t
0344 647 000
|

Waarschijnlijk meer btw bij overdracht auto tegen lagere prijs

Als een bv een auto aan zijn dga verkoopt, moet dit voor de dividendbelasting en inkomstenbelasting tegen de werkelijke waarde van de auto. Voor de btw bestaat twijfel of dit mogelijk anders is. In verschillende rechtszaken lag de vraag voor of terecht een naheffingsaanslag btw was opgelegd, in de situatie waarin het verkoopbedrag voor de btw onder de werkelijke waarde van de auto lag. Twee gerechtshoven en een rechtbank oordeelden hier verschillend over. Advocaat-generaal Ettema adviseert de Hoge Raad in al deze casussen de btw te berekenen over de werkelijke waarde.

Aankoop via verkapt dividend

In de zaak die voorlag bij gerechtshof Amsterdam nam een dga de auto van zijn bv over tegen een prijs van € 15.000, terwijl de waarde van de auto € 75.000 bedroeg. Voor de rest van de waarde werd voor de dividendbelasting verkapt dividend in aanmerking genomen. De bv berekende alleen btw over € 15.000, maar de Belastingdienst legde aan de bv een naheffingsaanslag btw op over het meerdere van € 60.000. In deze casus bedroeg het tijdsverloop tussen de aankoop van de auto door de bv en de doorverkoop aan de dga ongeveer vier maanden.

In drie andere zaken die voorlagen bij gerechtshof ‘s-Hertogenbosch werd een auto met een waarde van € 29.750 en een auto met een waarde van € 25.016 na ongeveer vijf jaar verkocht aan de dga, elk voor € 2.624. In de derde zaak werd een auto met een waarde van € 34.040 na ongeveer 2,5 jaar verkocht aan de dga voor € 2.597. Ook nu werd een verkapt dividend in aanmerking genomen voor de dividendbelasting voor het verschil tussen de waarde en de verkoopprijs.

Verschillend oordeel

Op de vraag of over de werkelijke waarde of over de lagere overeengekomen prijs btw moest worden afgedragen, kwamen de gerechtshoven niet tot hetzelfde oordeel. Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat in de casus die daar voorlag sprake was van misbruik van recht en stelde de Belastingdienst in het gelijk. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat er in de casussen die daar voorlagen, geen sprake was van misbruik van recht en stelde de bv in het gelijk.

Wanneer misbruik van recht?

Misbruik van recht kan worden aangenomen als in strijd met doel en strekking van de wet een belastingvoordeel wordt behaald én dit ook het wezenlijke (= het doorslaggevende) doel van de transactie is.

Let op!De Belastingdienst heeft de bewijslast om aan te tonen dat er sprake is van misbruik van recht.

Gerechtshof Amsterdam en A-G: misbruik van recht

Gerechtshof Amsterdam vond dat in de voorliggende casus aan deze definitie was voldaan. De zakelijke motieven die de bv bij het gerechtshof aanvoerde, verklaarden niet waarom de auto tegen een abnormaal lage vergoeding was verkocht. Naar het oordeel van het gerechtshof was het doel van de transactie dan ook gelegen in het belastingvoordeel van de lagere btw voor de dga.

De A-G volgt het gerechtshof in de eindconclusie en adviseert de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond te verklaren. Het in rekening brengen van een abnormaal lage vergoeding kan tot misbruik van recht leiden, naar het oordeel van de A-G. Van een abnormaal lage vergoeding is volgens de A-G als snel sprake als de vergoeding lager is dan de marktwaarde, tenzij er een economische verklaring voor de lagere vergoeding is.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch géén, A-G wél misbruik van recht

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat in de voorliggende casussen geen sprake was van misbruik van recht. De stelling van de Belastingdienst dat de auto was overgedragen tegen een abnormaal lage vergoeding was hiervoor volgens het gerechtshof onvoldoende. De Belastingdienst kon ook niet aannemelijk maken dat het btw-belastingvoordeel het hoofddoel van de transactie was.

De A-G denkt daar dus anders over en adviseert de Hoge Raad ook in deze casussen te oordelen dat sprake is van misbruik van recht.

Let op!Het wachten is nu op de Hoge Raad. Daarbij is het niet zeker of de Hoge Raad het advies van de A-G volgt. Ook zou de Hoge Raad in de zaken nog verschillend kunnen beslissen omdat de feiten in de zaken niet geheel gelijk zijn aan elkaar.

De casus

In 2021 stelde rechtbank Amsterdam FNV, die de procedure had aangespannen, in het gelijk door te oordelen dat Uber-chauffeurs werknemers zijn. Uber stelde vervolgens hoger beroep in. Het gerechtshof stelde hierop prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de betekenis van ondernemerschap bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie en op de procedure om die kwalificatie voor een groep werkenden vast te stellen.

Ondernemerschap

 De Hoge Raad gaf in reactie op genoemde prejudiciële vragen aan geen rangorde te willen aanbrengen in de in het Deliveroo-arrest genoemde relevante omstandigheden bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dit geldt ook voor ondernemerschap, waarbij het zich kan voordoen dat de arbeidsrelatie van de ene werkende anders te kwalificeren valt dan van andere werkenden die dezelfde werkzaamheden verrichten.

Het is volgens de Hoge Raad niet mogelijk een algemeen oordeel over de kwalificatie te geven als de individuele omstandigheden van de (groepen) werkenden daarvoor te veel uiteenlopen. 

