t
0344 647 000
|

Belasting Zware Motorrijtuigen nu al terug te vragen

Bzm vervangen door vrachtwagenheffing

U moet in Nederland bzm betalen als uw vrachtwagen bestemd is en/of gebruikt wordt voor het vervoer van goederen en u ermee op de snelweg wilt rijden. Dit gaat veranderen. Vanaf 1 juli 2026 moeten vrachtwagens uit binnen- en buitenland bij gebruik van de Nederlandse snelwegen en van enkele mogelijke uitwijkroutes een heffing per kilometer betalen. Deze vrachtwagenheffing gaat elektronisch gebeuren via speciale apparatuur.

Verzoek indienen

Als u bzm wilt terugvragen, moet u hiertoe een verzoek indienen met het formulier Verzoek teruggaaf bzm. U dient dit in te vullen en op te sturen (Belastingdienst/Centrale administratieve processen, Postbus 9051, 7300 GN, Apeldoorn) of te mailen naar bca.euromail@belastingdienst.nl.

Reden van teruggave vermelden

Als reden voor het teruggaveverzoek vult u bij vraag 3 op het formulier in dat dit het einde van de bzm per 1 juli 2026 is. Houd er rekening mee dat er € 25 aan administratiekosten wordt ingehouden op het terug te krijgen bedrag.

Let op!In de andere Eurovignet lidstaten, Zweden en Luxemburg is een Eurovignet na 1 juli 2026 nog wel verplicht voor vrachtauto’s.

Eerdere planning niet haalbaar

Het was de bedoeling dat het deel van het wetsvoorstel meer zekerheid voor flexwerkers, dat invulling geeft aan gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten, per 1 juli 2026 in werking zou treden en de overige onderdelen per 1 januari 2027. 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft gemeld dat dit niet gaat lukken. Om de voorziene inwerkingtredingsdata van 1 juli 2026 en 1 januari 2027 te halen, moet het wetsvoorstel snel worden aangenomen en in april 2026 in het Staatsblad worden gepubliceerd vanwege de relatie van dit wetsvoorstel met wijzigingen in de loonaangifteketen. Het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers kan echter waarschijnlijk pas begin april 2026 plenair worden behandeld in de Tweede Kamer. Naar verwachting zal het onderdeel gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden dus op zijn vroegst per 1 januari 2027, en de overige onderdelen per 1 januari 2028 in werking kunnen treden.

Latere invoering wetgeving voor pgb-zorgverleners en pgb-houders

Verder informeert de minister over de interactie van het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers en het persoonsgebonden budget (pgb). Uit de uitvoeringstoets van SVB in december bleek dat het wetsvoorstel binnen de huidige voorwaarden en uitvoering van het pgb niet uitvoerbaar is. Dit heeft grote gevolgen voor pgb-houders en forse uitvoeringslasten voor de pgb-keten, dusdanig dat uitvoering niet binnen afzienbare tijd (voor 2030) mogelijk is.

Tussenpoos oproepcontracten van 5 jaar naar 6 maanden

Daarom heeft de minister aangegeven dat het wenselijk is om voor pgb-zorgverleners en pgb-houders de mogelijkheid om oproepcontracten (waaronder nulurencontracten) af te sluiten en de huidige verkorte tussenpoos van zes maanden in plaats van de gewenste vijf jaar in stand te houden. Dit betekent dat de wijzigingen op deze punten voor pgb-houders en pgb-zorgverleners nog niet in werking treden. 

Omdat de budgethouder zelf verantwoordelijk is voor de inkoop van zorg, wordt de budgethouder geacht ook zelf contracten af te sluiten met de zorgverleners. In een minderheid van de gevallen wordt dit op een manier ingekocht dat de pgb-houder individueel werkgever voor een pgb-zorgverlener wordt. In die gevallen komt het arbeidsrecht in beeld. In veel gevallen biedt de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ondersteuning aan budgethouders bij hun werkgeverstaken.

Start vereenvoudigd regime budgethouders

Het arbeidsrecht en het pgb staan op gespannen voet met elkaar. Zo bracht de SVB al eerder naar voren dat het werkgeverschap in het pgb moeilijk is voor pgb-budgethouders.

De minister is gestart met de uitvoering van een motie, waarin wordt opgeroepen een verkenning uit te voeren naar een vereenvoudigd en verlicht regime voor budgethouders, waarbij gekeken wordt naar het verlichten van de administratieve lasten en waarbij ook de arbeidsrechtelijke verplichtingen worden betrokken.

