t
0344 647 000
|

Waarde verpachte gronden box 3 2025

Waarde in het economische verkeer

Uw verpachte gronden in box 3 moet u in uw aangifte IB aangeven tegen de waarde in het economische verkeer. Om de berekening hiervan te vereenvoudigen heeft de Belastingdienst uitgangspunten en normen voor het jaar 2025 gepubliceerd. Met behulp hiervan kunt u de waarde berekenen.

Let op!U bent niet verplicht om gebruik te maken van deze uitgangspunten en normen. U kunt de waarde ook vaststellen op basis van de werkelijke feiten en omstandigheden. U moet dit dan wel onderbouwen.

Alleen voor gras – of akkerland

De uitganspunten en normen kunnen alleen gebruikt worden voor verpachte gronden die in gebruik zijn als gras- of akkerland. Voor alle andere gebruikstoepassingen moet u de waarde vaststellen op basis van de werkelijke feiten en omstandigheden. Dit geldt bijvoorbeeld voor tuinland, glastuinbouw en bollenland.

Let op! Kijk in de brochure van de Belastingdienst voor meer soorten grond waarvoor u de uitgangspunten en normen niet kunt toepassen. Hier vindt u ook de andere voorwaarden en de wijze waarop u de waarde moet berekenen.

Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

De Tweede Kamer stemde op12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan.

Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Van deze vermogensbestanddelen behoort (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement.

Coalitieakkoord en opdrachten Tweede Kamer

In het coalitieakkoord is de wens opgenomen om het nieuwe box 3-stelsel van een vermogensaanwasbelasting (met enkele uitzonderingen) om te vormen naar een volledige vermogenswinstbelasting. De Tweede Kamer stemde ook niet van harte in met het wetsvoorstel en gaf de regering de opdracht mee om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029, een box 3-stelsel gebaseerd op een volledige vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief de dekkingsopties daarvoor.

Daarnaast gaf de Tweede Kamer de regering nog een aantal andere opdrachten mee, waaronder:

  • het uitwerken van een passende en afgebakende definitie van familiebedrijven en bekijken hoe aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting in plaats van een vermogensaanwasbelasting belast kunnen worden in het nieuwe box 3-stelsel;
  • het mogelijk voor 1 januari 2028 reeds actualiseren van het vastgoedbijtellingspercentage en het doen van aanvullend onderzoek naar de rendementen op specifiek vakantiewoningen en het doen van een verkenning naar een uitvoerbare tegenbewijsregeling.

Let op!Onlangs gaf de Tweede Kamer de regering ook nog de opdracht om in het nieuwe box 3-stelsel een achterwaartse verliesverrekening van minimaal één jaar te introduceren.

Reactie staatssecretaris

De staatssecretaris van Financiën, Eelco Eerenberg, geeft in een Kamerbrief van 6 maart 2026 aan dat het kabinet er niet voor kiest om het huidige box 3-stelsel langer dan tot en met 2027 voort te zetten. Invoering van het nieuwe box 3-stelsel per 2028 is belangrijk, omdat het huidige systeem onhoudbaar is, aldus de staatssecretaris.

Het kabinet overweegt wel om het nieuwe box 3-stelsel op twee momenten aan te passen:

  1. Het eerste moment betreft het aanpassen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zoals dat nu bij de Eerste Kamer ligt. Het kabinet gaat in overleg met de Tweede Kamer om opties uit te werken die de vermogensaanwasbelasting verbeteren. Verder kijkt het kabinet naar invoering van een achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf 1 januari 2029. Dit zou betekenen dat verliezen voor het eerst achterwaarts verrekend kunnen worden met box 3-inkomen uit 2028. Of een en ander uitvoerbaar is gezien de ICT-capaciteit, wordt momenteel in kaart gebracht. Ook de invulling van de budgettaire dekking is nog niet bekend.
  2. Het tweede moment betreft het doorontwikkelen van een box 3-stelsel naar een volledige vermogenswinstbelasting, zo snel mogelijk na 2028. Dit kost tijd vanuit het perspectief van wetgeving, implementatie door de Belastingdienst en de gegevensuitwisseling door financiële instellingen. Ook de budgettaire impact moet worden meegewogen. Over het traject van deze doorontwikkeling stuurt de staatssecretaris voor de zomer van 2026 een Kamerbrief.