Mocht het wel mogelijk zijn een oordeel te geven voor bepaalde (groepen) werkenden, dan kan de rechter dit in de beslissing van de uitspraak tot uitdrukking brengen.

Wat oordeelde de rechter?

Het gerechtshof oordeelde dat de zes chauffeurs die zich in hoger beroep aan de zijde van Uber hebben geschaard, niet als werknemer, maar als zelfstandig ondernemer moeten worden aangemerkt. Daarbij achtte het gerechtshof onder meer relevante factoren als:

  • de hoogte van de investeringen die de chauffeurs deden (zoals de aanschaf en exploitatie van hun voertuig); 
  • de vrijheid in het kiezen van de tijdstippen waarop ze werken; 
  • de strategie bij het wel of niet accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten; 
  • het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid.

Het gerechtshof overwoog tevens dat de mogelijkheid bestaat dat andere individuele chauffeurs van Uber wel werken op basis van een arbeidsovereenkomst. In de procedure waar het om ging, kon het gerechtshof echter niet vaststellen dat dit voor individuele chauffeurs of voldoende afgebakende groepen geldt. Reden waarom de collectieve vorderingen van FNV zijn afgewezen.

Subsidie vervangt aftrek

De aftrek van scholingskosten is per 2022 vervallen en vervangen door de STAP-subsidie. Die subsidie is inmiddels weer vervangen door de SLIM-subsidie. Via de SLIM-subsidie kunnen werkgevers in het mkb subsidie aanvragen om werknemers en stagiairs op te leiden of om te scholen.

Aftrek voor algemene opleiding?

In een zaak waarbij nog vóór 2022 scholingskosten waren gemaakt, werd de aftrek geweigerd omdat de betreffende studie, een vwo-studie, volgens de inspecteur in een te ver verband stond met de doelstelling om inkomen te verwerven. De belastingplichtige was het hiermee niet eens en stapte naar de rechter.

Te ver verwijderd verband?

Voor rechtbank Noord-Holland ging het met name om de vraag of een algemeen vormende opleiding, zoals de vwo-opleiding, in een te ver verwijderd verband stond met het verwerven van inkomen. In dat geval was in principe geen aftrek mogelijk, zo besliste de Hoge Raad in 2013, al zijn er uitzonderingen mogelijk. Dit bleek weer uit een arrest van de Hoge Raad uit 1980, waarin de kosten van een mavo-opleiding wel in aftrek werden toegestaan.

Situaties niet vergelijkbaar

Volgens de rechtbank zijn beide zaken echter niet vergelijkbaar. Zo was de belastingplichtige uit het arrest uit 1980 na de mavo-opleiding direct een beroepsopleiding gaan volgen. 

In de zaak voor de rechtbank Noord-Holland was hiervan geen sprake en wilde de belastingplichtige op termijn als paleontoloog aan de slag. Ze kon na de vwo-opleiding worden toegelaten tot de bachelor studie. Daarna moesten echter nog een master, extra curriculaire activiteiten en promotieonderzoek worden gedaan om een paleontoloog te worden. 

Volgens de rechtbank was er daarom een veel verder verband met het verwerven van inkomen dan in de zaak waarbij een mavo-opleiding was gevolgd. De inspecteur werd dan ook in het gelijk gesteld.

Voorwaarden LKV banenafspraak

Voor het LKV banenafspraak moet de werknemer opgenomen zijn in het doelgroepregister en verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Verder heeft de werknemer de AOW-leeftijd nog niet bereikt en werkt niet in een dienstverband dat vanuit de Wet sociale werkvoorziening (WSW) betaald wordt of werkt niet in een beschutte werkomgeving via de gemeente.

Let op! In tegenstelling tot voorgaande jaren heeft u voor het LKV banenafspraak geen doelgroepverklaring meer nodig. Het is voldoende dat de werknemer is opgenomen in het doelgroepregister. Dit doelgroepregister kan een werkgever inzien via het werkgeversportaal van het UWV.

Hoogte LKV banenafspraak 2026

De hoogte van het LKV banenafspraak bedraagt in 2026 € 1,01 per verloond uur van de werknemer met een maximum van € 2.000 per jaar.

Structureel

Waar u tot en met 2025 maximaal drie jaar LKV banenafspraak kon krijgen voor een werknemer, is deze LKV vanaf 2026 structureel. Dit betekent dat u vanaf 2026 recht heeft op LKV banenafspraak voor een werknemer zolang hij bij u in dienst is én in het doelgroepregister is ingeschreven.

Let op! U moet het LKV banenafspraak wel aanvragen. Dit doet u in uw aangifte loonheffingen.

Nieuwe doelgroepen

Aan de doelgroep banenafspraak zijn met ingang van 1 januari 2026 toegevoegd: 

  • Wajongers die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en werkzaam zijn bij een reguliere werkgever, en
  • mensen met een IVA-uitkering die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn en werken met loondispensatie.

Overgangsrecht doelgroep scholingsbelemmerden en indicatie beschut werk

Vanaf 2026 bestaat voor de doelgroepen scholingsbelemmerden en werknemers met een indicatie beschut werk geen recht meer op het LKV banenafspraak.
Bestond de dienstbetrekking echter al vóór 2026 en beschikt u over een geldige doelgroepverklaring, dan kunt u gebruikmaken van overgangsrecht. Voor de resterende duur van de maximale drie jaar zoals deze tot en met 2025 gold, kunt u dan nog wel het LKV banenafspraak aanvragen. Ook dit doet u in uw aangifte loonheffingen.