Kan een ander in je woning tijdens opname in zorginstelling?
Regels bij verhuizing naar zorginstelling
De wettelijke regel bij opname in een verpleeg- of verzorgingshuis (zorginstelling) is dat de rente nog maximaal twee jaar aftrekbaar blijft, nadat je eigen woning niet meer je hoofdverblijf is. Voorwaarde is dat je gedurende die periode bent opgenomen in een zorginstelling vanwege medische redenen of ouderdom.
Let op! Je hoofdverblijf verplaatst van je eigen woning naar de zorginstelling als de opname in een zorginstelling niet tijdelijk is. Als je slechts tijdelijk in een zorginstelling wordt opgenomen, blijft je eigen woning gewoon je hoofdverblijf. De rente blijft dan gewoon aftrekbaar.
Kan er een ander in je woning wonen?
Vraag is of de rente nog steeds aftrekbaar is als gedurende die twee jaar dat je woning niet meer je hoofdverblijf is, een ander in je woning verblijft. De Belastingdienst heeft aangegeven dat de rente aftrekbaar blijft mits jij nog vrijelijk over de woning kan beschikken en deze op elke gewenst moment weer als hoofdverblijf zou kunnen betrekken.
Vrijelijk beschikken
Wanneer sprake is van vrijelijk beschikken en het op elke gewenst moment weer als hoofdverblijf kunnen betrekken, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden.
Blijft je fiscale partner in je eigen woning wonen, dan is daar in ieder geval sprake van. Verhuur je de woning, dan is daar geen sprake meer van, omdat de huurder dan het gebruiksrecht van de woning heeft. In dat geval gaat de woning en de eventuele schuld vanaf aanvang huur over naar box 3.
Let op! Twijfel je of in jouw geval sprake is van vrije beschikking en het op elke moment weer als hoofdverblijf kunnen betrekken? Overleg hierover dan met onze adviseurs.
Geen aftrek btw dak bij niet-geïntegreerde zonnepanelen
Om de btw op het dak van een woning in aftrek te kunnen brengen moet er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaan tussen de bouw van het dak en de btw-belaste verhuur.
In juli 2021 oordeelde de Hoge Raad dat ingeval een belanghebbende een huis (met dak) bouwt en daarop niet-geïntegreerde zonnepanelen aanbrengt, een dergelijk rechtstreeks en onmiddellijk verband ontbreekt. De Hoge Raad oordeelde dat in zo’n geval de belanghebbende de kosten voor het huis (met dak) hoe dan ook zou hebben gemaakt, ook als er geen zonnepanelen op het dak zouden zijn geplaatst.
Geen aftrek btw dak bij btw-belaste verhuur dak?
Een belanghebbende die een nieuwe woning bouwde en het dak van de woning btw-belast verhuurde met btw aan een ander, wilde de btw op dat dak in aftrek brengen. De ander gebruikte het dak om daar niet-geïntegreerde zonnepanelen op te plaatsen en daarmee btw-belaste energie te leveren.
De Belastingdienst, de rechtbank en het gerechtshof vonden dat btw-aftrek niet mogelijk was omdat een rechtstreeks en onmiddellijk verband ontbrak. Zij vonden dat de belanghebbende de kosten voor het dak ook zou hebben gemaakt, ook als het dak niet btw-belast verhuurd zou zijn.
Of toch wel?
Een A-G, een adviseur van de Hoge Raad, vindt dat aftrek btw op het dak misschien wel mogelijk is bij btw-belaste verhuur van het dak. De toets uit het arrest van de Hoge Raad uit juli 2021 geldt in deze situatie niet, oordeelt de A-G.
De A-G vindt dat er in dit geval een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de kosten van het dak en de btw-belaste verhuur van het dak. Al bij de aankoop, bij de oplevering en bij de ingebruikname van het dak stond vast dat het dak btw-belast verhuurd zou worden.
Wel moet volgens de A-G nog nader worden onderzocht of het dak wel voor 90% of meer gebruikt wordt voor btw-belaste activiteiten. Alleen dan is namelijk btw-belaste verhuur van het dak mogelijk en kan er sprake zijn van btw-aftrek.
En nu?
De Hoge Raad moet zich nog uitspreken. Tot die tijd is in ieder geval nog niet duidelijk of de Hoge Raad het advies van de A-G volgt.