Er wordt gekeken naar wat een tijdelijke uitzondering voor pgb-houders en zorgverleners op het wetsvoorstel betekent voor hun uitvoering en per welke termijn een oplossing uitvoerbaar is.

Betaling aan werkgever

Betaalt een werknemer voor het privégebruik van de auto een bedrag aan de werkgever, dan is dit bedrag aftrekbaar van de bijtelling. Voorwaarde is dat dit wel van tevoren moet zijn afgesproken. Dat geldt ook als een hogere bijdrage wordt betaald, omdat de werknemer over een duurdere auto kan beschikken. Ook dan moet duidelijk zijn dat de hogere bijdrage betaald wordt voor privégebruik.

Tip! Leg dergelijke afspraken altijd schriftelijk vast, dat voorkomt discussie met de inspecteur.

Betalingen aan derden

Bij betalingen aan derden is het uitgangspunt dat alleen intermediaire kosten onder voorwaarden in aftrek op de bijtelling kunnen komen. Intermediaire kosten zijn kosten die de werknemer voor zijn werkgever maakt. Denk hierbij aan bijvoorbeeld brandstofkosten, tolkosten, kosten van een wasstraat, parkeerkosten of reparatiekosten. 

Voorwaarden

Deze intermediaire kosten komen alleen op de bijtelling in mindering onder de volgende voorwaarden:

  • De werknemer spreekt vooraf met de werkgever af dat hij de betaling voor of namens de werkgever doet.
  • De werknemer specificeert de kosten en de omvang ervan.
  • De werkgever merkt deze betaling aan als eigen bijdrage voor het privégebruik van de auto.
  • De werkgever mag de kosten niet vergoeden.

Belastingvrij vergoeden

Werkgevers kunnen er ook voor kiezen om intermediaire kosten belastingvrij te vergoeden. In dat geval is aftrek van de bijtelling niet meer mogelijk. 

Tip! In een speciale Handreiking heeft de Belastingdienst de mogelijkheden en voorwaarden hierover op een rij gezet.

BOR

Ook is verzocht om fiscale knelpunten in de samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers weg te nemen. Specifiek is gevraagd te onderzoeken of bij tijdelijke uitruil van grond de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) kan blijven gelden. 

Voorstellen belangenorganisaties

In de reactie van het kabinet is ingegaan op de voorstellen van belangenorganisaties op de gestelde fiscale knelpunten. Ook is aangegeven in hoeverre het kabinet de voorgestelde oplossingen ondersteunt. 

Introductie klimaat- en calamiteitenreserve

De belangenorganisaties hebben onder andere de invoering van een klimaat- en calamiteitenreserve bepleit, om op die manier de inkomensgevolgen van risicovolle gebeurtenissen te beperken. Het kabinet is hiervan geen voorstander en geeft aan dat er in zijn optiek beter een al dan niet verplicht fonds voor dergelijke risico’s gevormd kan worden. De premie ervan is namelijk eveneens fiscaal aftrekbaar, is goedkoper dan wanneer ieder individueel bedrijf zijn risico’s moet afdekken en zou met name voor jonge bedrijven bij een calamiteit meer soelaas bieden, aldus het kabinet.

Introductie fiscale investeringsreserve en verbetering verliesverrekening

Om aan nieuwe eisen van milieu en dierenwelzijn te voldoen wordt ook voorgesteld een fiscale investeringsreserve te introduceren. Het kabinet geeft aan de MIA en Vamil hiervoor in beginsel voldoende te vinden, maar gaat nog wel met de branche in overleg over het stimuleren van dierwaardige investeringen. 

Een ander voorstel betreft een verbetering van de achterwaartse verliesverrekening, specifiek voor de landbouw vanwege sterk fluctuerende resultaten. Het kabinet geeft aan dat dit laatste in meerdere branches voorkomt. Ook zijn er budgettaire en uitvoeringstechnische bezwaren, reden waarom het kabinet dit voorstel niet steunt.

Opheffen beperkingen landbouwvrijstelling en BOR

Zowel binnen de landbouwvrijstelling als binnen de BOR komen beperkingen voor die betrekking hebben op de verhuur of verpachting van landbouwgrond. De organisaties stellen voor deze beperkingen op te heffen. In zijn reactie geeft het kabinet aan dat zowel in de regeling inzake de landbouwvrijstelling als die inzake de BOR er al vergaande tegemoetkomingen voor de agrarische sector zijn opgenomen. Toch gaat het kabinet onderzoeken of de uitzondering op devastgoedmaatregel binnen de BOR kan worden verruimd. Besluitvorming hierover kan naar verwachting in augustus 2026 worden verwacht.