
Vanaf dit najaar kunnen transportondernemers zich aanmelden voor de regeling “CO2 meten en verbeteren”. Transportondernemers krijgen dan een adviseur toegewezen die helpt om de kwaliteit van data over de CO2-uitstoot, gereden kilometers en de beladingsgraad van hun vrachtwagenpark te verbeteren.
Gebruikelijkheidstoets WKR
In beginsel is alles wat een werkgever vergoed, verstrekt of ter beschikking stelt aan een werknemer als loon belast bij de werknemer. Hiervoor geldt een aantal uitzonderingen, gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen, waar in dit artikel verder niet op ingegaan wordt.
Een werkgever kan in beginsel de vergoeding, verstrekking of ter beschikkingstelling ook aanwijzen als eindheffingsloon. De gebruikelijkheidstoets legt hier een beperking op: vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen die voor meer dan 30% afwijken van hetgeen normaal vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld wordt, mag een werkgever niet aanwijzen als eindheffingsloon.
Let op! Tot het bedrag van de vrije ruimte (in 2025 2% van de eerste € 400.000 van de fiscale loonsom en 1,18% daarboven) betaalt een werkgever geen belasting over de aangewezen vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen. Daarboven komt ten laste van de werkgever een eindheffing 80%.
Doelmatigheidsgrens € 2.400
De Belastingdienst hanteert bij het beoordelen van de gebruikelijkheidstoets een doelmatigheidsgrens van € 2.400 per werknemer per jaar. Over de toepassing van deze grens bestonden in de praktijk nog vragen. De Belastingdienst heeft daarover onlangs nadere uitleg gegeven.
Veilige haven
De aanwijzing van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen tot een bedrag van in totaal € 2.400 per werknemer per jaar beschouwt de Belastingdienst altijd als gebruikelijk. Tot dit bedrag is sprake van een ‘veilige haven’. De Belastingdienst onderneemt dan geen actie.
Het is daarbij niet van belang om welk soort kosten of beloningsbestanddeel het gaat. Zo kan bijvoorbeeld ook een bonus of eindejaarsuitkering tot een bedrag van € 2.400 binnen deze veilige haven als eindheffingsloon worden aangewezen.
Wat telt mee binnen de € 2.400?
Als er geen twijfel is dat de aanwijzing van een vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling voldoet aan de gebruikelijkheidstoets, telt deze niet mee voor de € 2.400-grens.
Dat geldt bijvoorbeeld voor een vergoeding waarvoor een gerichte vrijstelling geldt. Denk bijvoorbeeld aan een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer tot maximaal € 0,23 per kilometer.
Maar ook van overige (niet gericht vrijgestelde) vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen kan de aanwijzing zonder twijfel voldoen aan de gebruikelijkheidstoets. Bijvoorbeeld omdat de gebruikelijkheid hiervan vooraf is afgestemd met de Belastingdienst.
Voorbeeld
Een werkgever geeft aan een werknemer een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer van € 1.500 (tegen de gerichte vrijstelling van maximaal € 0,23 per kilometer). Daarnaast heeft de Belastingdienst aan de werkgever bevestigd dat de aanwijzing van de door de werkgever geïmplementeerde fietsregeling voor € 2.000 per fiets gebruikelijk is. In dat jaar geeft de werkgever geen andere vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen. In december wil de werkgever een eindejaarsuitkering van € 2.400 aanwijzen als eindheffingsloon. De werkgever overschrijdt daarmee de grens van € 2.400 niet omdat de reiskostenvergoeding en de fiets voor die grens niet meetellen.
Beoordeling bij overschrijding van € 2.400-grens
Wijst de werkgever voor meer dan € 2.400 per werknemer per jaar als eindheffingsloon aan, dan kan tot een bedrag van € 2.400 een beroep gedaan worden op de doelmatigheidsgrens. Boven dit bedrag kan de Belastingdienst de gebruikelijkheid echter wel toetsen.
Voorbeeld
Een werkgever geeft een bonus van € 4.000 en wil deze aanwijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte van de WKR. In dit voorbeeld geeft de werkgever geen andere vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen. Dit betekent dat de werkgever voor € 2.400 gebruik kan maken van de doelmatigheidsgrens, maar dat voor een bedrag van € 1.600 de gebruikelijkheid ter discussie staat. Houd er rekening mee dat de Belastingdienst deze € 1.600 over het algemeen niet gebruikelijk zal vinden.