Let op! De fiscale gevolgen zullen ook afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden van het geval. Laat je daarom over je eigen situatie altijd goed adviseren.
Increase of 1.90%
The indexation of the statutory minimum hourly wage is based on the average percentage change in contractual wages across the private sector, the subsidized and premium-supported sectors, and the public sector. In total, the statutory minimum hourly wage will increase by 1.90% as of July 1, 2026, compared to January 1, 2026. This brings it to €14.99.
Please note! As a result, the reference monthly wage will increase to €2,337 gross per month as of July 1, 2026. This reference monthly wage is used to determine the amount and indexation of various benefits.
Statutory minimum youth wages also rising
The statutory minimum youth wages are a percentage of the statutory minimum hourly wage that applies to everyone aged 21 and older. Due to the indexation of the statutory minimum hourly wage, the minimum youth wages will also increase as of July 1, 2026.
| Age | Percentage | Minimum hourly wage |
| 21 years and older | 100% | € 14.99 |
| 20 years | 80 % | € 11.99 |
| 19 years | 60 % | € 8.99 |
| 18 years | 50 % | € 7.50 |
| 17 years | 39.5 % | € 5.92 |
| 16 years | 34.5 % | € 5.17 |
| 15 years | 30 % | € 4.50 |
Please note! The percentage for employees aged 16 through 20 will increase effective January 1, 2027. For a 20-year-old, this will then be 87.5%, for a 19-year-old 75%, for an 18-year-old 62.5%, for a 17-year-old 50%, and for a 16-year-old 40%. For a 15-year-old, the percentage will remain at 30%.
Minimum youth wage for BBL students also increases
BBL students (students in a vocational training program with an employment contract) aged 15 through 17 and 21 and older are entitled to the minimum hourly wage as stated above. For BBL students aged 18 through 20, lower rates apply.
| Age | Percentage | Minimum hourly wage |
| 20 years | 61.5% | € 9.22 |
| 19 years | 52.5% | € 7.87 |
| 18 years | 45.5% | € 6.82 |
Please note! Effective January 1, 2027, there will no longer be any lower rates for BBL students aged 18 through 20. BBL students in this age group will therefore be entitled to the standard minimum youth wage.
WOZ-waarde
Als je iets erft of geschonken krijgt, wordt de waarde over het algemeen berekend naar de WEV. Alleen voor woningen geldt een afwijkende waardering. Daarbij mag de verkrijger kiezen voor de WOZ-waarde van het jaar waarin de verkrijging plaatsvindt of de WOZ-waarde van het jaar erna.
Medio 2025 was in een internetconsultatie een voorstel opgenomen om vanaf 2027 de waardering van woningen bij schenkingen te laten plaatsvinden tegen de WEV. In de Voorjaarsnota 2026 is echter bekendgemaakt dat dit voorstel niet doorgaat.
Let op! Voor woningen die je erft, waren geen aanpassingen voorgesteld en zou de waardering, ook vanaf 2027, gebaseerd blijven op de WOZ-waarde.
Voordelen van de WOZ-waarde
Nu de wet niet gewijzigd wordt, blijven bij schenken en erven de voordelen bestaan van een verschil tussen de WOZ-waarde en de WEV van een woning. Welke voordelen dat zijn wordt duidelijk aan de hand van de volgende voorbeelden.
WOZ lager dan WEV: schenking woning tegen WOZ-waarde
Stel, de WOZ-waarde van een woning is € 300.000 en de WEV € 350.000. Bij schenking van de woning wordt schenkbelasting berekend op basis van € 300.000. Als de verkrijger de woning daarna meteen doorverkoopt tegen de WEV, ontvangt hij effectief € 350.000, maar betaalt hij maar schenkbelasting op basis van € 300.000.
WOZ lager dan WEV: verkoop woning tegen WOZ-waarde
Stel dat de woning in het vorige voorbeeld niet geschonken wordt, maar verkocht tegen de WOZ-waarde van € 300.000. Economisch vindt er dan een schenking plaats van € 50.000 (€ 350.000 WEV minus € 300.000 verkoopprijs). De waarde van de schenking voor de schenkbelasting is echter nihil, omdat de waarde van de woning wordt bepaald op de WOZ-waarde.
Let op! Neem voor uw eigen situatie altijd contact op met onze adviseurs.