Doe vóór 1 maart aangifte schenkbelasting 2025
Wanneer doet u aangifte?
Heeft u van uw ouders een schenking ontvangen, dan is deze in 2025 tot en met een bedrag van € 6.713 vrijgesteld van belasting. Was de schenking meer dan € 6.713, dan doet u aangifte schenkbelasting.
Gaat het niet om de schenking van uw ouders maar van een ander, dan geldt voor 2025 een vrijstelling van belasting voor een bedrag tot en met € 2.690 per schenker. Ontving u meer dan € 2.690 van dezelfde schenker, dan moet u aangifte schenkbelasting doen.
Eenmalig verhoogde vrijstellingen
Voor kinderen van 18 jaar tot 40 jaar die een schenking van hun ouders ontvangen, geldt voor 2025 eenmalig een verhoogd vrijgesteld bedrag van € 32.195. Wordt het geld aantoonbaar gebruikt voor een dure studie, dan bedroeg de hoogte in 2025 € 67.064.
Let op! Doet u een beroep op een schenking van een van deze eenmalige verhoogde vrijstellingen, dan moet u altijd aangifte schenkbelasting doen.
Hoe aangifte schenkbelasting doen?
U kunt online uw aangifte schenkbelasting indienen. U logt in met uw DigiD en vult de benodigde gegevens in. U hoeft geen rekening te houden met de vrijstellingen, want dit doet het programma automatisch. U krijgt geen berekening te zien van de te betalen schenkbelasting.
Tip! U kunt op de site van de Belastingdienst berekenen hoe hoog de te betalen schenkbelasting is. U dient de noodzakelijke gegevens in te vullen, waaronder de omvang van het ontvangen bedrag. Ook is van belang wie de schenkbelasting betaalt. Vervolgens berekent het programma de te betalen belasting.
Voorbeeld
U ontving in 2025 van uw ouders een schenking van € 10.000. Er wordt geen beroep gedaan op de eenmalig verhoogde vrijstelling. De te betalen schenkbelasting bedraagt dan € 328. Van het geschonken bedrag is namelijk € 3.287 (€ 10.000 -/- € 6.713) niet vrijgesteld. Hierover moet 10% schenkbelasting worden afgedragen.
Let op! Zorg dat uw aangifte schenkbelasting over 2025 vóór 1 maart 2026 bij de Belastingdienst is ingediend.
Taak praktijkondersteuner
In een zaak die zich afspeelde voor het gerechtshof ’s-Hertogenbosch stelde een bv praktijkondersteuners ter beschikking aan huisartsen. De praktijkondersteuners boden zelfstandige zorg aan patiënten met lichamelijke klachten. Hun taken richtten zich met name op preventie, begeleiding, monitoring en het bieden van voorlichting en educatie met betrekking tot het omgaan met enkele chronische aandoeningen en de gevolgen daarvan.
Medische vrijstelling btw?
Voor het Hof draaide het met name om de vraag of op deze diensten de btw-vrijstelling voor medische diensten van toepassing was, zoals de bv meende, of dat het ging om het ter beschikking stellen van personeel, zoals de inspecteur aanhing. In het laatste geval zou de dienst niet vrijgesteld zijn van btw.
Overwegingen inspecteur
Volgens de inspecteur was er sprake van het ter beschikking stellen van personeel, omdat de bv specifieke personen op uurbasis ter beschikking stelde. Deze personen werden ook in de huisartsenpraktijk geplaatst en vielen onder de verantwoordelijkheid en het risico van de huisarts.
Meer dan personeel ter beschikking stellen
Het Hof stelde echter vast dat uit de feiten bleek dat de bv eerstelijns ondersteuning bood aan de huisartsen en dus meer deed dan alleen personeel ter beschikking stellen. Ook bleek uit diverse verklaringen dat de bv opdracht had om gezondheidskundige verzorging te verlenen en de praktijkondersteuners begeleidde en ondersteunde bij hun werkzaamheden. Ook stond hen een expertteam ter beschikking, bestaande uit een gekwalificeerde kaderarts en een gespecialiseerde verpleegkundige.