Verbetering definitie startende ondernemingen

In maart wordt een apart wetsvoorstel ter internetconsultatie aangeboden, waarin een verbeterde definitie van startende ondernemingen is opgenomen. De definitie van startende ondernemingen in het huidige wetsvoorstel sluit onvoldoende aan bij de kenmerken van start-ups en scale-ups. Het aparte wetsvoorstel verbetert dat en wordt met ingang van 1 januari 2028 in de Wet werkelijk rendement box 3 opgenomen.

Let op! Op Prinsjesdag 2026 zal waarschijnlijk pas echt duidelijk worden welke aanpassingen nog gedaan worden in het huidige wetsvoorstel. Op dat moment zal ook de budgettaire dekking van deze aanpassingen bekend moeten zijn. 

Forfaitair rendement

Bij het vaststellen van uw rendement in box 3 wordt in beginsel uitgegaan van forfaitaire rendementen. Voor de aangifte inkomstenbelasting 2025 bedraagt dit forfait voor banktegoeden 1,37%, voor schulden 2,70% en voor overige bezittingen 5,88%.

Voor groene beleggingen geldt in 2025 een vrijstelling van € 26.312. Heeft u een fiscale partner, dan bedraagt de vrijstelling voor u gezamenlijk € 52.624.

De forfaits en de vrijstellingen worden berekend over de waarde op 1 januari 2025, verminderd met eventuele vrijstellingen. Vanwege de peildatum 1 januari 2025 hoeft u in uw aangifte IB 2025 geen rekening te houden met in de loop van 2025 verkregen of gekochte groene beleggingen. Deze tellen dus niet mee voor de berekening van box 3 op basis van het forfaitaire rendement.

Of werkelijk rendement?

Als uw werkelijke rendement in 2025 lager was dan het forfaitaire rendement, dan kunt u ook in 2025 een beroep doen op de tegenbewijsregeling. U betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over uw werkelijke rendement.

De Belastingdienst laat weten dat u ook voor de berekening van uw werkelijke rendement 2025 geen rekening hoeft te houden met groene beleggingen die u in de loop van 2025 kocht of verkreeg.

Let op! Het beroep op de tegenbewijsregeling kunt u meteen doen bij het indienen van de aangifte IB 2025. U hoeft hiervoor dus geen apart OWR-formulier in te vullen, zoals dat voor de jaren tot en met 2024 wel nodig is. 

Forfaits box 3 2025

De definitieve forfaits voor banktegoeden en schulden worden altijd pas na afloop van het jaar vastgesteld. Bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB 2025 gedurende 2025 rekende de Belastingdienst daarom met voorlopige forfaits. Voor banktegoeden bedroeg dit voorlopige forfait 1,44%. Dit forfait is nu voor 2025 definitief bepaald op 1,37%. Voor schulden rekende de Belastingdienst bij de voorlopige aanslag met het voorlopige forfait van 2,61%. Het definitieve forfait is nu vastgesteld op 2,70%.

Let op!Het definitieve forfait voor overige bezittingen was al langer bekend. Dit bedraagt voor 2025 5,88%.

Tegenbewijsregeling

Als uw werkelijke rendement in 2025 lager was dan het forfaitaire rendement, dan kunt u in 2025 een beroep doen op de tegenbewijsregeling. U betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over uw werkelijke rendement. Dit beroep op de tegenbewijsregeling kunt u meteen doen bij het indienen van de aangifte IB 2025. U hoeft hiervoor dus geen apart OWR-formulier in te vullen, zoals dat voor de jaren tot en met 2024 wel nodig is. 

Let op!Houd er wel rekening mee dat het werkelijke rendement berekend moet worden volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3. Daarbij tellen bijvoorbeeld ongerealiseerde waardestijgingen van onroerend goed en beleggingen ook mee, ook als u deze nog niet te gelde heeft gemaakt.

Forfaits box 3 2026

De voorlopige en definitieve forfaits voor 2026 zijn overigens ook al bekend. Voor banktegoeden is dit forfait voorlopig vastgesteld op 1,28%, voor schulden voorlopig op 2,70% en voor overige bezittingen definitief op 6,00%. Bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB 2026 rekent de Belastingdienst in het jaar 2026 met deze forfaits.

Let op! Is uw werkelijke rendement in 2026 lager dan het forfaitaire rendement, dan kunt u in 2026 ook een beroep doen op de tegenbewijsregeling.