Ja, dat mag, maar alleen als uw werknemer u hierom vraagt en dus zijn toestemming geeft.
Waarom meer loonheffing inhouden?
Als een werknemer gelijktijdig meerdere dienstbetrekkingen heeft, kan het zijn dat de loonheffing die totaal wordt ingehouden bij deze dienstbetrekkingen, lager is dan de werknemer bij zijn aanslag inkomstenbelasting moet betalen. De verschillende werkgevers houden immers geen rekening met het loon bij de andere dienstbetrekkingen en voor de aanslag inkomstenbelasting worden deze lonen wel bij elkaar opgeteld.
Om te zorgen dat de loonheffing meer overeenstemt met de inkomstenbelasting, kan een werknemer aan zijn werkgever vragen om meer loonheffing in te houden.
Let op! Dit kan zich ook voordoen als een werknemer meerdere pensioenen heeft of als hij bijvoorbeeld naast een pensioen ook nog werkzaamheden bij een werkgever verricht.
Alleen op verzoek/met toestemming
Het inhouden van meer loonheffing in afwijking van wat de tabellen berekenen, mag alleen op verzoek van de werknemer of met zijn toestemming.
Niet verplicht
Een werkgever is overigens niet verplicht om in te gaan op een dergelijk verzoek van een werknemer. Wil een werkgever niet meer loonheffingen inhouden en wil een werknemer toch voorkomen dat hij bij de aanslag inkomstenbelasting geconfronteerd wordt met een bij te betalen bedrag? Dan kan de werknemer altijd zelf de Belastingdienst verzoeken om een voorlopige aanslag op te leggen.
Hoge Raad en Wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3: aanvullend rechtsherstel
Op 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad dat u in box 3 het – door de Hoge Raad gedefinieerde – werkelijke rendement in aanmerking mag nemen als dit lager is dan het wettelijk veronderstelde rendement. De Hoge Raad gaf daarbij en ook in latere arresten aanwijzingen hoe dit werkelijke rendement berekend moet worden.
De aanwijzingen van de Hoge Raad zijn, aangevuld met een aantal nadere regels, verwerkt in het wetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3 dat inmiddels is aangenomen door de Tweede Kamer.
Naar verwachting komt in juli 2025 het formulier Opgaaf werkelijk rendement (OWR) beschikbaar waarmee een beroep gedaan kan worden op de tegenbewijsregeling.
Kunt u wachten op het formulier OWR?
De Belastingdienst geeft aan dat u kunt wachten op het formulier OWR als u een beroep wilt doen op box 3-heffing berekend naar het werkelijk rendement. Dit is inderdaad het geval als u alleen een beroep wil doen op berekening van het werkelijk rendement in overeenstemming met de wet tegenbewijsregeling box 3.
Of is bezwaar nodig?
Wilt u dat niet of twijfelt u daar nog aan, dan is het verstandig om tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken na dagtekening, bezwaar te maken tegen de definitieve aanslag IB.
Let op! Is de dagtekening van uw definitieve aanslag 27 mei 2025, dan eindigt de termijn om bezwaar te maken op 8 juli 2025.
Redenen voor bezwaar
Een reden voor bezwaar kan zijn dat u niet wilt aansluiten bij de wet tegenbewijsregeling box 3. U wilt bijvoorbeeld toch kosten in aftrek brengen. Houd er rekening mee dat de Belastingdienst het bezwaar op dit punt zal afwijzen, omdat de Hoge Raad heeft beslist dat geen ruimte bestaat voor aftrek van kosten.
Maar ook als u de verdeling van uw box 3-inkomen tussen u en uw fiscale partner wilt wijzigen, moet u tijdig bezwaar maken. Datzelfde geldt als u wilt meedoen aan de massaalbezwaarprocedure tegen de belastingrente, indien op de definitieve aanslag of voorlopige aanslag belastingrente in rekening is gebracht.
Let op! Er zullen misschien nog meer redenen zijn om bezwaar te maken. Mogelijk heeft een van onze adviseurs al contact met u opgenomen om een en ander te bespreken. Het kan ook zijn dat al actie ondernomen is en bezwaar is gemaakt. Neem bij vragen of als u twijfelt hierover contact met ons op.