Risico voor bv
Hiernaast controleerde de bv het niveau van de geleverde zorg, aangezien men hier verantwoordelijk voor gesteld kon worden en de bv hiervoor dan ook verzekerd was. Het geheel overziend kwam het Hof tot de conclusie dat de aard van de door de bv verrichte dienst aangemerkt moest worden als een overeenkomst van opdracht tot het verlenen van gezondheidskundige verzorging. Dit betekende dat de btw-vrijstelling van toepassing was.
Voorwaarden loondispensatie Wajong tot 1 maart 2026
Een werkgever kan nu loondispensatie aanvragen als een werknemer een Wajong-uitkering heeft en door ziekte of handicap minstens zes maanden minimaal 25% minder werk aan kan dan andere werknemers in dezelfde functie.
Let op!De aanvraag of verlenging van loondispensatie doet u via het werkgeversportaal van het UWV.
Voorwaarden loondispensatie IVA/Wajong tot 31 oktober 2026
Voor een werknemer met een IVA-uitkering of voor een werknemer met een Wajong-uitkering zonder arbeidsvermogen kan ook loondispensatie worden aangevraagd. Deze tijdelijke regeling is aan te vragen tot en met 31 oktober 2026. De loondispensatie loopt dan maximaal tot en met 21 april 2028. Meer informatie hierover is te vinden op de website van het UWV.
Versoepeling voorwaarden loondispensatie vanaf 1 maart 2026
Vanaf 1 maart 2026 wijzigen de voorwaarden voor loondispensatie. Hierdoor kan een werkgever eerder loondispensatie aanvragen voor een werknemer met een Wajong- of IVA-uitkering, maar loopt de loondispensatie minder lang.
Een werkgever kan vanaf 1 maart 2026 loondispensatie aanvragen voor een werknemer als de werknemer een Wajong- of IVA-uitkering heeft en door een ziekte of handicap minstens drie maanden minimaal 5% minder werk aan kan dan andere werknemers in dezelfde functie.
Let op!In de situatie tot 1 maart 2026 mag de loondispensatie maximaal vijf jaar duren. Vanaf 1 maart 2026 mag de loondispensatie maximaal twee jaar duren.
Waardeverschil € 45.000
Over bovenstaande vraag moest het gerechtshof Den Haag oordelen in een zaak die was aangespannen door een vrouw die de bovenste etage van een appartementencomplex bewoonde. De WOZ-waarde van haar appartement was voor het jaar 2023 vastgesteld op € 671.000, terwijl vrijwel identieke appartementen in hetzelfde complex op € 626.000 waren gewaardeerd.
Diverse voordelen
Volgens de gemeente was de hogere waarde gerechtvaardigd, omdat de ligging op de bovenste etage diverse voordelen bood. Zo was er vanwege deze ligging meer privacy, geen mogelijke overlast van bovenburen, een beter uitzicht en minder straatlawaai.
Verwaarloosbare verschillen
Volgens het Hof was er in deze casus echter sprake van verwaarloosbare verschillen tussen de appartementen onderling en kon er dus een beroep worden gedaan op de meerderheidsregel. Voor de waardebepaling is dan de WOZ-waarde van de meerderheid van andere, identieke woningen bepalend. De enkele ligging op de bovenste etage deed hier niet aan af. Er waren ook geen bijzondere voorzieningen, zodat er hier van een penthouse geen sprake was.
Verkoopcijfers
Het Hof hechtte ook waarde aan het feit dat uit verkoopcijfers bleek dat appartementen op de bovenste etage geen hogere waarde hadden. De vrouw werd dan ook in het gelijkgesteld en de waarde van haar appartement bepaald op € 626.000.